- Home
- Kennis
- Publicaties
- Wilsgebreken bij overeenkomsten
Wilsgebreken bij overeenkomsten
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
Als een werknemer en een werkgever de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst, kan het zo zijn dat de werknemer achteraf stelt dat sprake was van een wilsgebrek. Recent oordeelde de Kantonrechter Enschede over een dergelijke situatie.
Wilsgebreken
Een wilsgebrek kan worden omschreven als een gebrek met
betrekking tot de intentie, waardoor het tot stand komen van
wilsovereenstemming verhinderd wordt (Van Dale). Een voorbeeld van
een wilsgebrek is dwaling. Dwaling houdt -kort gezegd- in dat
iemand bij een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst
heeft getekend. Indien de persoon in kwestie wel op de hoogte was
van de juiste feiten en omstandigheden, dan had dit ertoe geleid
dat hij de overeenkomst niet ondertekend had. Wanneer er aan de
zijde van de werknemer een wilsgebrek aanwezig is, kan de werknemer
de rechter verzoeken om te verklaren dat de arbeidsovereenkomst
niet geëindigd is. Als de rechter een dergelijk verzoek honoreert,
heeft dit grote gevolgen. De werknemer moet dan namelijk weer
toegelaten worden tot zijn werk en de werkgever is verplicht het
(achterstallig) loon te betalen.
Feiten
Een werkgever had vanwege een bedrijfseconomische situatie
besloten om te reorganiseren. Een werknemer die al 37 jaar bij de
werkgever in dienst was, kwam conform het afspiegelingsbeginsel
niet voor ontslag in aanmerking. Toch bood de werkgever hem een
beëindigingsovereenkomst aan en de werknemer besloot akkoord te
gaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 15 augustus
2009. Vervolgens bleek dat er toch nog voldoende werk aanwezig was
om de werknemer langer in dienst te houden. De werkgever heeft de
werknemer toen voorgesteld dat hij, in plaats van tot 15 augustus,
tot 3 oktober 2009 in dienst zou blijven. Daarbij vermeldde de
werkgever dat zijn doel was om alle werknemers na de recessie weer
terug in dienst te nemen. De werknemer stemde hiermee in en
ondertekende een nieuwe beëindigingsovereenkomst.
Na het einde van de arbeidsovereenkomst stelde de werknemer dat er bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst sprake was geweest van dwaling. De werknemer stelde dat hij niet wist dat het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst als consequentie zou kunnen hebben dat de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd zou kunnen zijn indien de werkgever zou besluiten om hem na de recessie toch niet opnieuw in dienst te nemen. Ook wist hij niet dat het afspiegelingsbeginsel niet goed was toegepast.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter was het met de werknemer eens en
oordeelde dat er sprake was van dwaling. De werkgever had het
afspiegelingsbeginsel niet goed toegepast en de werknemer hier niet
over geinformeerd. Daarnaast was het voor de werknemer niet
duidelijk dat hij bij ondertekening van de overeenkomst instemde
met een definitief einde van het dienstverband. Op de werkgever
rust in het algemeen een vergaande informatieplicht jegens de
werknemer waaraan de werkgever in dit geval niet had voldaan. Uit
de verklaringen of gedragingen van de werknemer moet voor de
werkgever blijken dat zijn wil ondubbelzinnig is gericht op de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever dient de
werknemer over de gevolgen van de beëindiging in te lichten en moet
zich ervan vergewissen dat de werknemer daadwerkelijk met de
beëindiging wil instemmen. In dit geval was duidelijk dat de wil
van de werknemer niet gericht was op een einde van de
arbeidsovereenkomst, maar op een in het vooruitzicht gestelde
nieuwe periode van werk.
De kantonrechter oordeelde dat de beëindigingsovereenkomst geen rechtsgevolg heeft gehad en de arbeidsovereenkomst is blijven voortduren. De werkgever moet het salaris (inclusief de wettelijke rente) doorbetalen en de werknemer toelaten tot het werk.
Commentaar en tips
Het is mogelijk om een dienstverband met wederzijds
goedvinden te beëindigen. Wel moet u als werkgever, zo blijkt ook
uit deze uitspraak, er altijd voor zorgen dat het voor de werknemer
duidelijk is dat hij instemt met een einde van zijn dienstverband
onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de
beëindigingsovereenkomst. Het opnemen in de overeenkomst dat geen
sprake is van van een wilsgebrek is aan te raden, maar niet altijd
voldoende. Het is altijd goed om de werknemer een paar dagen de
tijd te gunnen om na te denken over het voorstel dat hem gedaan is
en hem te wijzen op de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een
juridisch adviseur. Deze kan hem wijzen op de gevolgen van de
beëindiging. Zo zal de werknemer achteraf minder snel
gerechtvaardigd kunnen stellen dat hij zich niet bewust was van de
consequenties van hetgeen waarvoor hij getekend had