- Home
- Kennis
- Publicaties
- Ontbinding tijdens opzegtermijn
Ontbinding tijdens opzegtermijn
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
Het komt niet zelden voor dat de werknemer een
ontbindingsprocedure start op een moment dat de werkgever is
overgegaan tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst na verkregen
toestemming van het UWV. De Hoge Raad heeft recent duidelijkheid
gegeven over de vraag hoe dient te worden omgegaan met een
dergelijk ontbindingsverzoek tijdens de opzegtermijn.
Inleiding
In Nederland wordt de ontslagroute veelal door de
werkgever gekozen. De werkgever kan kiezen om de
arbeidsovereenkomst te beëindigen via opzegging (na verkregen
toestemming van het UWV) of via ontbinding door de
kantonrechter.
In een situatie dat geen beëindigingsvergoeding wordt aangeboden
heeft een werknemer, nadat de werkgever een ontslagvergunning heeft
gekregen en nadat de arbeidsovereenkomst is opgezegd, een aantal
mogelijkheden. De werknemer kan bijvoorbeeld (de aangewezen weg
volgen en) een kennelijk onredelijke ontslagprocedure starten. Een
dergelijke procedure duurt echter al snel ruim één tot twee jaar.
De werknemer kan er daarentegen ook voor kiezen nog voor het einde
van de opzegtermijn zelf een ontbindingsverzoek in te dienen en
daarbij verzoeken om een vergoeding. Immers, een werknemer kan te
allen tijde een ontbindingsverzoek indienen. Het voordeel van een
ontbindingsprocedure is dat een werknemer op korte termijn
duidelijkheid krijgt.
Lucky shot
De door de werknemer gestarte ontbindingsprocedure tijdens
de opzegtermijn was vaak een zogenoemd 'lucky shot'. Met andere
woorden; de uitkomst van een dergelijke procedure was op voorhand
nauwelijks te voorspellen. Sommige rechters wezen het
ontbindingsverzoek van de werknemer toe, anderen wezen het af met
de motivering dat de werknemer een kennelijke onredelijke
ontslagprocedure kon starten omdat dat de aangewezen route
is.
Feiten
In een recent arrest (11 december 2009) heeft de Hoge Raad
duidelijkheid gegeven hoe met een dergelijk ontbindingsverzoek van
de werknemer om te gaan. Het ging in deze zaak om een werkneemster
die 18 jaar in dienst was. De werkgever heeft de
arbeidsovereenkomst - na verkregen toestemming van het UWV -
opgezegd tegen 1 januari 2009. Vervolgens heeft de werkneemster op
10 november 2008 een ontbindingsverzoek ingediend op grond van
gewijzigde omstandigheden en verzocht om een beëindigingsvergoeding
van 40.000,= Euro bruto. De werkgever heeft nadien de
arbeidsovereenkomst voor een tweede maal opgezegd, zonder
inachtneming van de opzegtermijn, om op deze manier de door de
werkneemster gestarte ontbindingsprocedure te frustreren. De
houdbaarheid van deze tweede opzegging door de werkgever zal in dit
artikel buiten beschouwing blijven. Daarvoor wordt verwezen naar
het artikel: 'Schadeplichtig opzeggen: misbruik van recht?', dat
eveneens in deze nieuwsbrief is te lezen. De kantonrechter heeft de
arbeidsovereenkomst ontbonden per 29 december 2008 onder toekenning
van een vergoeding van 27.500,= Euro bruto.
Hoge Raad
De werkgever is in hoger beroep gegaan. Het Hof
Amsterdam heeft het oordeel van de kantonrechter bevestigd. De
werkgever heeft vervolgens cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft
geoordeeld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst na
opzegging mogelijk is, maar dat de ontbinding slechts effect zou
kunnen hebben voor de nog resterende looptijd van de
arbeidsovereenkomst. Bepalend hierbij is dat sprake is van een
zodanige verandering in de omstandigheden dat de
arbeidsovereenkomst op een nog eerder tijdstip dan waartegen is
opgezegd behoort te eindigen. De werknemer moet goed beargumenteren
welke bijkomende omstandigheden er zijn waardoor de
arbeidsovereenkomst tussen het moment van het ingediende
ontbindingsverzoek en de datum waarop de arbeidsovereenkomst door
opzegging zou eindigen, door de ontbinding moet worden beëindigd.
Het enkele feit dat de werknemer snel duidelijkheid wenst te
krijgen over een beëindigingsvergoeding, leidt er in beginsel toe
dat de kantonrechter het ontbindingsverzoek van de werknemer
afwijst (met de mogelijkheid tot veroordeling in de proceskosten).
Omstandigheden die een werknemer kan aanvoeren zijn bijvoorbeeld
een ernstige verslechtering van de werkverhouding, het pesten door
de werkgever, een schorsing van de werknemer of een nieuwe baan
waardoor de werknemer zijn arbeidsovereenkomst voor afloop van de
opzegtermijn wil beëindigen.
Vergoeding
De vraag resteert welke vergoeding aan de werknemer in een
dergelijke ontbindingsprocedure moet worden toegekend. De Hoge Raad
geeft hierover geen algehele duidelijkheid, maar heeft wel beslist
dat bij het toewijzen van
een ontbindingsvergoeding er rekening dient te
worden gehouden met het feit dat de arbeidsovereenkomst spoedig zal
eindigen. De Hoge Raad laat voorts de mogelijkheid open dat een
werknemer, naast de reeds gevoerde ontbindingsprocedure, ook nog
een kennelijk onredelijk ontslagprocedure kan starten.
Conclusie
Een werknemer is voor de beëindigingsvergoeding nog
steeds in zeer sterke mate afhankelijk van de door de werkgever
gekozen ontslagroute. Voorheen kon de werknemer dit enigszins
omzeilen door een ontbindingsverzoek in te dienen tijdens de
opzegtermijn. De Hoge Raad heeft echter met dit arrest de praktijk,
om tijdens de opzegtermijn een ontbindingsverzoek in te dienen door
de werknemer, enigszins ondergraven. Een werknemer zal met zeer
goede argumenten moeten komen, wil de rechter het verzoek van de
werknemer toewijzen.