Niet de werkgever, maar de Staat draait op voor verlofstuwmeren

Nieuwsbrief Arbeidsrecht.

In de vorige nieuwsbrief berichtten wij u dat er verlofstuwmeren van werknemers in aantocht waren. De Kantonrechter Utrecht oordeelde enkele maanden geleden namelijk dat het in strijd met goed werkgeverschap is om ziekte van invloed te laten zijn op het aantal vakantiedagen. Recent heeft het Hof Amsterdam echter geoordeeld dat een werknemer zich in een geschil met zijn werkgever niet kan beroepen op de Europese Richtlijn, ook niet via goed werkgeverschap.

De laatste tijd is er regelmatig discussie over het opbouwen en opnemen van vakantiedagen tijdens arbeidsongeschiktheid. Uit recente Europese en Nederlandse rechtspraak blijkt dat de hierop betrekking hebbende Nederlandse wetgeving in strijd is met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. Dat kan tot gevolg hebben dat de Nederlandse Staat voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is.

Wetgeving
Werknemers die langdurig volledig arbeidsongeschikt zijn, bouwen op grond van de Nederlandse wet alleen over het laatste half jaar van hun arbeidsongeschiktheidsperiode verlofdagen op. Daar staat tegenover dat arbeidsongeschikte werknemers tijdens de arbeidsongeschiktheid wel met vakantie kunnen gaan, maar die vakantiedagen niet van hun saldo hoeven af te schrijven. De Nederlandse wetgever heeft juist ter voorkoming van verlofstuwmeren en het beheersbaar houden van de aan arbeidsongeschiktheid verbonden kosten voor het bedrijfsleven, de hiervoor bedoelde beperking van de vakantieopbouw in het Burgerlijk Wetboek opgenomen.

Europese Richtlijn
Begin 2009 heeft het Hof van Justitie echter geoordeeld dat iedere werknemer op grond van de Europese Richtlijn recht heeft op een minimum aantal vakantiedagen, ongeacht zijn gezondheidsstatus. Het probleem is echter dat nationale overheden weliswaar verplicht zijn om de Europese Richtlijnen in wetgeving om te zetten, maar als zij dat nalaten burgers geen direct beroep op die Europese Richtlijnen kunnen doen. Hoewel de Nederlandse rechter dan de plicht heeft om Europese regelgeving zoveel mogelijk richtlijnconform te interpreteren, mag de rechter niet tegen een nationale bepaling ingaan.

Zoals in de vorige nieuwsbrief vermeld, heeft de Kantonrechter Utrecht enkele maanden geleden geprobeerd dit te omzeilen door uit te gaan van het goed werkgeverschap en niet een rechtstreeks beroep te doen op de Europese Arbeidstijdenrichtlijn.

Hof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam heeft daarentegen recent geoordeeld dat de Nederlandse rechter de Nederlandse wet moet toepassen en dat een werknemer zich in een geschil met zijn werkgever niet kan beroepen op de Europese Richtlijn. Het hof oordeelde expliciet dat het aan de wetgever is om zijn regelgeving in overeenstemming met de richtlijn te brengen. Een wetswijziging om het Burgerlijk Wetboek in overeenstemming te brengen met de Europese Richtlijn lijkt dan ook niet uit te kunnen blijven.

Conclusie
Totdat de Nederlandse wet in overeenstemming is gebracht met de Europese
Richtlijn (en dat kan nog wel even duren) dient de benadeelde werknemer niet u als werkgever, maar de Nederlandse Staat aansprakelijk te stellen wegens het niet correct omzetten van de Richtlijn in nationaal recht. Het is aldus wachten op een benadeelde werknemer die de stoute schoenen aantrekt.