Fiscale wijzigingen bij doorlevering registergoed

Wieteke Braat en Aukje van Griensven in de nieuwsbrief Real Estate van AKD.

Artikel 13 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR) biedt een tegemoetkoming bij opeenvolgende leveringen van onroerende zaken, waarbij een onroerende zaak binnen zes maanden na de eerste verkrijging door een opvolgende verkrijger wordt verkregen.

In dat geval wordt - kort gezegd- de grondslag voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting bij de opvolgende verkrijging verminderd met het bedrag waarover bij de eerste verkrijging overdrachtsbelasting was verschuldigd.

 

Met betrekking tot artikel 13 WBR zijn twee belangrijke wijzigingen aangebracht, te weten:

1.       een verlenging van de in het wetsartikel genoemde zesmaandstermijn bij de levering van woningen;

2.       een verhoging van de heffingsgrondslag bij een opvolgende verkrijging.

 

Verlenging zesmaandstermijn
De zesmaandstermijn wordt tijdelijk verlengd naar twaalf maanden.

 

Aan deze verlenging zijn wel enkele voorwaarden verbonden, te weten:

1.       er dient sprake te zijn van levering van een woning (een naar haar aard tot woning bestemde onroerende zaak);

2.       de woning is (voor de eerste keer) verkregen in 2011 (de datum van het passeren van de akte is van belang) met heffing van overdrachts- of omzetbelasting.

 

Voor onroerende zaken niet zijnde woningen geldt niet de verlengde termijn van twaalf maanden; de normale termijn van zes maanden blijft daarvoor gelden.

 

Verhoging van de heffingsgrondslag

In de praktijk wordt vaak overeengekomen dat indien een registergoed binnen de termijn van artikel 13 WBR wordt overgedragen, het belastingvoordeel toekomt aan de verkoper. De vergoeding die de koper ingevolge de artikel 13-clausule aan verkoper verschuldigd is, wordt (in fiscale zin) beschouwd als een last voor de koper, zodat over de waarde van deze last in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd is. De Toelichting overdrachtsbelasting keurde echter goed dat deze last voor de heffing buiten beschouwing mocht blijven.

Met ingang van 1 juli 2011 vervalt deze goedkeuring, zodat vanaf die datum bij een doorlevering de koper ook overdrachtsbelasting zal zijn verschuldigd over de waarde van de last.

 

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld kan deze wijziging van de toepassing van het wetsartikel worden toegelicht:

-        A verkoopt en levert zijn woning aan B voor 300.000 euro;

-        B verkoopt en levert de woning aan C binnen de termijn van artikel 13 WBR voor 320.000 euro; overeengekomen wordt dat het belastingvoordeel aan B toekomt.

 

Huidige situatie:

B is aan de fiscus overdrachtsbelasting verschuldigd over 300.000 euro, derhalve 18.000 euro.

 

C vergoedt 18.000 euro aan B.

Tevens is C met toepassing van artikel 13 WBR aan de fiscus overdrachtbelasting verschuldigd over (320.000 euro -/- 300.000 euro =) 20.000 euro, zijnde 1.200 euro.

 

Situatie per 1 juli 2011:

B is aan de fiscus overdrachtsbelasting verschuldigd over 300.000 euro, derhalve 18.000 euro.

 

C vergoedt 18.000 euro aan B.

Tevens is C met toepassing van artikel 13 WBR aan de fiscus overdrachtsbelasting verschuldigd over:

  • (320.000 euro -/- 300.000 euro =) 20.000 euro; alsmede
  • de vergoeding van 18.000 euro,

derhalve over 38.000 euro, zijnde 2.280 euro.

 

Het verschil is dat in de huidige situatie C in totaal (koopprijs, vergoeding en belasting) 339.200 euro betaalt en dat C vanaf 1 juli 2011, in een vergelijkbaar geval, in totaal 340.280 euro betaalt.

Het verschil bedraagt derhalve 1.080 euro.

 

Gezien het bovenstaande kan het, indien u te maken heeft met een transactie waarbij artikel 13 WBR speelt, voordelig zijn om deze transactie plaats te laten vinden vóór 1 juli 2011.

Mochten er vragen over deze onderwerpen zijn, dan kunt u uiteraard contact opnemen met de afdeling notariaat van de vakgroep Bouw en Vastgoed.