De UAV 2011

Jean-Pierre van Eijck en Ton Berben in de nieuwsbrief Real Estate van AKD.

De Werkgroep Herziening UAV 1989 heeft op 14 februari 2011 de concepttekst van de UAV 2011 aangeboden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hierna wordt kort ingegaan op de totstandkoming van de UAV 2011, alsmede op enkele wijzigingen en aanpassingen ten opzichte van de UAV 1989.

 

Enige tijd geleden is aan de Werkgroep Herziening UAV 1989 opdracht verleend om de UAV 1989 te herzien. Sinds de herziening van de UAV in 1989 is namelijk een hoop gebeurd, dat aanleiding heeft gegeven voor deze herziening. Zo is onder andere in 1992 een groot gedeelte van het nieuwe Burgerlijk Wetboek ingevoerd en zijn in 2003 de bepalingen aangaande aanneming van werk in het Burgerlijk Wetboek opgenomen. Bovendien is er sinds 1989 veel jurisprudentie ter zake van de UAV 1989 verschenen en zijn de opvattingen en inzichten hoe betrokken partijen met elkaar om dienen te gaan aan veranderingen onderhevig geweest.

 

Door de Werkgroep is bij de herziening een groot aantal aan de bouw gerelateerde organisaties betrokken. Zo is een lijst met onderwerpen aan deze organisaties verstrekt en verzocht daarop input te leveren. Ook heeft de Werkgroep iedereen die zich daar maar toe geroepen voelt de gelegenheid gegeven om input te leveren. Van die mogelijkheid is gretig gebruik gemaakt. Daarnaast zijn ook enkele bijeenkomsten georganiseerd, waarin verschillende partijen - onder leiding van de Werkgroep - over de meest belangrijke onderwerpen van gedachten hebben gewisseld. Aan de hand van voorgaande input en overleggen, is de Werkgroep tot de concepttekst van de UAV 2011 gekomen.

 

De belangrijkste wijzigingen
Wat meteen opvalt bij eerste lezing van de UAV 2011 is dat de voorwaarden thans niet alleen betrekking hebben op de uitvoering van werken, maar ook op uitvoering van technische installatiewerken. De reikwijdte van de UAV 2011 is daarmee dan ook verbreed ten opzichte van de UAV 1989. De UAV-TI 1992, die betrekking hebben op de uitvoering van technische installatiewerken, zijn grotendeels in de UAV 2011 geïntegreerd.

 

Een andere wijziging die is doorgevoerd betreft de regeling omtrent de aansprakelijkheid van de aannemer (paragraaf 12). In de UAV 1989 werd in paragraaf 12 nog verwezen naar een bepaling uit het "oude" Burgerlijk Wetboek. Die verwijzing is in de UAV 2011 vervangen, maar de regeling is in de kern hetzelfde gebleven. Kort samengevat komt die regeling erop neer dat de aannemer na oplevering in beginsel niet meer aansprakelijk is. Daarop zijn echter twee uitzonderingsgevallen. Tot 5 jaar na oplevering kan de aannemer namelijk wel nog aansprakelijk zijn ingeval sprake is van verborgen gebreken. Daarnaast kan de aannemer tot 10 jaar na oplevering nog aansprakelijk zijn, indien het werk instort of dreigt in te storten, dan wel indien het werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is en een en ander slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen.

 

Naast het voorgaande is ook de regeling met betrekking tot bestekswijzigingen (paragraaf 36) enigszins aangescherpt. In de UAV 2011 is toegevoegd dat ingeval de opdrachtgever bestekswijzigingen wenst, de aannemer slechts een verhoging van de prijs kan vragen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een uit de bestekswijziging voortvloeiende prijsverhoging. Het voorgaande zou slechts anders zijn, wanneer de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Het Burgerlijk Wetboek bevat overigens een gelijkluidende regeling (artikel 7:755 BW), welke van dwingend recht is (afwijking ten nadele van de opdrachtgever is niet toegestaan). Mede daarom is het de vraag of deze aanscherping in de UAV 2011 noodzakelijk was. Voor de duidelijkheid kan het in ieder geval geen kwaad.

 

Voorts is het bedrag van het standaard kortingsbedrag voor te late oplevering aangepast (paragraaf 42). In de UAV 1989 bedroeg dat bedrag NLG 75 per dag. In de UAV 2011 is dat bedrag gewijzigd in EUR 60 per dag. Afgevraagd kan worden in hoeverre deze aanpassing in de praktijk relevant is. Immers, in bestekken wordt veelal de hoogte van dit kortingsbedrag aangepast. Goed beseft dient echter te worden dat wanneer dit niet gebeurt, slechts een standaard kortingsbedrag van EUR 60 per dag van toepassing is. Vaak zal dat onvoldoende zijn om de schade vanwege de vertraging gedekt te krijgen. De Werkgroep heeft overigens een voorstel tot het introduceren van een bonus ingeval van eerdere oplevering afgewezen. Dat vond de Werkgroep namelijk een té ingrijpende wijziging.

 

Als laatste wordt er nog op gewezen dat de Werkgroep niet de kans heeft aangegrepen om de systematiek met betrekking tot de te vergoeden rente bij te late betaling aan te passen (paragraaf 45). Dat zal voor opdrachtgevers teleurstellend zijn, maar door aannemers worden toegejuicht. Op enig moment is namelijk onduidelijkheid ontstaan doordat ten tijde van het opstellen van de UAV 1989 nog geen onderscheid tussen wettelijke rente en (de hogere) wettelijke handelsrente werd gemaakt. Dat onderscheid is aangebracht in het kader van de implementatie van de Europese richtlijn van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalintsachterstand bij handelstransacties. Tussen opdrachtgevers en aannemers is tijdens procedures vervolgens met regelmaat getwist over de vraag of de UAV 1992 ter zake van de wettelijke rente verwees naar de wettelijke handelsrente of de "gewone" wettelijke rente. Die discussies werden nog eens aangescherpt door het gegeven dat de UAV 1989 de mogelijkheid bevat om het wettelijke rentepercentage onder omstandigheden met 2 procentpunten te verhogen. Het spreekt voor zich dat opdrachtgevers de nodige bezwaren hebben tegen een dergelijk hoog rentepercentage. Daarbij moet echter wel aangetekend worden dat de UAV 1989 (en ook de UAV 2011), in tegenstelling tot het Burgerlijk Wetboek, geen rente op rente (ook wel: samengestelde rente) vergoedt.

 

Vooral de landsadvocaat (die vooral optreedt voor de centrale overheid) heeft er richting de Werkgroep op aangedrongen deze bepaling aan te passen. Dat is zeer waarschijnlijk ingegeven door het feit dat in de jurisprudentie de Raad van Arbitrage de uitleg van aannemers heeft gevolgd. Die uitleg houdt in dat de opdrachtgever bij te late betaling de wettelijke handelsrente verschuldigd is, welke (indien aan de voorwaarden van paragraaf 45 lid 2 is voldaan) met 2 procentpunten dient te worden verhoogd. Tenzij de Raad van Arbitrage haar koers gaat wijzigen, zal ingeval van overeenkomsten tussen professionele partijen bij te late betaling dan ook de wettelijke handelsrente dienen te worden vergoed, eventueel nog verhoogd met 2 procentpunten. Slechts wanneer een particulier partij is bij de overeenkomst, zal de "gewone" wettelijke rente (eventueel verhoogd met 2 procentpunten) van toepassing zijn.

 

Conclusie

Alles bij elkaar bezien, blijkt uit de concepttekst van de UAV 2011 dan ook dat het slechts een lichte herziening en actualisering van de UAV 1989 betreft. De Werkgroep had ook geen opdracht tot een algehele herziening en heeft op basis van die instructies ook diverse voorstellen tot wijziging en aanpassing afgewezen. De wijzigingen en aanvullingen ten opzichte van de UAV 1989 zijn dan ook redelijk beperkt gebleven. De concepttekst van de UAV 2011 (alsmede aanvullende informatie daarover) is te vinden op de website van het Instituut voor Bouwrecht (www.ibr.nl).