- Home
- Kennis
- Publicaties
- (Bovenwettelijk) instemmingsrecht bij invoering van kledingvoorschriften?
(Bovenwettelijk) instemmingsrecht bij invoering van kledingvoorschriften?
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
Nieuwsbrief Arbeidsrecht.
NS-Reizigers (NSR) had voor de medewerkers van haar afdeling Service & Veiligheid nieuwe bedrijfskleding op het oog. Om de herkenbaarheid van verschillende functionarissen te bevorderen, koos NSR voor verschillende uniformen. Dit om zowel voor publiek als personeel duidelijk te maken, welke actie van de betreffende medewerker te verwachten was. Sommige medewerkers stonden opgesteld voor klantgerichte functies, anderen waren tevens bijzonder opsporingsambtenaar en hadden de bevoegdheid om in hun functie zo nodig geweld toe te passen. Die verschillen wilde NSR in de kleding en niet in de laatste plaats door hoofddeksels (een cap voor de heren, een dop voor de dames) herkenbaar maken.
De Ondernemingsraad van NSR onthield aan het voorgenomen besluit de
gevraagde instemming, omdat de Raad het ongewenst vond dat
medewerkers die samen in één ploeg dienst doen verschillende
uniformen zouden dragen en vooral omdat aan de betreffende
medewerkers het dragen van de cap/dop in ieder geval op het station
verplicht werd gesteld. NSR en OR konden het ook daarna niet eens
worden, waarop NSR heeft besloten tot invoering van het
kledingpakket zoals voorgenomen. Daarbij heeft NSR zich op het
standpunt gesteld, dat het betreffende besluit niet was aan te
merken als een (instemmingsplichtig) besluit in de zin van artikel
27 lid 1 WOR en dat het binnen haar algemene instructierecht viel
om bedrijfskleding in te voeren. De OR verzette zich en beriep zich
op de nietigheid van dat besluit. NSR hield voet bij stuk, waarop
de OR een kort geding begon.
Aan zijn vordering gaf de OR mee, dat NSR de OR ex artikel 32 lid 2
WOR een bovenwettelijk instemmingsrecht heeft toegekend door
schriftelijk en zonder enig voorbehoud om instemming met het
voorgenomen besluit te vragen. NSR wierp tegen, dat sprake was
geweest van een misverstand dat er terzake kledingvoorschriften een
instemmingsrecht zou zijn en dat NSR met andere woorden nooit de
bedoeling heeft gehad om een bovenwettelijk instemmingsrecht bij
wijze van ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2
WOR te verlenen. Evenmin was voldaan aan het
schriftelijkheidsvereiste voor zo'n overeenkomst, aldus de NSR.
De kantonrechter te Utrecht ging te rade bij de parlementaire
geschiedenis rondom de invoering van artikel 32 WOR. Daaruit viel
af te leiden dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen creëren
om de medezeggenschap in de eigen onderneming op maat te snijden en
daar dus afspraken over te maken. Noch de tekst van de wet noch de
totstandkomingsgeschiedenis geven aanleiding om te veronderstellen
dat andere eisen gelden voor een bovenwettelijk adviesrecht dan
voor een bovenwettelijk instemmingsrecht.
Of met andere woorden: dat in het ene geval het vereiste van
een schriftelijke overeenkomst heeft te gelden en in het andere
geval niet. Daar doet niet aan af, dat het instemmingsrecht een
ingrijpender bevoegdheid impliceert, aldus de kantonrechter. Als
een ondernemer derhalve zonder voorbehoud instemming heeft gevraagd
en de OR op goede gronden aan heeft mogen nemen dat daarmee een
instemming in de zin van artikel 27 WOR werd bedoeld, mag uit
worden gegaan van overeenstemming en wordt het daarmee een
instemmingsplichtig besluit.
De kantonrechter honoreerde evenmin het verweer van NSR, dat ze
niet de bedoeling heeft gehad om zo'n bovenwettelijk
instemmingsrecht te geven. De OR heeft het heldere en
ondubbelzinnige instemmingsverzoek van de NSR met daarin een
verwijzing naar artikel 27 WOR redelijkerwijs op mogen vatten als
het toekennen aan de OR van een instemmingsrecht, zodat NSR zich er
niet op kon beroepen dat dat eigenlijk niet de bedoeling was
geweest. Tot slot overweegt de kantonrechter nog dat het op
gespannen voet staat met de eisen van goed ondernemerschap om nadat
het gegeven recht door de OR is uitgeoefend met een voor de NSR
onwelgevallige uitkomst, vervolgens het standpunt te betrekken dat
van een dergelijk instemmingsrecht geen sprake is. Om al deze
redenen stelt de kantonrechter de OR in het gelijk en verbiedt NSR
om gedurende vier maanden na het vonnis uitvoering te geven aan de
beoogde introductie van het kledingvoorschrift, zodat de OR in de
tussentijd gelegenheid heeft om zich tot de bedrijfscommissie te
wenden en zo nodig een bodemprocedure aanhangig te maken.
De moraal is helder.
Het is alleszins aan te raden om, indien uitgebreidere bevoegdheden
van de OR wenselijk worden geacht, die ter voorkoming van
misverstand of misvatting duidelijk met zoveel woorden in een
schriftelijke ondernemingsovereenkomst vast te leggen en daar
strikt aan vast te houden, zodat het uitgangspunt de schriftelijke
overeenkomst blijft en niet een uitlegredenering zoals in casu die
van de kantonrechter.
Dat deze ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste tot de
onderhavige beslissing komt, is in die zin niet nieuw, dat al
langer door gezaghebbende juristen wordt betoogd en ook in rechte
is uitgemaakt, dat een redelijke uitleg van het
schriftelijkheidsvereiste meebrengt dat een mondelinge afspraak die
niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, ook als geldige
ondernemingsovereenkomst is te beschouwen.
Ton Gaalman