Real Estate - september 2009

Dit is een uitgave van de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Real Estate van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de drie maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de vastgoedsector.

In deze nieuwsbrief:

  • Zijn oude vrijstellingen nog bruikbaar?
    In de bouwpraktijk kwam het geregeld voor dat voor een bouwproject een vrijstelling ex artikel 19 WRO (oud), los van de bouwvergunning, werd aangevraagd. Dit had praktische voordelen, aangezien eerst werd beoordeeld of het bouwproject planologisch mogelijk was. Bleek dat onverhoopt niet het geval te zijn, dan hoefde er ook geen onnodige energie te worden gestoken in het bouwvergunningtraject. Gelet op deze vaak voorkomende praktijk hebben vele bouwers en projectontwikkelaars een vrijstelling ex artikel 19 WRO (oud) "op zak", zonder dat zij over een bouwvergunning beschikken.
    » lees verder

  • De economische crisis te lijf met de crisis- en herstelwet
    De regering wil de economische crisis te lijf gaan met het wetsvoorstel Crisis- en herstelwet dat op Prinsjesdag is ingediend bij de Tweede Kamer. Met de wet moet een einde worden gemaakt aan de "de complexiteit en stroperigheid van besluitvorming" op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. Grote projecten kunnen dan eerder doorgang vinden, waardoor nieuwe banen worden gecreëerd en dus de economie een "boost" krijgt, aldus de regering. Het is de bedoeling dat de wet op 1 januari 2010 in werking treedt. Hieronder wordt een aantal aspecten van het wetsvoorstel toegelicht.
    » lees verder

  • Verruiming van de monumentenvrijstelling overdrachtsbelasting van korte duur?
    De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen is thans onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de Staatssecretaris van Financiën de toepassing van de monumentenvrijstelling verruimd nadat het Gerechtshof Den Haag had besloten de vrijstelling tevens toe te kennen aan een natuurlijk persoon. De verruiming van de vrijstelling lijkt echter van korte duur te zijn. Het op Prinsjesdag ingediende Belastingplan 2010 stelt voor de monumentenvrijstelling volledig te schrappen per 1 januari 2010.
    » lees verder

  • Technische herstelwet van VROM
    Op 15 juli 2009 is grotendeels en met terugwerkende kracht de technische herstelwet van VROM (Stb. 2009, 297) in werking getreden. Bij deze wet worden diverse artikelen uit onder andere de Invoeringswet Wro, Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet gewijzigd.
    » lees verder

  • Wetsvoorstel overgangsregeling inschrijving netwerk; een oplossing?
    Op 10 juni 2009 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de wet die toeziet op inschrijving van de eigendom van de netwerken in de openbare registers. Op het eerste gezicht lijkt het wetsvoorstel een oplossing voor de praktijk te zijn, maar helaas roept het voorstel nog meer vragen en onduidelijkheden op.
    » lees verder

  • Het meekleuren van de bestemming van verhuurde bedrijfsruimte
    Het komt nogal eens voor dat een winkelier of een horecaondernemer een in een aangrenzend perceel gelegen bedrijfsruimte of een aangrenzend stukje grond huurt ten behoeve van zijn onderneming. Te denken valt aan een stukje grond waarop de horecaondernemer een terras realiseert of waarmee hij zijn bestaande terras uitbreidt, aan een tuincentrum dat een aangrenzend stuk grond huurt om de verkoopruimte buiten uit te breiden en/ of parkeerruimte te creëren. Ook kan worden gedacht aan de winkelier die in het aangrenzend pand opslagruimte bijhuurt. Partijen realiseren zich dan vaak niet welk wettelijk huurregime van toepassing is op hetgeen wordt bijgehuurd.
    » lees verder

...........................................................................................................................................................................

Zijn oude vrijstellingen nog bruikbaar?
In de bouwpraktijk kwam het geregeld voor dat voor een bouwproject een vrijstelling ex artikel 19 WRO (oud), los van de bouwvergunning, werd aangevraagd. Dit had praktische voordelen, aangezien eerst werd beoordeeld of het bouwproject planologisch mogelijk was. Bleek dat onverhoopt niet het geval te zijn, dan hoefde er ook geen onnodige energie te worden gestoken in het bouwvergunningtraject. Gelet op deze vaak voorkomende praktijk hebben vele bouwers en projectontwikkelaars een vrijstelling ex artikel 19 WRO (oud) "op zak", zonder dat zij over een bouwvergunning beschikken. 

Overgangsrecht oude vrijstellingen
Per 1 juli 2008 is de oude WRO vervangen door de nieuwe Wet ruimtelijke ordening ("Wro"). In de nieuwe Wro is de systematiek van de vrijstellingen gewijzigd. Simpel gezegd heeft dit tot gevolg dat de oude vrijstellingen niet meer bestaan. Onder het nieuwe recht kan uitsluitend door middel van een ontheffing of een projectbesluit van het bestemmingsplan worden afgeweken. Dit uitgangspunt komt ook naar voren in artikel 46 van de Woningwet. 

De oude vrijstellingen op basis van artikel 15 (de binnenplanse vrijstelling), artikel 17 (tijdelijke vrijstelling) en artikel 19 lid 3 (de kruimelvrijstellingen) van de WRO (oud), zijn echter in een nieuw jasje teruggekomen in de nieuwe Wro. Het overgangsrecht bepaalt daarom dat deze vrijstellingen worden gelijkgesteld met hun "nieuwe tegenhangers" in de nieuwe Wro. Kortom: de kruimelvrijstelling, de binnenplanse vrijstelling en de tijdelijke vrijstelling onder het oude recht zijn nu - onder de nieuwe Wro - nog steeds rechtsgeldig. 


Een dergelijke gelijkstelling is er niet voor oude artikel 19-vrijstellingen. De reden hiervan is dat die vrijstelling geen equivalent heeft in de nieuwe Wro en dus niet daarmee gelijk kan worden gesteld. Het overgangsrecht bepaalt slechts dat het oude recht van toepassing blijft op een oude artikel 19-vrijstelling, als een verzoek daartoe voor 1 juli 2008 (datum inwerkingtreding nieuwe Wro) is ingediend. Dit betekent derhalve dat ook na 1 juli 2008 een oude artikel 19-procedure kon worden doorlopen, mits een dergelijk vrijstellingsverzoek voor 1 juli 2008 was ingediend. Wellicht door koudwatervrees hebben bouwers en gemeenten enthousiast gebruik gemaakt van dit overgangsrecht, zodat vele oude vrijstellingen - ook los van een bouwvergunning - zijn verleend. 

Zijn oude vrijstellingen nog bruikbaar?
In de rechtspraak is het tot nu toe tweemaal voorgekomen dat een bouwer gebruik wilde maken van zijn oude artikel 19-vrijstelling die hij nog op zak had. Zodoende werd - na 1 juli 2008 - een bouwvergunning bij de gemeente aangevraagd, waarbij de bouwer een beroep deed op de al eerder verleende vrijstelling. De voorzieningenrechter te Arnhem en de voorzieningenrechter te Utrecht kregen beide de vraag voor de kiezen of een oude artikel 19-vrijstelling nog wel gebruikt kon worden, aangezien deze vrijstelling onder het nieuwe recht juridisch niet meer bestaat. Opmerkelijk is dat beide voorzieningenrechters tot verschillende antwoorden zijn gekomen. Ten eerste zal de Arnhemse zaak worden besproken. 

Voorzieningenrechter Arnhem 22 april 2009: oude vrijstelling niet meer bruikbaar
Indien sprake is van een bouwplan, dat in strijd is met het bestemmingsplan, kan die strijdigheid onder de nieuwe Wro slechts worden weggenomen door een - op grond van die wet genomen - ontheffing of projectbesluit, aldus de voorzieningenrechter. Dat standpunt wordt ook bevestigd door artikel 46 lid 3 van de Woningwet. Dat artikel bepaalt namelijk dat een bouwaanvraag, die in strijd is met het bestemmingsplan, tevens moet worden aangemerkt als een ontheffing dan wel een projectbesluit onder de nieuwe Wro. De strijdigheid met het bestemmingsplan kan dus niet meer worden weggenomen door een oude artikel 19-vrijstelling. Deze vrijstelling bestaat namelijk niet meer onder de nieuwe Wro en is ook niet onder het overgangsrecht gebracht. 

Voorzieningenrechter Utrecht 17 juli 2009: oude vrijstelling nog wel bruikbaar
De Utrechtse voorzieningenrechter is van oordeel dat oude vrijstellingen nog wel hun waarde hebben behouden. Hiervoor verwijst de voorzieningenrechter naar het overgangsrecht waaruit volgt dat ten aanzien van een oude artikel 19-vrijstelling het oude recht van toepassing blijft, ingeval een verzoek daartoe voor 1 juli 2008 is ingediend. Hoewel de voorzieningenrechter te Utrecht zich bewust is van artikel 46 van de Woningwet (dat meebrengt dat alleen door een ontheffing of projectbesluit in de zin van de nieuwe Wro van het bestemmingsplan kan worden afgeweken), acht hij die wetsbepaling niet van toepassing als voor 1 juli 2008 om een oude vrijstelling is verzocht. Dat een artikel 19-vrijstelling niet is gelijkgesteld met een evenknie in de nieuwe Wro is zodoende irrelevant. Daarbij doet de voorzieningenrechter een beroep op de parlementaire geschiedenis. 

Effect voor de praktijk
Naar de huidige stand van de jurisprudentie is het mogelijk om beide standpunten te verdedigen. Uiteraard is voorzichtigheid geboden, nu de aanwezige rechtspraak tegenstrijdig is. Per individueel geval zal een afweging moeten worden gemaakt. Soms zal het de moeite lonen om de oude vrijstelling in te roepen (alsdan hoeft geen nieuwe, wellicht langdurige planologische procedure te worden doorlopen). In Andere gevallen zal het wellicht zijn aangewezen om het zekere voor het onzekere te nemen en een projectbesluit dan wel ontheffing aan te vragen. 

Wij sluiten niet uit dat in (één van) beide zaken hoger beroep zal worden ingesteld, zodat op termijn een uitspraak van de hoogste rechter is te verwachten. Uiteraard houden wij u hiervan in deze nieuwsbrief op de hoogte. 

Auteur: Alex Lijkwan

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

De economische crisis te lijf met de crisis- en herstelwet
De regering wil de economische crisis te lijf gaan met het wetsvoorstel Crisis- en herstelwet dat op Prinsjesdag is ingediend bij de Tweede Kamer. Met de wet moet een einde worden gemaakt aan de "de complexiteit en stroperigheid van besluitvorming" op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. Grote projecten kunnen dan eerder doorgang vinden, waardoor nieuwe banen worden gecreëerd en dus de economie een "boost" krijgt, aldus de regering. Het is de bedoeling dat de wet op 1 januari 2010 in werking treedt. Hieronder wordt een aantal aspecten van het wetsvoorstel toegelicht. 

Tijdelijk snellere procedures voor grote projecten
Het wetsvoorstel wijst een groot aantal (categorieën van) ruimtelijke en infrastructurele projecten aan waarvoor tijdelijk - want tot 1 januari 2014 - afwijkende procedureregels gaan gelden. Het gaat om projecten als de aanleg van autosnelwegen en spoorwegen, de ontwikkeling van gebieden zoals de Noordelijke IJoevers in Amsterdam, Brainport Eindhoven en de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied. Bij AMvB kunnen nog meer projecten worden aangewezen. Kortom: het wetsvoorstel is van toepassing op een mogelijk zeer groot aantal plannen en besluiten ter uitvoering daarvan. 

Milieueffectrapport
Indien voor een project een plicht bestaat om een milieueffectrapport op te stellen, voorziet de wet in tijdswinst. Voor dergelijke projecten vervalt de verplichting om redelijke alternatieven in beeld te brengen en te onderzoeken. Ook de verplichting om de Commissie voor de milieueffectrapportage te laten adviseren over het uitgevoerde rapport, vervalt. 

Procesrecht
In de procedure leidend tot uitvoeringsbesluiten voor een project wordt niets gewijzigd. Wel worden een aantal veranderingen doorgevoerd in de rechtsbescherming nadat de uitvoeringsbesluiten zijn genomen. Beroep kan niet meer worden ingediend op "nader aan te voeren gronden", maar moet direct en volledig worden gemotiveerd. Verder wordt het "relativiteitsvereiste" ingevoerd, hetgeen inhoudt dat de bestuursrechter een bestreden besluit niet meer kan vernietigen wegens schending van een rechtsregel die de appellant zelf uiteindelijk geen schade berokkent. 

Ook wordt de rechter verplicht om een zaak versneld te behandelen en binnen zes maanden uitspraak te doen. Aangezien de meeste (hoger) beroepen nu binnen 1 jaar worden afgehandeld, zullen rechtbanken en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de beroepen met voorrang moeten behandelen. Dat andere zaken hierdoor mogelijkerwijs langer blijven liggen, neemt de regering op de koop toe. 

Specifiek: woningbouw
Een andere opvallende tijdelijke maatregel ziet alleen op woningbouwprojecten van ten minste 20 en maximaal 2000 woningen. Het wetsvoorstel voorziet in versnelde uitvoering van dergelijke projecten. Alle regels (met uitzondering van de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet) op grond waarvan vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen of enig ander besluit ter uitvoering van een dergelijk woningbouwproject nodig zijn, worden buiten werking gesteld. Ter illustratie: een te wijzigen bestemmingsplan, de bouwvergunning, eventueel benodigde kapvergunning en sloopvergunning ter realisering van een woningbouwproject worden dan in één uitvoeringsbesluit geïncorporeerd. Het projectuitvoeringsbesluit wordt genomen door de gemeenteraad. Tegen dit uitvoeringsbesluit is slechts beroep mogelijk in één instantie bij de Raad van State, die binnen 4 maanden uitspraak moet doen. 

Structurele tijdswinst
De bovengenoemde maatregelen vervallen op 1 januari 2014. Het wetsvoorstel brengt echter ook permanente wijzigingen aan in een aantal bijzondere wetten. Zo zorgt het wetsvoorstel voor een vereenvoudiging van de uitvoering van de Natuurbeschermingswet, gericht op onder andere minder vergunningen en een eenvoudiger berekening van de effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden. Ook wordt de procedure uit de Onteigeningswet om onroerende zaken te onteigenen ingekort. Dit moet een tijdwinst van minimaal 4 maanden opleveren. Het wetsvoorstel voorziet ook in de oplossing van meer specifieke knelpunten, zoals vereenvoudiging van de gemeentelijke deelname in de aanleg van glasvezelnetten, de stimulering van warmte-koudeopslag door de aanpassing van onder andere de Wet bodembescherming en de versnelling van de aanleg van windmolenparken door middel van meer provinciale coördinatie. 

Ontwikkelingsgebieden
Het wetsvoorstel voorziet ten slotte in de mogelijkheid om ontwikkelingsgebieden aan te wijzen. In dergelijke gebieden kan gedurende maximaal 10 jaar afgeweken worden van bij AMvB aangewezen bepalingen uit de Nederlandse milieuwetgeving. Het kan gaan om bepalingen uit bijvoorbeeld de Natuurbeschermingswet, de Wet bodembescherming, de Wet Ammoniak en veehouderij en de Wet geluidhinder. Zodoende kunnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen eerder doorgang vinden. Ook van de Wet milieubeheer mag afgeweken worden, echter met uitzondering van het bepaalde over kwaliteitseisen op het gebied van lucht en water. Overigens is het regime aangaande luchtkwaliteitseisen per 1 augustus 2000 versoepeld met de Wet implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen. 

Conclusies
Met dit wetsvoorstel wordt dus beoogd de aanleg van ruimtelijke projecten te vereenvoudigen en versnellen om de economie een impuls te geven. Het is echter maar de vraag of het gewenste resultaat inderdaad wordt bereikt. Ook de regering onderkent dat er niet alleen een juridisch, maar ook een bestuurlijk en politiek probleem kan bestaan. Bestuurlijke of politieke traagheid of omissies in de ambtelijke voorbereiding vormen in de praktijk niet zelden een belemmering en zijn ongewenst. Ook daar zal dus een slag gemaakt moeten worden! 

Auteurs: Erik Dans en Eveline Sillevis Smitt

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Verruiming van de monumentenvrijstelling overdrachtsbelasting van korte duur?
De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen is thans onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de Staatssecretaris van Financiën de toepassing van de monumentenvrijstelling verruimd nadat het Gerechtshof Den Haag had besloten de vrijstelling tevens toe te kennen aan een natuurlijk persoon. De verruiming van de vrijstelling lijkt echter van korte duur te zijn. Het op Prinsjesdag ingediende Belastingplan 2010 stelt voor de monumentenvrijstelling volledig te schrappen per 1 januari 2010. 

Verruiming van de vrijstelling naar natuurlijke personen
Op 1 mei 2009 heeft het Gerechtshof Den Haag een opmerkelijke uitspraak gedaan over de monumentenvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Het oordeelde dat de vrijstelling niet alleen geldt voor monumentenrechtspersonen, maar ook moet worden toegekend aan natuurlijke personen. De Staatssecretaris van Financiën heeft berust in de uitspraak en bij besluit van 10 juni 2009 het beleid betreffende de toepassing van de monumentenvrijstelling tijdelijk aangepast per 1 mei 2009. Het nieuwe beleid heeft óók consequenties voor monumentenrechtspersonen. 

De verkrijging van monumenten door monumentenrechtspersonen, zoals een stichting of een besloten vennootschap, is thans onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15 lid 1 onder p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer ('WBR')). De monumentenvrijstelling geldt als de onroerende zaak op het moment van de verkrijging is ingeschreven in één van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten ('Monumentenregisters'). Gemeentelijke monumenten vallen daar niet onder. De vrijstelling geldt ook voor de verkrijging van een onverdeeld aandeel of een appartementsrecht in een monument. 

Uitspraak Gerechtshof Den Haag van 1 mei 2009
De zaak voorgelegd aan het Gerechtshof Den Haag betrof de verkrijging van een rijksmonument door een natuurlijk persoon. Het Hof heeft beslist dat verkrijgingen door natuurlijke- en rechtspersonen gelet op de ratio van de vrijstelling (bevordering van het behoud van monumenten), aangemerkt kunnen worden als gelijke gevallen. Vervolgens heeft het Hof beslist de vrijstelling toe te kennen aan de betreffende natuurlijke persoon. 

Besluit Staatssecretaris 10 juni 2009: uitbreiding monumentenvrijstelling
Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de Staatssecretaris van Financiën de toepassing van de monumentenvrijstelling verruimd. De Staatssecretaris tekent daarbij aan dat de vrijstelling een voorlopig karakter heeft, omdat er een evaluatie plaatsvindt van de vrijstelling. 

 
De Staatssecretaris keurt goed dat de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk- of een rechtspersoon. De voor een rechtspersoon geldende voorwaarde dat deze hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft, komt te vervallen. Ook behoeft een rechtspersoon, voor de toepassing van de vrijstelling, niet meer door de Minister te worden aangewezen als monumentenrechtspersoon. 

 
De Staatssecretaris geeft aan dat de goedkeuring geldt met terugwerkende kracht met ingang van 1 mei 2009 tot de datum waarop de voorziene wijziging van de monumentenvrijstelling in werking treedt. Indien op of na 1 mei 2009 voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden dan wel een naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zal de inspecteur van de Belastingdienst op verzoek teruggaaf of vermindering van overdrachtsbelasting verlenen. AKD heeft inmiddels met succes een aantal teruggaven geregeld.  
Ten slotte keurt de Staatssecretaris goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging van een onroerende zaak voordat deze als monument is ingeschreven in de Monumentenregisters, mits: 
de aanvraag tot aanwijzing als monument is gedaan uiterlijk op het moment van de verkrijging;
de onroerende zaak binnen 10 maanden na de verkrijging als monument is ingeschreven in de Monumentenregisters; en
er tijdig een aangifte wordt ingediend met daarin een beroep op de vrijstelling en bij deze aangifte wordt gevoegd een afschrift van het verzoek tot aanwijzing als monument.


De regel dat overdrachtsbelasting alsnog verschuldigd is wanneer binnen 25 jaar na de verkrijging de onroerende zaak zijn monumentenstatus verliest, blijft onverminderd van kracht. 

Belastingplan 2010: afschaffing monumentenvrijstelling
De verruimde vrijstelling lijkt helaas van korte duur te zijn. Inmiddels is namelijk op Prinsjesdag het Belastingplan 2010 bij de Tweede Kamer ingediend waarin wordt voorgesteld de monumentenvrijstelling per 1 januari 2010 volledig af te schaffen. Een subsidieregeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen ten behoeve van het in stand houden van monumenten komt voor de monumentenvrijstelling in de plaats. Reden voor afschaffing is dat uit de evaluatie van de monumentenvrijstelling is gebleken dat deze vrijstelling nauwelijks ten goede komt aan de restauratie en het behoud van monumenten. Bij de nieuwe subsidieregeling zou dit wel het geval zijn. 

Auteur: Mariëtta van Wijk

Inhoudsopgave

..........................................................................................................................................................................

Technische herstelwet van VROM
Op 15 juli 2009 is grotendeels en met terugwerkende kracht de technische herstelwet van VROM (Stb. 2009, 297) in werking getreden. Bij deze wet worden diverse artikelen uit onder andere de Invoeringswet Wro, Wet bodembescherming, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet gewijzigd. 

De herstelwet is gemaakt om wetstechnische gebreken en leemten van de diverse wetten te herstellen, maar brengt daarnaast enkele wijzigingen in die wetten aan die meer fundamenteel van karakter zijn. Hieronder worden enkele van die wijzigingen uit de Invoeringswet Wro, de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet kort weergegeven. 

De actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen
De Invoeringswet Wro is zodanig aangepast dat ook voor bestemmingsplannen die minder dan 5 jaar oud zijn ten opzichte van de inwerkingtreding van die wet op 1 juli 2008, geldt dat binnen 10 jaar na de datum van het onherroepelijk worden van dat bestemmingsplan een nieuw bestemmingsplan vastgesteld moet worden met toepassing van het nieuwe recht. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt bij de bestaande bestemmingsplannen aan de actualiseringsverplichting te voldoen door een beheersverordening vast te stellen. 

Overgangsrecht en artikel 19 WRO-vrijstelling
In de Invoeringswet was voorafgaand aan de inwerkingtreding van de herstelwet weliswaar voorzien in overgangsrecht ten aanzien van verzoeken om een vrijstelling ingevolge artikel 19, lid 1 of 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, maar was niet voorzien in overgangsrecht ten aanzien van de met besluiten op die verzoeken samenhangende gevolgen, zoals exploitatieovereenkomsten, verzoeken om schadevergoeding of schadevergoedingsovereenkomsten die na 1 juli 2008 aan de orde zijn. Ter herstel van deze omissie wordt een besluit tot vrijstelling, waartoe een verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet. 

Wijzigings- en uitwerkingsplannen in aparte afdeling van de Wet ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening is zodanig aangepast dat de procedure voor een wijzigings- of uitwerkingsplan in een aparte afdeling van de wet wordt geregeld. 

De relatie tussen een bouwvergunning en een daarbij behorend planologisch afwijkingsbesluit
De herstelwet brengt wijzigingen aan in de Woningwet ter verduidelijking van de relatie tussen een bouwvergunning en een daarbij behorend planologisch afwijkingsbesluit. De aanpassing van artikel 46, lid 5, Woningwet dient ter verduidelijking dat indien wordt beslist omtrent een aanvraag om een bouwvergunning op een moment dat ten behoeve daarvan een planologisch afwijkingsbesluit (een ontheffing of een projectbesluit) is genomen, maar nog niet in werking is getreden, de bouwvergunning moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan in samenhang met die ontheffing, dan wel in strijd is met dat projectbesluit. De aanpassing van lid 6 van dit wetsartikel strekt ertoe te voorkomen dat het mogelijk is dat een bouwvergunning reeds in werking treedt voordat het planologische afwijkingsbesluit in werking is getreden. 

Auteur: Peter de Haan

Inhoudsopgave

..........................................................................................................................................................................

Wetsvoorstel overgangsregeling inschrijving netwerk; een oplossing?
Op 10 juni 2009 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van de wet die toeziet op de inschrijving van de eigendom van netwerken in de openbare registers. Op het eerste gezicht lijkt het wetsvoorstel een oplossing voor de praktijk te zijn, maar helaas roept het voorstel juist meer vragen en onduidelijkheden op. 

In 2007 heeft de wetgever een generieke regeling inzake de eigendom van netwerken in het Burgerlijk Wetboek ('BW') opgenomen. Artikel 5:20 lid 2 BW bepaalt dat de bevoegde aanlegger van een netwerk tevens de eigenaar is van dit netwerk. Een netwerkeigenaar kan een netwerk op zijn naam in de openbare registers van het kadaster laten registreren indien en voor zover hij kan aantonen dat hij het netwerk bevoegd in de grond heeft aangelegd. De eigendomsregeling en de registratie van netwerken blijken in de praktijk juist op problemen te stuiten. De netwerkeigenaar dient bewijsstukken aan de notaris te overleggen, waaruit blijkt dat hij destijds bevoegd was om het betreffende netwerk in de grond van een ander aan te leggen. Met name bij de oudere netwerken is dit bewijs niet of nauwelijks meer aan te leveren. Voor netwerkbedrijven blijkt dat dit moeilijkheden met zich meebrengt, aangezien de oudere documentatie bijvoorbeeld niet bewaard is gebleven. Ook zijn er gevallen waarbij de grondeigenaar slechts mondeling heeft ingestemd met de aanleg. Wanneer de netwerkeigenaar niet in voldoende mate kan aantonen dat hij de bevoegde aanlegger (en dus eigenaar) van het netwerk is, kan hij het netwerk niet laten registreren en/of overdragen. 

Wetsvoorstel
Het wetsvoorstel (wetsvoorstel 31974) is tot stand gekomen na overleg met de KNB en het Platform Netbeheerders. In de praktijk kan de notaris vaak niet met voldoende zekerheid vaststellen wie de 'bevoegde aanlegger' was van het netwerk en daarmee ook niet wie de eigenaar van het netwerk is. De voorgestelde wetsaanpassingen voorzien in een oplossing in de situaties waarbij een netwerk niet door de eigenaar kan worden overgedragen, omdat de eigenaar niet kan aantonen dat hij de bevoegde aanlegger van het netwerk was. 

 

Het wetsvoorstel houdt het volgende in:
Degene die zich op 1 februari 2007 als eigenaar van een 'net' in de zin van art. 3:17 lid 1 sub k BW gedroeg, is bevoegd de aanleg van het net in de openbare registers te doen inschrijven en dat net als eigenaar te vervreemden en te bezwaren. 

De Memorie van Toelichting vermeldt dat de notaris moet beoordelen of de inschrijver zich als eigenaar gedroeg. In ieder geval gedroegen zich als eigenaar:

a. een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in de zin van de Telecommunicatiewet die bij de OPTA was geregistreerd;
b. een bedrijf genoemd in de Regeling distributiegebieden waterleidingbedrijven ten aanzien van de netwerken gelegen in het distributiegebied waarin het bedrijf volgens deze Regeling zorg droeg voor de drinkwatervoorziening;
c. degene die op grond van de Elektriciteitswet of de Gaswet voor het beheer van het betreffende net een beheerder had aangewezen;
d. degene die het net voor zichzelf exploiteert. Over deze categorie zal de KNB in een later stadium, na overleg met de netwerkbedrijven, nadere informatie aan het notariaat verstrekken.

De inschrijver dient zijn eigendomsrecht in de openbare registers te registeren. Vervolgens dient de inschrijver de inschrijving in de Staatscourant en in een landelijk dagblad te publiceren. Het recht van derden om het recht op het netwerk op te eisen vervalt één jaar na de dag na het verschijnen van de laatste publicatie in de Staatscourant of een landelijk dagblad. Gedurende dit jaar hebben derden de bevoegdheid het netwerk of een recht daarop op te eisen. Indien een derde er van overtuigd is dat hij of zij een beter recht heeft op het netwerk, dient hij binnen de vervaltermijn een dagvaarding (de zogenaamde eigendomsuitwijzing) in de openbare registers in te schrijven. Indien een dergelijke inschrijving niet heeft plaatsgevonden, wordt degene die het netwerk in eerste instantie heeft ingeschreven, na het verstrijken van de vervaltermijn, definitief eigenaar. Eventuele rechten van derden op schadevergoeding blijven, ook na het verstrijken van genoemde termijn, in stand. 

Kritiek en slotopmerkingen
Op het eerste gezicht lijkt het wetsvoorstel eindelijk een oplossing voor de praktijk te zijn. Helaas roept het wetsvoorstel zoals vermeld nog meer vragen en onduidelijkheden op. 

Ten eerste kan een netwerkbedrijf dat pretendeert eigenaar te zijn, zijn eigendomsrecht op een netwerk laten inschrijven en vervolgens de eigendom van dat netwerk direct overdragen. De nieuwe eigenaar onder bijzondere titel wordt vervolgens beschermd tegen derden die pretenderen een beter recht te hebben. Uit het wetsvoorstel blijkt dat de verkrijger onder bijzondere titel tegen derden wordt beschermd, tenzij de derde vóoacute;r de inschrijving van de rechtshandeling en binnen de vervaltermijn van een jaar een dagvaarding (eigendomsuitwijzing) in de openbare registers heeft doen inschrijven of de verkrijger het recht van genoemde derde kende. Een netwerkeigenaar kan hierdoor heel makkelijk de eigendomsoverdracht van een netwerk bewerkstelligen en bovendien de rechten van derden schenden. 

Ten tweede is het niet helemaal duidelijk of het wetsvoorstel ook van toepassing is op een economische eigenaar. Er dient duidelijk te worden vastgesteld of het wetsvoorstel ook voor een economische eigenaar zou kunnen gelden. Volgens de huidige redactie van het wetsvoorstel kan er worden geconcludeerd dat de regeling ook voor een economische eigenaar geldt. Het is duidelijk dat het wetvoorstel niet bestemd is voor netwerkbedrijven die er onder de huidige wetgeving zeker van zijn dat ze geen (juridische) eigenaren zijn. Het wetsvoorstel is juist bedoeld om een oplossing te bieden aan degene die echt menen eigendom te hebben van het netwerk, maar dit helaas niet kunnen aantonen. Bij de behandelingen van het wetsvoorstel in de tweede kamer dient de inhoud van het wetsvoorstel kritisch te worden behandeld en alle mogelijke onduidelijkheden voor de praktijk te worden weggenomen. Alleen dan kan het wetsvoorstel een oplossing voor de praktijk bieden. 

Auteur: Kim Gerôt

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Het meekleuren van de bestemming van verhuurde bedrijfsruimte
Het komt nogal eens voor dat een winkelier of een horecaondernemer een in een aangrenzend perceel gelegen bedrijfsruimte of een aangrenzend stukje grond huurt ten behoeve van zijn onderneming. Te denken valt aan een stukje grond waarop de horecaondernemer een terras realiseert of waarmee hij zijn bestaande terras uitbreidt, aan een tuincentrum dat een aangrenzend stuk grond huurt om de verkoopruimte buiten uit te breiden en/ of parkeerruimte te creëren. 

Ook kan worden gedacht aan de winkelier die in het aangrenzend pand opslagruimte bijhuurt. 

Partijen realiseren zich dan vaak niet welk wettelijk huurregime van toepassing is op hetgeen wordt bijgehuurd. 

Diverse wettelijke regimes alnaargelang aard en bestemming
Met betrekking tot het bijgehuurde stuk grond zou men wellicht verwachten dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de huur van onbebouwde grond van toepassing zijn in welk geval de huurder nauwelijks beschermd wordt. Bij de huur van aangrenzende opslagruimte zoals hierboven bedoeld, zou men verwachten dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de huur van overige bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing zijn waarbij de huurder aanspraak kan maken op ontruimingsbescherming. Daartegenover staat het wettelijk regime van artikel 7:290 BW dat van toepassing is als gehuurd wordt met de bestemming - kort gezegd - detailhandel, horeca of ambacht. Huurders van zogenaamde 7:290 bedrijfsruimte (hierna: winkelruimte) worden het sterkst beschermd door de wetgever met bepalingen over ondermeer termijnbescherming, opzeggingsbescherming en indeplaatsstelling waarvan contractueel niet rechtsgeldig ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. 

Het fietsenstallingarrest van 1983
In 1983 heeft de Hoge Raad in het fietsenstallingarrest beslist dat op de huur van de door een winkelier bijgehuurde ruimte de (voorgangers van de) artikelen 7:290 BW van toepassing kunnen zijn hoewel de bijgehuurde ruimte zelf niet als winkel- bedrijfsruimte kwalificeert. 

"Kunnen" wordt door de Hoge Raad als volgt toegelicht: "Daartoe is in een geval als het onderhavige nodig dat de huurovereenkomst insluit dat de verhuurder ermee ingestemd heeft dat de verhuurde ruimte wordt bestemd om tezamen met de andere door de huurder gebezigde ruimten als bedrijfsruimte te worden gebruikt. Een zodanige instemming kan eventueel worden afgeleid uit het feit dat de aard van de verhuurde ruimte meebrengt dat zij niet dan als een onderdeel van de gehele door de huurder geëxploiteerde bedrijfsruimte kan worden gezien". 

Als de door een winkelier bijgehuurde opslagruimte aan de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf voldoet, brengt dat derhalve met zich mee dat op de huurovereenkomst met betrekking tot de bijgehuurde opslagruimte het wettelijk regime voor winkelruimte (met alle bescherming als hierboven aangegeven) van toepassing is in plaats van het wettelijk regime voor overige bedrijfsruimte met enkel aanspraak op ontruimingsbescherming voor de huurder. 

Meekleuren
Dat wordt wel het meekleuren van de bestemming van de bedrijfsruimte genoemd: doordat de bijgehuurde opslagruimte door de huurder wordt gebruikt ten behoeve en in het kader van zijn aangrenzende onder artikel 7:290 BW vallende winkelruimte, kleurt het huurregime mee naar het wettelijk regime dat op de winkelruimte van toepassing is met als gevolg dat de huurder alle bescherming heeft die bij dat regime hoort met betrekking tot onder meer duur en opzegging. 

Door toepassing van wat wel de connexiteitsleer wordt genoemd, geldt dan voor beide huurovereenkomsten hetzelfde wettelijk regime.

In de uitspraak van de Hoge Raad en in diverse latere uitspraken van lagere rechters in dezelfde lijn ging het steeds over een huurder van winkelruimte die in een aparte overeenkomst van een andere verhuurder aangrenzend een stuk grond of bijvoorbeeld een opslagruimte erbij huurde. 

Winkelier is pandeigenaar en huurt iets bij
Recent zijn twee tegenstrijdige uitspraken gedaan met betrekking tot situaties waarin de huurder van de bijgehuurde ruimte niet ook zijn winkel huurde, maar het winkelpand in eigendom had. De kantonrechter in Alphen aan den Rijn oordeelde op 28 april 2009 dat dat geen verschil maakt waarbij hij erop wijst dat uit het fietsenstallingarrest niet blijkt dat de winkel ook gehuurd moet worden. De kantonrechter vindt dat een onderscheid in bescherming van de huurder van de bijgehuurde ruimte alnaargelang die huurder eigenaar is van het winkelpand of huurder van het winkelpand, niet te rechtvaardigen is. Op de huurovereenkomst met betrekking tot de door de winkelier / pandeigenaar bijgehuurde opslagruimte is het wettelijk regime voor winkelruimte van toepassing volgens de kantonrechter en niet het normaliter bij huur van opslagruimte toepasselijke artikel 7:230a BW. 

Anders: Gerechtshof Den Haag 7 april 2009
Het gerechtshof in Den Haag heeft op 7 april 2009 in een andere zaak in hoger beroep beslist dat het in eigendom aan de huurder van de bijgehuurde opslagruimte behorende winkelpand niet is aan te merken als of gelijk te stellen met een verhuurde bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW en dat de bijgehuurde opslagruimte aldus ook niet is aan te merken als een onroerende aanhorigheid in de zin van artikel 7:290 BW. Het beroep van de huurder op het fietsenstallingarrest werd door het Hof verworpen waarbij ten overvloede nog door het Hof werd overwogen dat het standpunt van de huurder (inhoudend dat het fietsenstallingarrest ook geldt voor de situatie waarin de huurder van de bijgehuurde opslagruimte eigenaar is van het winkelpand waarin hij zijn winkel exploiteert ten behoeve waarvan de opslagruimte wordt bijgehuurd) voor de praktijk te ver strekkende, want doorgaans door partijen onbedoelde rechtsgevolgen met zich zou brengen en dat een dergelijke benadering het in de wet gehanteerde onderscheid tussen winkelruimte en overige bedrijfsruimte grotendeels zou doen vervagen. Volgens het Hof was dus het wettelijk regime voor overige bedrijfsruimte van toepassing op de huur van de bijgehuurde opslagruimte. 

Dit oordeel van het Hof lijkt voor discussie vatbaar. Er is echter geen cassatie tegen het arrest van het Hof ingesteld bij de Hoge Raad. De door de twee tegenstrijdige uitspraken ontstane onzekerheid zal dus nog wel even blijven bestaan. 

Conclusie
Los daarvan blijft staan dat verhuurder (met betrekking tot de juridische gevolgen) en huurder (met betrekking tot zijn rechten) zich goed dienen te realiseren welk wettelijk huurregime van toepassing is indien een winkelier, een horecaondernemer of een ambachtsman een aangrenzend stuk grond of een aangrenzende bedrijfsruimte huurt ten einde deze dienstbaar te maken aan zijn winkel, horecabedrijf of ambachtsbedrijf. 

Auteur: Nico Broers

Inhoudsopgave