Real Estate - september 2008

Dit is een uitgave van de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Real Estate van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de drie maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de real estatesector

In deze nieuwsbrief: 

  • Slim geïntegreerd investeren in zorgvastgoed
    Zorgaanbieders moeten onder huidige omstandigheden van onzekerheid en marktwerking slim investeren. Kostenefficiëntie, optimale prijs-kwaliteitverhouding, risicomanagement zijn nu doorslaggevend om de patiënt te behouden of te winnen. Geïntegreerde contracten bieden zorgaanbieders een sterk instrument voor hun vastgoedinvestering, dat tegelijkertijd aantrekkelijk is voor financiers.
    >> lees verder

  • Verhuurder wijzigt feitelijk kader huuropzegging naderhand
    Voor de zogenaamde 290-bedrijfsruimte oftewel middenstandsbedrijfsruimte geldt de regel dat de verhuurder zijn beëindigingsvordering moet baseren op de gronden die hij al in zijn opzeggingsbrief heeft vermeld. De verhuurder kan deze opzeggingsgronden niet meer aanvullen of wijzigen. De achtergrond van deze regel is simpel: de huurder moet zich op basis van de in de opzegging vermelde gronden een oordeel kunnen vormen over zijn kansen in een eventuele procedure en baseert zijn verweer op die gronden. Uit een arrest van 13 juni 2008 van de Hoge Raad blijkt dat deze regel ruim moet worden uitgelegd.
    >> lees verder

  • Onteigening voor een gemeentelijke weg: via welke weg?
    In bestemmingsplannen worden door gemeenten vaak aan te leggen wegen opgenomen. Indien de voor deze wegen benodigde gronden niet op minnelijke wijze worden verkregen, dan kan de gemeente tot onteigening overgaan. Hiervoor benodigt de gemeente de goedkeuring van de Kroon. Deze goedkeuring geschiedt door middel van een Koninklijk Besluit, welk besluit geldt als titel op basis waarvan de gerechtelijke onteigeningsprocedure ter verkrijging van de eigendom (en tot vaststelling van de aan de onteigende toekomende schadeloosstelling) gestart kan worden.
    >> lees verder

  • Wel of geen inschrijfplicht voor Vereniging van Eigenaren?
    Het Handelsregisterwet is per 1 juli 2008 gewijzigd. Het handelsregister is vanaf deze datum het basisregister van ondernemingen en rechtspersonen in Nederland geworden. Een van de gevolgen hiervan is dat alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland moeten worden ingeschreven, waar onder begrepen beroepsbeoefenaren, boeren, publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen, openbare maatschappen en verenigingen van eigenaren.
    Bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten dient een vereniging van eigenaren te worden opgericht. De verenigingen van eigenaren die voor 1 juli 2008 zijn opgericht, dienen bij de Kamer van Koophandel te worden ingeschreven.
    >> lees verder

  • Vastgoedfondsen
    De heffing van overdrachtsbelasting en het wetsvoorstel personenvennootschappen.
    >> lees verder

............................................................................................................................................................................

Slim geïntegreerd investeren in zorgvastgoed
Zorgaanbieders moeten onder huidige omstandigheden van onzekerheid en marktwerking slim investeren. Kostenefficiëntie, optimale prijs-kwaliteitverhouding, risicomanagement zijn nu doorslaggevend om de patiënt te behouden of te winnen. Geïntegreerde contracten bieden zorgaanbieders een sterk instrument voor hun vastgoedinvestering, dat tegelijkertijd aantrekkelijk is voor financiers.

Natuurlijk, de zorgaanbieder krijgt met 'sale and leaseback' een oplossing voor een bepaald probleem. Niettemin verliest hij controle: hij wordt huurder van zijn eigen vastgoed. De nieuwe eigenaar wordt niet geprikkeld om met hem mee te denken. Geïntegreerde contracten, zoals DBFMO-contracten (Design, Build, Finance, Maintain, Operate), werken heel anders. Uitgangspunt is: het in één keer contracteren van ontwerp, bouw, onderhoud en - indien en voor zover gewenst - dienstverlening met één opdrachtnemer tegen één periodieke en prestatiegebonden beschikbaarheidvergoeding.

Dit levert de opdrachtgever sterke voordelen op. Allereerst: één contract, één contractpartner, die - tevens - geprikkeld is zijn kennis te koppelen aan de deskundigheid van de opdrachtgever. Bovendien een contract, gericht op output en kwaliteit die de opdrachtgever zich wenst en nodig acht voor zijn patiënten. Zo'n contract zet aan tot optimale investeringsbeslissingen aangaande - bijvoorbeeld - ontwerp (hoger logistiek rendement) of duurzaamheid (warmte- en koudeopslag).

De opdrachtnemer regelt de financiering van de investering. De opdrachtgever krijgt financiering onder gunstige voorwaarden én betaalt via de periodieke beschikbaarheidvergoeding. Dat is enigszins vergelijkbaar met huur, maar nu prestatiegebonden. De eigendom kan liggen bij opdrachtgever of opdrachtnemer.

Dit alles geeft de zorgaanbieder initiatief, controle en een omgeving die gericht is op optimalisatie. De 'bouwen tot en met exploiteren-overeenkomst' sluit daarmee aan op de marktomstandigheden waaronder zorgaanbieders moeten opereren. Ook voor de financier biedt zo'n overeenkomst voordelen. Deze projecten bieden een hoger rendement dan bijvoorbeeld sale and leaseback. En ze zijn, zeker na realisatie, interessant voor de institutionele belegger.

Drie barrières staan het gebruik van zo'n integraalconcept in de zorgsector in de weg: de niet-beschikbaarheid van de btw-vrijstelling, per ziektegeval één prijs voor de totale zorg - dbc-vergoedingenstructuur - én de hogere zekerheden die financiers eisen. Om deze barrières te slechten hebben zorgaanbieders de bereidheid nodig van rijksoverheid, financiers en mogelijk ook zorgverzekeraars.

Er zijn goede investeringsinstrumenten beschikbaar. Integreren van ontwerp, bouw, financiering, onderhoud en dienstverlening in één overeenkomst is daar één van, volgens ons één van de meest geschikte. Contracteer slim, koppel prestatie aan financiering en zet de zorgaanbieder centraal. Dus slecht die barrières.

Auteur: Marc Wintgens en Fulco Simon

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Verhuurder wijzigt feitelijk kader huuropzegging naderhand
Voor de zogenaamde 290-bedrijfsruimte oftewel middenstandsbedrijfsruimte geldt de regel dat de verhuurder zijn beëindigingsvordering moet baseren op de gronden die hij al in zijn opzeggingsbrief heeft vermeld. De verhuurder kan deze opzeggingsgronden niet meer aanvullen of wijzigen. De achtergrond van deze regel is simpel: de huurder moet zich op basis van de in de opzegging vermelde gronden een oordeel kunnen vormen over zijn kansen in een eventuele procedure en baseert zijn verweer op die gronden. Uit een arrest van 13 juni 2008 van de Hoge Raad blijkt dat deze regel ruim moet worden uitgelegd.

In het huurrecht wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de zogenaamde 290-bedrijfsruimte (winkelruimte, restaurants et cetera) en anderzijds de zogenaamde 230a-bedrijfsruimte (kantoren, scholen, ziekenhuizen, et cetera). Dit onderscheid is van belang, omdat voor beide categorieën bedrijfsruimte geheel andere wettelijke regels gelden. Grofweg gesteld heeft de huurder van 230a-bedrijfsruimte geen wettelijke huurbescherming. Bij de huur van een 290-bedrijfsruimte is dat geheel anders, daarbij kan de huurder namelijk wel aanspraak maken op huurbescherming. Eén aspect van deze huurbescherming is dat de wet voorschrijft dat de verhuurder bij zijn opzegging daarvoor een opzeggingsgrond moet aanvoeren. Dit mag alleen één (of verschillende) van de gronden zijn die de wet met zo veel woorden vermeldt.

Zegt de verhuurder op en gaat de huurder daarmee niet akkoord, dan moet de verhuurder een vordering bij de rechtbank indienen om tot beëindiging van de huurovereenkomst te komen. In de huurbeëindigingsprocedure is men vervolgens gebonden aan de gronden die in de opzegging zijn vermeld (artikel 7:295 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). De achtergrond van deze regel is dat de huurder voldoende voorlichting moet krijgen om te beoordelen of hij kans heeft in een eventuele gerechtelijke procedure, dan wel of hij beter kan aansturen op een minnelijke beëindiging.

Op 13 juni 2008 heeft de Hoge Raad deze regel genuanceerd door een aantal omstandigheden te noemen die hierbij in aanmerking moeten worden genomen. Wat was het geval? Een verhuurder verhuurde aan een huurder met ingang van 1 april 1994 een bedrijfspand bestaande uit een benedenverdieping en twee daarboven gelegen verdiepingen. In het pand had verhuurder op de benedenverdieping voordien zelf een Chinees-Indisch restaurant gedreven, die de huurder bij het aangaan van de huur had overgenomen. De huurovereenkomst was aangegaan voor de duur van vijf jaar, met verlenging van de periode met weer vijf jaar, tot 1 april 2004. Verhuurder zegde de huur tijdig op, tegen 1 april 2004 op grond van de wettelijke opzeggingsgrond 'dringend eigen gebruik' (artikel 7:296 lid 1, aanhef en onder b). Deze opzeggingsgrond komt erop neer dat de rechter de beëindigingsvordering van de verhuurder moet toewijzen als de verhuurder aannemelijk maakt dat hijzelf of iemand anders die in nauwe relatie tot hem staat het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft.

In zijn opzeggingsbrief gaf de verhuurder aan dat hij het pand zelf nodig had, met het oog op gebruik van het gehuurde als exclusief Chinees specialiteitenrestaurant door zijn echtgenote, voor de ontvangst van zakelijke relaties van de door de verhuurder opgerichte importmaatschappij. Huurder stemde niet in met de beëindiging van de huur. De kantonrechter wees in eerste aanleg de beëindigingsvordering van de verhuurder af. Hij overwoog daartoe dat de huuropzegging weliswaar geldig was en dat verhuurder ook voldoende had aangetoond dat het hem en zijn echtgenote ernst was met het voornemen om in het gehuurde een restaurant te exploiteren en dat dit voornemen voor wat betreft overheidsvoorschriften en financiële middelen ook uitvoerbaar was, maar dat onvoldoende was gebleken van een dringende noodzaak tot het gebruik van het gehuurde.

In het door verhuurder ingestelde hoger beroep wijzigde de verhuurder vervolgens zijn grondslag voor de dringende noodzaak van het persoonlijke gebruik. Hij had uitgebreid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van het opzetten van een importmaatschappij voor import van goederen uit China. Dit had niet geresulteerd in concrete orders. Ook was de verhuurder inmiddels gebrouilleerd geraakt met zijn toekomstige handelspartner. Op grond van deze ontwikkeling was bij de verhuurder de noodzaak ontstaan zelf een restaurant te gaan exploiteren. Daarnaast had de verhuurder aanzienlijke belastingaanslagen ontvangen, waarvoor hij met de fiscus een regeling had moeten treffen. Dit alles legde de verhuurder in hoger beroep ten grondslag aan de door hem gestelde dringende noodzaak tot eigen gebruik. Naar aanleiding van dit (gewijzigde) feitenkader vernietigde het Hof het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat de huurovereenkomst zou eindigen op 1 juni 2007.
De huurder tekende cassatieberoep aan tegen het arrest van het Hof met als reden dat de verhuurder niet de grondslag van zijn opzegging in hoger beroep had mogen wijzigen. De Hoge Raad maakt hier korte metten mee. Overwogen wordt dat het Hof er terecht vanuit is gegaan dat de feiten en omstandigheden die door de verhuurder in hoger beroep zijn aangevoerd géén nieuwe grond voor opzegging zijn, maar dat slechts sprake is van een gewijzigde feitelijke grondslag voor de voor de opzegging opgegeven, en ook in hoger beroep gehandhaafde, opzeggingsgrond 'dringende eigen gebruik'.

Kortom: als de omstandigheden na de opzegging veranderen, mag de verhuurder de argumentatie die ten grondslag ligt aan de bij de opzegging aangevoerde opzeggingsgrond in de loop van de beëindigingsprocedure nader onderbouwen en zelfs wijzigen. Daar waar nieuwe feiten worden aangevoerd die niet tot de aanvankelijk gegeven opzeggingsgrond zijn te rekenen of daartoe (kunnen) bijdragen, ligt klaarblijkelijk de grens. De vraag blijft echter, hoe dit arrest zich verhoudt tot de achtergrond van de wettelijke regel dat de huurder aan de hand van de in de opzegging vermelde gronden moet kunnen bepalen of hij het op een procedure laat aankomen. Ten overvloede: de tijdswinst die huurder heeft behaald door het voeren van verweer is wel aanzienlijk. De huur was opgezegd tegen 1 april 2004 en de Hoge Raad heeft uiteindelijk het tijdstip van beëindiging en de ontruimingsdatum bepaald op 1 november 2008, ruim vierenhalf jaar later dus.

Auteur: Myrthe van den Heuvel

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Onteigening voor een gemeentelijke weg: via welke weg?
In bestemmingsplannen worden door gemeenten vaak aan te leggen wegen opgenomen. Indien de voor deze wegen benodigde gronden niet op minnelijke wijze worden verkregen, dan kan de gemeente tot onteigening overgaan. Hiervoor benodigt de gemeente de goedkeuring van de Kroon. Deze goedkeuring geschiedt door middel van een Koninklijk Besluit, welk besluit geldt als titel op basis waarvan de gerechtelijke onteigeningsprocedure ter verkrijging van de eigendom (en tot vaststelling van de aan de onteigende toekomende schadeloosstelling) gestart kan worden.

De onteigening ten behoeve van een bestemmingsplan geschiedt op grond van Titel IV van de Onteigeningswet. De gemeenteraad besluit eerst tot onteigening, welk besluit vervolgens ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Kroon. Aan de goedkeuring wordt in de regel een 'dubbel voorbehoud' verbonden: het raadbesluit vervalt voor zover het strekt tot uitvoering van (een deel van) een bestemmingsplan waaraan onherroepelijk goedkeuring onthouden is, en de dagvaarding ter onteigening mag niet worden uitgebracht voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is. Indien de gemeenteraad de bestemmingsplanprocedure en de administratieve onteigeningsprocedure op nagenoeg hetzelfde tijdstip opstart, gaat er aldus geruime tijd overheen voordat de gemeente de gerechtelijke onteigeningsprocedure kan starten.

Om tijdwinst te boeken kiezen gemeente dan ook vaak voor de weg van Titel IIa van de Onteigeningswet, op basis waarvan de onteigening van (onder meer) wegen geschiedt. Indien voor de aanleg van de weg, vooruitlopend op het bestemmingsplan, een vrijstelling van het bestemmingsplan wordt verleend, kan met de aanleg van de weg reeds een aanvang worden gemaakt, vóórdat het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Deze mogelijkheid is onlangs beperkt. Naar aanleiding van een advies van de Raad van State heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat namelijk twee administratieve onteigeningsprocedures - inzake Voorschoten en Nijkerk - stopgezet. In deze procedures werd op grond van Titel IIa van de Onteigeningswet verzocht de onteigening ten behoeve van een gemeentelijke weg goed te keuren. De Raad van State adviseerde geen medewerking te verlenen aan deze onteigening. Indien ten behoeve van een gemeentelijke weg onteigend wordt, moet Titel IV (en niet Titel IIa) gevolgd worden, aldus de Raad van State. Deze hoofdregel leidt slechts uitzondering, indien de aanleg van een weg zó urgent is, dat de totstandkoming en het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan niet kunnen worden afgewacht en er een vrijstelling verleend wordt. Indien het bestemmingsplan op het moment dat het onteigeningsbesluit krachtens Titel IIa moet worden genomen, al onherroepelijk is geworden (zoals in de kwestie Nijkerk het geval was), bestaat er evenmin reden om af te wijken van de hoofdregel en zal goedkeuring aan de onteigening moeten worden onthouden, aldus nog steeds de Raad van State. Hetzelfde geldt volgens de Raad van State indien ten tijde van het nemen van het onteigeningsbesluit ex Titel IIa blijkt dat de procedure tot het verlenen van vrijstelling ten behoeve van de aanleg van de weg nog niet is opgestart (zoals in de kwestie Voorschoten aan de orde was).

Opmerkelijk is de overweging van de Raad van State (in de kwestie Voorschoten) dat óók bij toepassing van Titel IIa met dagvaarding moet worden gewacht, totdat het onderliggende  planologische besluit onherroepelijk is geworden. Als het aan de Raad van State ligt, dient in het besluit tot onteigening op grond van Titel IIa - evenals bij Titel IV - dus de voorwaarde te worden opgenomen, dat met dagvaarding moet worden gewacht totdat de planologische grondslag onherroepelijk is geworden. Dit standpunt wijkt af van de geldende praktijk.

Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli jl. is art. 19 WRO komen te vervallen en vervangen door het projectbesluit. Met de inwerkingtreding van de Wro is ook de Onteigeningswet gewijzigd, als gevolg waarvan het thans mogelijk is om over de band van Titel IV, op grond van een projectbesluit tot onteigening over te gaan. Het lijkt er, mede in het licht van het geschetste advies van de Raad van State, op dat een gemeente onder de (nieuwe) Wro voor een onteigening van een gemeentelijke weg in beginsel de weg van Titel IV zal moeten bewandelen. In dit verband is artikel 3.36b Wro ten slotte van belang. Dit artikel bepaalt dat de dagvaarding tot onteigening kan worden uitgebracht nadat het projectbesluit is vastgesteld - en dus vóórdat dit besluit onherroepelijk is geworden, tenzij er beroep is ingesteld met betrekking tot de in het besluit begrepen grond waarop de dagvaarding betrekking heeft.

Auteur: Willem Bosma en Joost Hoekstra 

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Wel of geen inschrijfplicht voor Vereniging van Eigenaren?
Het Handelsregisterwet is per 1 juli 2008 gewijzigd. Het handelsregister is vanaf deze datum het basisregister van ondernemingen en rechtspersonen in Nederland geworden. Een van de gevolgen hiervan is dat alle ondernemingen en rechtspersonen in Nederland moeten worden ingeschreven, waar onder begrepen beroepsbeoefenaren, boeren, publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen, openbare maatschappen en verenigingen van eigenaren.
Bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten dient een vereniging van eigenaren te worden opgericht. De verenigingen van eigenaren die voor 1 juli 2008 zijn opgericht, dienen bij de Kamer van Koophandel te worden ingeschreven.

Wanneer moet de vereniging van eigenaren zich inschrijven?
De verenigingen van eigenaren die nog niet zijn ingeschreven, ontvangen in maart 2009, een brief en een formulier van de Kamer van Koophandel. Het bestuur van de vereniging van eigenaren moet de gegevens aanvullen en dient het formulier met een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de desbetreffende bestuurders terug te sturen naar de Kamer van Koophandel. De verenigingen van eigenaren die niet willen wachten met het inschrijven in het Handelsregister totdat ze door de Kamer van Koophandel worden benaderd, kunnen zich sinds 1 juli 2008 inschrijven bij één van de kantoren van de Kamer van Koophandel. Indien een vereniging van eigenaren na 1 juli 2008 is opgericht, geldt deze inschrijftermijn niet. De vereniging van eigenaren is per 1 juli 2008 direct inschrijfplichtig.

Wat moet de vereniging van eigenaren inschrijven?
Naast de vereniging van eigenaren zelf (naam, adres, oprichtingsdatum van de vereniging artikel 12 Handelsregisterwet 2007) dient tevens het bestuur van de vereniging van eigenaren te worden ingeschreven. De bestuurder is verplicht de gegevens genoemd in artikel 30 Handelsregisterbesluit in te schrijven (zie artikel 18 lid 1 Handelsregisterwet, artikel 6 Handelsregisterbesluit). Het gaat hier om de persoonlijke gegevens van iedere bestuurder en de datum waarop hij in functie is getreden, en de inhoud van zijn bevoegdheid om de vereniging te vertegenwoordigen. Er dient een authentiek afschrift van de akte van splitsing en eventueel het reglement van de vereniging van eigenaren te worden opgenomen in het Handelsregister. Indien er wijzigingen zijn in het bestuur of in de statuten dient de vereniging van eigenaren dit aan de Kamer van Koophandel door te geven. De vereniging van eigenaren hoeft geen jaarrekeningen bij de Kamer van Koophandel in te leveren.

Wat gebeurt er als de vereniging van eigenaren zich niet inschrijft?
De vereniging van eigenaren is bij wet (artikel 6 Handelsregisterwet 2007 en het Handelsregisterbesluit 2008) verplicht om zich bij de Kamer van Koophandel in te schrijven. Met de inschrijving wordt het bijvoorbeeld makkelijker om een bankrekening op naam van de vereniging van eigenaren te openen of een contract met een schildersbedrijf te sluiten.
De Vereniging van Eigenaren is een rechtspersoon (artikel 2:2 BW jo 5:124 BW). Het niet opgeven van (gewijzigde) registratiegegevens met betrekking tot de rechtspersoon blijft gesanctioneerd onder de Wet op de Economische Delicten ('WED'). Dit volgt uit artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007 welke als volgt luidt: "Het is verboden te handelen in strijd met dan wel niet te voldoen aan een bij of krachtens deze wet gestelde verplichting tot het doen van een opgave ter inschrijving in het handelsregister."
Ingevolge artikel 1 sub 4 WED wordt een overtreding van artikel 47 Handelsregisterwet 2007 aangemerkt als een economisch delict. Dit is een overtreding welke gestraft kan worden met een hechtenis van ten hoogste zes maanden, een taakstraf of geldboete van de vierde categorie (artikel 6 lid 1 sub 4 WED).

Welke kosten zijn verbonden aan de inschrijving?
Voor de inschrijving in het Handelsregister moet de vereniging van eigenaren een jaarlijkse bijdrage betalen. De heffing is door het Ministerie van Economische Zaken vastgesteld. Een Vereniging van eigenaren gaat hetzelfde betalen als een 'gewone' vereniging, namelijk EUR 27,00 (prijspeil 2008).


Auteur: Kimmy Gerôt

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Vastgoedfondsen
De heffing van overdrachtsbelasting en het wetsvoorstel personenvennootschappen.

De nieuwe 'vennootschappen'
De verwachte datum van invoering van het wetsvoorstel titel 7.13 BW is januari 2009. De huidige benamingen van de personenvennootschappen zullen bij de invoering van het wetsvoorstel wijzigen in: 'openbare vennootschap' (OV), commanditaire vennootschap (CV) en 'niet-openbare vennootschap'. Onder een openbare vennootschap valt een vennootschap die onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreedt, zoals de huidige vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap en de openbare maatschap. Personenvennootschappen die niet als een 'openbare vennootschap' gekwalificeerd kunnen worden, zijn automatisch 'niet-openbare vennootschappen'. Daarnaast kan slechts een openbare vennootschap opteren voor rechtspersoonlijkheid, mits in de vennootschapsovereenkomst is opgenomen dat zij een vennootschap is, de gewijzigde overeenkomst wordt verleden voor een in Nederland gevestigde notaris én alle gemeenschapsgoederen door middel van het verlijden van een akte worden ingebracht.

Fiscale gevolgen en de samenloop van de artikelen 2 en 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR)
Een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR) of een commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid (CVR) is zelfstandig eigenaar van haar gemeenschapsgoederen in tegenstelling tot een OV, waar alle vennoten gezamenlijk eigenaar zijn van de gemeenschapgoederen. In tegenstelling tot de huidige wetgeving op grond waarvan verkregen participaties in een beleggingsfonds niet belastbaar zijn voor de overdrachtsbelasting tenzij een belang van één derde of meer in het fonds werd verkregen, zal de verkrijging van een aandeel in de economische danwel juridische eigendom van een onroerend goed door een OV altijd belast worden op basis van art. 2 lid 1, ofwel lid 2 WBR.
Doordat art. 4 WBR slechts ziet op een verkrijging van een aandeel in een rechtspersoon en de verkrijging van een economische deelgerechtigdheid als vennoot in een OVR, wordt een samenloop tussen art. 2 en art. 4 WBR voorkomen.
Het nieuwe art. 2 lid 3 WBR, bepaalt dat het tweede lid niet van toepassing is indien sprake is van een verkrijging van rechten van deelneming in een beleggingsfonds waarvan de rechten vrij verhandelbaar zijn, tenzij de verkrijger, al dan niet samen met een verbonden lichaam of een verbonden persoon een belang van 5% of meer verkrijgt of uitbreidt. Dit heeft als gevolg dat een klein belang van minder dan 5% in grotere beleggingsfondsen, waarvan de rechten vrij verhandelbaar zijn, niet belast wordt.

Inbrengvrijstelling
Na invoering van het wetsvoorstel kan tevens een beroep gedaan worden op de inbrengvrijstelling voor een verkrijging krachtens inbreng door een OV of een OVR op grond van artikel 15 lid 1 sub e ten eerste, ofwel ten tweede WBR. Om aan dit artikel te voldoen, zal sprake moeten zijn van inbreng van een onderneming. Dit heeft als gevolg dat bij inbreng van een onroerende zaak in een vastgoedfonds, de inbrengvrijstelling niet van toepassing zal zijn.

Omzetting van een OV naar een OVR na invoering van het wetsvoorstel
Alleen een OVR kan een vastgoedlichaam zijn. Indien een vastgoedfonds is opgezet als personenvennootschap en na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt geopteerd voor rechtspersoonlijkheid, dan zal dit aangemerkt worden als een belaste levering aan deze nieuwe rechtspersoon. In tegenstelling tot nieuw op te richten beleggingsmaatschappijen die meteen bij oprichting opteren voor rechtspersoonlijkheid, zal een bestaande personenvennootschap door omzetting in een OVR, opnieuw aan overdrachtsbelasting onderhevig zijn. De wetgever heeft deze dubbele heffing willen voorkomen, door een overgangsregeling op te nemen in art. 56 WBR. Op basis van dit artikel is er géén overdrachtsbelasting verschuldigd indien wordt voldaan aan de volgende vereisten: 1) het een beleggingsfonds is in de zin van art 1:1 Wft; 2) dit beleggingsfonds al bestaat bij de invoering van het Wetsvoorstel 31065, en 3) het beleggingsfonds binnen één jaar na inwerkingtreden van de wet, rechtspersoonlijkheid verkrijgt met toepassing van art.7:832 BW. Dit heeft als gevolg dat de verkrijging van de goederen die tot de gemeenschap van de vennootschap behoren, is vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Auteur: Marlieke de Rooij

Inhoudsopgave