Real Estate - juni 2009

Dit is een uitgave van de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Real Estate van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de drie maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de real estatesector.

In deze nieuwsbrief:

  • Duurzaamheid in vastgoed vraagt om lef
    In het verleden zagen we dat elke crisis een slinger gaf aan het milieubewustzijn: de oliecrisis in 1973 leidde tot een energiebesparinggolf en de vuile grondaffaires ten tijde van de instortende huizenmarkt in het begin van de jaren '80 leidde tot een tweede groene golf. Of de huidige crisis op de financiële markt een stimulans is voor duurzaamheid in vastgoed is (nog) niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat duurzaamheid momenteel volop in de belangstelling staat.
    » lees verder

  • Kent u uw risico's?
    Het beheersen van risico's is van alle tijden, echter juist in de huidige tijd dient u aandacht te hebben voor risicobeheersing. Kent u de risico's waaraan uw onderneming is blootgesteld?
    » lees verder

  • Retentierecht; een belangrijk machtsmiddel
    Als gevolg van de huidige economische situatie neemt de behoefte aan zekerheid toe. Een doeltreffend middel in de bouw is het retentierecht van een aannemer. Door middel van het uitoefenen van het retentierecht kan de aannemer betaling van de opdrachtgever afdwingen.
    » lees verder

  • Geldverstrekking door gemeenten of provincies en de Wet Fido
    In deze - moeilijke - economische tijden wordt er door (bouw)bedrijven steeds vaker een beroep gedaan op de lokale overheid (gemeente, provincie) om financiële steun te verkrijgen. Indien de overheid bereid is om deze steun in de vorm van een geldlening te verstekken, levert dat verschillende juridische vragen op.
    » lees verder

  • Nederlands architectenbureau in België
    Dat de kredietcrisis de bouwsector niet gespaard is gebleven, biedt het verder kijken over de grens eventuele commerciële mogelijkheden voor Nederlandse ondernemers in het buitenland. Een Nederlands architectenbureau kan in België werkzaamheden verrichten door middel van vrije dienstverrichting of vestiging.
    » lees verder

...........................................................................................................................................................................

Duurzaamheid in vastgoed vraagt om lef
In het verleden zagen we dat elke crisis een slinger gaf aan het milieubewustzijn: de oliecrisis in 1973 leidde tot een energiebesparinggolf en de vuile grondaffaires ten tijde van de instortende huizenmarkt in het begin van de jaren '80 leidde tot een tweede groene golf. Of de huidige crisis op de financiële markt een stimulans is voor duurzaamheid in vastgoed is (nog) niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat duurzaamheid momenteel volop in de belangstelling staat. 

Dit jaar zal tijdens de Provada ('Green Forum') uitgebreid aandacht aan duurzame vastgoedontwikkelingen worden besteed. Op het eerste gezicht lijkt de combinatie van duurzaamheid en vastgoed onverenigbaar. Uit verschillende onderzoeken, blijkt echter dat vastgoed (waaronder gebouwen) verantwoordelijk zijn voor naar schatting 40% van onze consumptie van energie en grondstoffen. Het verduurzamen van vastgoed is geen luxe, maar een noodzaak. Door steeds meer duurzame bouwtechnieken en materialen te gebruiken en door innoverende, betaalbare technieken voor energieopwekking, klimaatbeheersing en waterzuivering toe te passen die CO2-neutraal zijn, kan vastgoed ook duurzaam zijn. 

Duurzaam vastgoed is vastgoed dat voor de langere termijn een lagere belasting voor het milieu is, middels verantwoord materieel gebruik, verbetering van binnenklimaat en optimalisatie van de levensduur van gebouwdelen en installaties. 

Wanneer is een gebouw duurzaam?
Bij het bepalen of een gebouw duurzaam is, zijn twee stappen te onderscheiden. Bij de eerste stap wordt beoordeeld of een gebouw duurzaam is gebouwd en bij de tweede stap wordt beoordeeld of een gebouw duurzaam wordt beheerd. De duurzaamheid van een gebouw kan op verschillende manieren worden vastgesteld. De belangrijkste meetmethodes zijn:

1. Greencalc;
2. Groenverklaring;
3. EPC of Energie Index en Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen;
4. GPR Gebouw;
5. Wet milieubeheer plus compensatie door duurzaam beheer

Welke van de hierboven vermelde methodes wordt gebruikt, hangt af van de aard van het gebouw. Voldoet een gebouw aan de voorwaarden zoals beschreven in één van deze vijf methodes, dan is het duurzaam gebouwd. De meest gebruikte methode is de groenverklaring. De groenverklaring kan onder andere door SenterNovem of het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) worden afgegeven. De beoordeling van duurzaam beheer ligt wat eenvoudiger. Een gebouw dient goed te worden onderhouden. Het duurzaam beheren van een gebouw houdt onder andere in het betrekken van groene stroom, het regelmatig reinigen van installatie (zoals de koeling) en het repareren van dakbedekking. Een gebouw dient punten te scoren die zowel bij de bouw als het beheer te verdienen zijn om aan het criterium van duurzaam te kunnen voldoen. 

De voordelen van duurzaam bouwen
Het is een feit dat huurders steeds bewuster kiezen voor bepaalde locaties en gebouwen waarin zuinig kan worden omgegaan met energie en waarin de omgeving zo min mogelijk wordt belast. Uit het onderzoeksrapport van Eichholtz, Kok & Quigley blijkt dat er per saldo met duurzame gebouwen 2% hogere huuropbrengsten en lagere energiekosten kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast vormt Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen steeds vaker een kernonderdeel van bedrijfsbeleid. Het belangrijkste motief voor duurzaam vastgoed is echter de groenlening. Ontwikkelaars die duurzaam bouwen, komen in een aanmerking voor een lening, waarbij een rentekorting van toepassing is. Daarnaast kan de ontwikkelaar twee jaar voor de start van de bouw aanspraak maken op de groenlening dan wel een groenfinanciering. Niet alleen de ontwikkelaar geniet van een voordeel, maar ook de belegger. Het voordeel voor de belegger is dat zij èn het milieu ondersteunt èn ook nog een aantrekkelijk rendement (onder andere rentekorting van de groenlening en overheidssubsidies) maakt. 

Groenfinanciering
De meerwaarde van duurzaam vastgoed ten opzichte van traditioneel vastgoed wordt steeds duidelijker. De vraag is echter of een dergelijke duurzame vastgoedontwikkeling te financieren is. Het overheersende gevoel is dat duurzaam vastgoed duurder is dan traditioneel vastgoed en dat niemand bereid is om de extra investering te betalen dan wel te laten financieren. Dit gevoel is echter onjuist, aangezien juist de financiering van duurzaam vastgoed nog altijd wel mogelijk is in tegenstelling tot de gewone financiering. De verschillende groenbanken in Nederland kunnen het geld, dat bestemd is voor de financiering van vastgoedprojecten, niet snel genoeg kwijt. De groenbanken (zoals onder andere Fortis Groenbank en Triodos) halen geld op bij particuliere klanten en lenen dat uitsluitend uit aan duurzame vastgoedprojecten. De particulieren krijgen relatief een lage rentevergoeding en een fiscaal voordeel voor de inkomstenbelasting van ongeveer 2,5%. Door de lage rentevergoeding aan de particulieren zijn de groenbanken in staat om aan duurzame vastgoedprojecten leningen te verstrekken met een rentekorting van 1,5 tot 2%. 

Wellicht kan de vastgoedmarkt door duurzaamheid een nieuwe impuls krijgen. Het is duidelijk dat financiering van vastgoed moeizaam gaat. Nu blijkt dat groenfinanciering steeds vaker mogelijk is, is het juist de moeite waard voor ontwikkelaars en beleggers om in duurzame vastgoedontwikkeling te investeren. Het wordt tijd dat vastgoed een nieuw horizon ontdekt. 

Auteur: Kim Gerôt

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Kent u uw risico's?
Het beheersen van risico's is van alle tijden, echter juist in de huidige tijd dient u aandacht te hebben voor risicobeheersing. Kent u de risico's waaraan uw onderneming is blootgesteld? 

Hieronder zullen wij enkele risico's bespreken. Deze bespreking is niet uitputtend. Ieder bedrijf kan worden geconfronteerd met specifieke risico's. Wanneer u naar aanleiding van het navolgende interesse heeft in een advies op maat maken wij graag een afspraak met u. 

Uw toeleveranciers/ onderaannemers
Maakt u gebruik van toeleveranciers en/of onderaannemers? In de huidige tijd komt het regelmatig voor dat deze partijen een beroep op u doen voor financiering. Financiering door middel van het vooruitbetalen van facturen of het verstrekken van leningen. Wanneer u de betreffende toeleverancier goed kent en wanneer uw bedrijfsvoering afhankelijk is van deze toeleverancier dan bent u geneigd om het verzoek om financiering tegemoet te komen. Op het moment dat u hiertoe overgaat is het belangrijk om zekerheid te bedingen voor de terugbetaling van de lening of om te zorgen dat u eigenaar wordt van de zaken die uw toeleverancier inkoopt en/of gaat vormen. Wanneer u hierover pas gaat nadenken wanneer uw toeleverancier zijn verplichtingen niet meer kan nakomen, bent u te laat. Alles wat u dan nog met elkaar afspreekt, kan vaak de toets der kritiek niet meer doorstaan. 

Uw eigendommen die zich bij derden bevinden
Hoewel de meeste zaken die u gebruikt voor uw bedrijfsvoering zich ook in uw bezit zullen bevinden, is dat veelal niet ten aanzien van alle zaken het geval. Een producent kan bijvoorbeeld mallen in bezit hebben die uw eigendom zijn. Een producent kan zelfs machines van u in bezit hebben. Halffabricaten van u kunnen zich bij derden bevinden die een bepaalde bewerking ten aanzien van die halffabricaten moeten uitvoeren. De vraag die hierbij rijst is of u ingeval van een faillissement van zo'n derde zonder meer uw eigendommen kunt opeisen. Heeft u contractueel vastgelegd op welke basis uw eigendommen zich bij deze derden bevinden? Zijn uw eigendommen ook als zodanig individueel herkenbaar? Houd in gedachten dat in dit soort situaties de Belastingdienst zich onder omstandigheden kan verhalen op uw eigendommen. 

Het inlenen van personeel
Niets is vervelender dan dat u opnieuw wordt aangesproken tot betaling voor iets waarvoor u al betaald hebt. Dit risico bestaat bij het inlenen van personeel. Controleer nogmaals dat de betalingen die u doet aan de uitlener van het personeel u ook daadwerkelijk ontslaan van u verplichtingen jegens de Belastingdienst. 

Bovenstaande risico's zien allemaal op partijen waarmee u zaken doet. Het motto - juist in deze tijd - zou moeten zijn: vertrouwen is goed maar zekerheid is beter. 

Bovenstaande risico's zijn slechts een greep uit de mogelijke risico's waarmee u geconfronteerd wordt. Samen met u brengen wij een en ander graag in kaart en voorzien wij u van een advies op maat. 

Auteur: Ward Aerts

Inhoudsopgave

..........................................................................................................................................................................

Retentierecht; een belangrijk machtsmiddel
Als gevolg van de huidige economische situatie neemt de behoefte aan zekerheid toe. Een doeltreffend middel in de bouw is het retentierecht van een aannemer. Door middel van het uitoefenen van het retentierecht kan de aannemer betaling van de opdrachtgever afdwingen. 

Wat is retentierecht?
Retentierecht is de bevoegdheid van een schuldeiser om de afgifte van een zaak op te schorten. Een voorbeeld hiervan is een garage dat reparaties aan een auto heeft verricht en weigert de auto terug te geven, omdat de eigenaar van de auto weigert de reparatiewerkzaamheden te betalen. Ook bij een onroerende zaak kan een retentierecht worden ingeroepen. Dit kan indien er sprake is van een opeisbare vordering en de aannemer de feitelijke macht heeft over het bouwterrein/gebouw. Dit laatste zal bijvoorbeeld het geval zijn, indien er om het bouwterrein bouwhekken staan die kunnen worden afgesloten, terwijl het de aannemer is die als enige de sleutels heeft en personen toegang kan verschaffen. In dat geval is sprake van een situatie die vergelijkbaar is met die van de garagehouder (die een auto in zijn werkplaats heeft staan). Voor het beoordelen van de vraag of de aannemer de feitelijke macht heeft, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Het uitoefenen van het retentierecht dient overigens voor derden kenbaar te zijn, bijvoorbeeld door het plaatsen van waarschuwingsborden. 

De positie van de aannemer
Indien een aannemer op een juiste wijze zijn retentierecht uitoefent en hiertoe ook gerechtigd is, wordt een grote mate van zekerheid verkregen. Bij het verhalen van de openstaande vordering op de onroerende zaak, heeft de aannemer voorrang op beslagleggers en zelfs op hypotheekhouders! Een uitzondering hierop is het geval dat een hypotheekhouder met een ouder recht (een hypotheek die is gevestigd vóór het uitoefenen van het retentierecht) aan de aannemer kan tegenwerpen dat de opdrachtgever niet bevoegd was om de aannemingsovereenkomst aan te gaan of dat de aannemer reden moet hebben gehad om aan die bevoegdheid te twijfelen. Daarnaast geldt dat indien de opdrachtgever/eigenaar failliet gaat, het retentierecht intact blijft. 

De positie van de opdrachtgever
Voor de positie van de opdrachtgever is het met name van belang om na te gaan of wel sprake is van een opeisbare vordering. Hierbij kan van belang zijn of de aannemer op enigerlei wijze tekort is geschoten (bijvoorbeeld doordat het werk gebreken bevat). Het verdient aanbeveling om in een dergelijk geval de van toepassing zijnde algemene voorwaarden te raadplegen. Indien een opdrachtgever in een kort geding aannemelijk maakt dat geen sprake is van een opeisbare vordering, zal een voorzieningenrechter opheffing van het retentierecht toewijzen. 

Schade door retentierecht
Indien een aannemer ten onrechte retentierecht heeft uitgeoefend, zal deze aannemer de door de opdrachtgever geleden schade dienen te vergoeden. Met name indien het gaat om een bedrijfspand dat - achteraf bezien - niet op tijd in gebruik kon worden genomen, kan de schade aanzienlijk zijn. Daar tegenover staat dat een opdrachtgever geen inbreuk mag maken op een retentierecht door zich toegang tot een bouwterrein/gebouw te verschaffen (bijvoorbeeld door het openbreken van sloten). Naast het feit dat de opdrachtgever dan schadeplichtig is, begaat hij een misdrijf waar maximaal 1,5 jaar gevangenisstraf op staat. 

Tot slot wordt opgemerkt dat in een overeenkomst of algemene voorwaarden kan worden opgenomen dat afstand wordt gedaan van retentierecht. Niet alleen is dit een aandachtspunt voor de opdrachtgever, maar ook voor aannemers die onderaannemers inschakelen. 

Auteur: Paul Welten

Inhoudsopgave

..........................................................................................................................................................................

Geldverstrekking door gemeenten of provincies en de Wet Fido
In deze - moeilijke - economische tijden wordt er door (bouw)bedrijven steeds vaker een beroep gedaan op de lokale overheid (gemeente, provincie) om financiële steun te verkrijgen. Indien de overheid bereid is om deze steun in de vorm van een geldlening te verstekken, levert dat verschillende juridische vragen op. 

Ten eerste rijst de vraag of de geldlening niet (tevens) moet worden aangemerkt als het verstrekken van een subsidie. Daarnaast doemt de vraag op of de betreffende gemeente of provincie op die manier geen staatssteun geeft aan het betrokken bedrijf. Een derde, en in de praktijk ten onrechte minder vaak gestelde, vraag heeft betrekking op de beperkingen die in dat verband zouden kunnen voortvloeien uit de Wet Financiering decentrale overheden (Wet Fido). Op deze beperkingen wordt in dit artikel - kort - nader ingegaan. 

Doelstellingen Wet Fido
De Wet Fido heeft meerdere doelstellingen. Een eerste doel is gelegen in het voorkomen van grote fluctuaties in de rentelasten van gemeenten en provincies. Daarnaast heeft de Wet Fido tot doel om te komen tot een transparant financieringsbeleid ten aanzien van de decentrale overheden. Tot slot vloeien er uit de wet beperkingen voort ten aanzien van de mogelijkheden van een gemeente of een provincie om leningen aan derden te verstrekken. Indien de overheid een geldlening wil verstrekken is met name deze derde doelstelling van de wet van belang. 

De voorschriften die betrekking hebben op het verstrekken van geldleningen door de (decentrale) overheid zijn neergelegd in artikel 2 van de wet. Deze beperkingen zijn in de wet opgenomen omdat er, volgens de wetgever, aan het uitlenen van geld door de decentrale overheid grote financiële risico's zijn verbonden. In dat verband schrijft de wet voor dat een decentrale overheid geldleningen mag verstrekken "uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak." De wet bevat daarbij geen definitie van het begrip 'publieke taak'. Hier is door de wetgever bewust voor gekozen omdat daarmee recht wordt gedaan aan de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies bij het afbakenen van de publieke taak. Het is primair aan de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging (gemeenteraad, provinciale staten) om te bepalen wat (nog) tot de publieke taak van een gemeente of provincie moet worden gerekend. Volgens de toelichting kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een publieke taak indien er aan een woningbouwcorporatie een geldlening wordt verstrekt in verband met een project voor sociale woningbouw of indien er een lening wordt verstrekt aan een gesubsidieerd theater. Volgens de toelichting bij de wet is er echter in ieder geval geen sprake meer van een publieke taak indien de overheid zich bezighoudt met 'near banking'. Hiervan is, volgens de toelichting bij de wet, bijvoorbeeld sprake indien een gemeente geld aantrekt om dit vervolgens door te lenen, bijvoorbeeld ten behoeve van woningbouwprojecten van derden. In dat geval treedt de decentrale overheid - nog steeds volgens de toelichting - in feite in concurrentie met commerciële geldverstrekkers (banken). Dit acht de wetgever onwenselijk. Waar de grenzen precies liggen is echter niet geheel duidelijk, zij het dat de overheid zich niet met 'bankachtige activiteiten' mag bezighouden. 

Een gemeente of een provincie kan op grond van de Wet Fido echter ook geld uitlenen als er geen sprake is van de uitoefening van een publieke taak. Hiervoor is volgens de wet wel vereist dat dit op een "prudente wijze" gebeurt. Daartoe zijn in een nadere regeling (Regeling uitzettingen en derivaten) strikte voorwaarden opgenomen. Kort samengevat komen deze voorwaarden erop neer dat een gemeente of een provincie (indien er geen sprake is van het uitoefenen van een publieke taak) alleen geld mag uitlenen aan een in financieel opzicht voldoende betrouwbare partij. Geld mag daarbij alleen worden uitgeleend aan een financiële instelling met minimaal een A-rating, een instelling voor wiens waardepapier een solvabiliteitsratio van 0% (solvabiliteitsvrije status) geldt of een financiële instelling met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met een A-rating. Een gemiddeld bedrijf zal aan deze voorwaarden waarschijnlijk niet voldoen. In dat geval blijft het van belang dat het project waarvoor een lening wordt verstrekt verband houdt met de publieke taak van de betreffende gemeente of provincie. 

Auteur: Dennis van Tilborg

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Nederlands architectenbureau in België
Dat de kredietcrisis de bouwsector niet gespaard is gebleven, biedt het verder kijken over de grens eventuele commerciële mogelijkheden voor Nederlandse ondernemers in het buitenland. Een Nederlands architectenbureau kan in België werkzaamheden verrichten door middel van vrije dienstverrichting of vestiging. 

Er is sprake van vrije dienstverrichting wanneer het Nederlands architectenbureau zijn diensten in België tijdelijk en incidenteel uitoefent. Met vestiging wordt bedoeld dat het Nederlands architectenbureau voornemens is om in en vanuit België werkzaamheden te verrichten. 

Voor dienstverrichting moet men de volgende documenten overleggen:

1. een geldig nationaliteitsbewijs;
2. een voorafgaande verklaring met betrekking tot een dienstverrichting die de verwezenlijking van een project op Belgisch grondgebied meebrengt;
3. een verklaring waaruit blijkt dat de architectenwerkzaamheden wettig worden uitgeoefend in eigen land;
4. een eensluidend verklaard afschrift van het diploma, getuigschrift of een andere titel;
5. een verzekeringsattest waaruit blijkt dat de beroepsaansprakelijkheid naar Belgisch recht gedekt is.

Daarnaast dient men ingeschreven te staan in het bijzonder register van dienstverrichters bij de Nationale Raad van de Orde van Architecten te Brussel. 

Indien men zich wil vestigen, gelden dezelfde voorwaarden als voor de Belgische architecten mits de architect een opleidingstitel bezit en aan bepaalde beroepskwalificaties voldoet. Daarnaast dient men een inschrijving te vragen bij de Provinciale Raad van de Orde van Architecten die bevoegd is voor de gekozen vestigingsplaats voor de uitoefening van het beroep. Voorts dient men naast de bij dienstverrichting over te leggen gegevens ook een bewijs van goed gedrag te overhandigen. Bij goedkeuring wordt men ingeschreven op de tabel van de Provinciale Raad. 

De wet Laruelle
Tot ongeveer twee jaar geleden was het voor architecten in België niet mogelijk om hun aansprakelijkheid onder te brengen in een rechtspersoon. De Wet van 15 februari 2006 betreffende de uitoefening van het beroep van architect in het kader van een rechtspersoon, de Wet Laruelle, heeft hier verandering in gebracht. Sinds de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2007 is het mogelijk om het beroep van architect uit te oefenen in het kader van een rechtspersoon en aldus van het voordeel van de beperkte aansprakelijkheid te genieten. 

Dit is niet onbelangrijk, gezien architecten krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek tot tien jaar na de voorlopige oplevering voor gebreken aansprakelijk zijn voor het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van het bouwwerk ingevolge gebreken in het bouwwerk (te wijten aan de architect). 

Om de uitoefening van het beroep als architect binnen een rechtspersoon mogelijk te maken, achtte de Belgische wetgever het noodzakelijk om de architecten wettelijk te verplichten zich te verzekeren voor hun aansprakelijkheid. Hoewel de verzekeringsplicht reeds jaren onderdeel uitmaakte van de (standaard)bepalingen omtrent het uitoefenen van dienstverlening, wordt de verplichting nu uitdrukkelijk in de wet opgenomen. De reden hiervoor is dat door de uitoefening van het beroep van architect binnen een rechtspersoon de tienjarige persoonsgebonden aansprakelijkheid van de architect in gevaar zou komen. 

Omdat de Orde van Architecten het niet eens is met deze wettelijke verplichte aansprakelijkheidsverzekering, heeft zij een beroep tot vernietiging van de Wet Laruelle ingediend bij het Grondwettelijk Hof. De Orde van Architecten heeft deze procedure niet aanhangig gemaakt om van de verzekeringsplicht af te geraken, maar wel omdat zij het niet eens is met het feit dat de architecten zich nu als enige verplicht moeten verzekeren. Zij meent dat andere bouwpartners, zoals de aannemers, ook onder de verzekeringsplicht zouden moeten vallen. Omdat architecten als enige partij verzekerd zijn, komt het namelijk voor dat architecten die eerder een klein foutaandeel dragen in bouwschade voor een veel grotere fractie van de schade moeten opdraaien. Het gaat hier om de zogenaamde aansprakelijkheid tot betaling van schadevergoeding. 

In zijn arrest van 12 juli 2007 vernietigt het Grondwettelijk Hof de wet niet, maar oordeelt zij wel dat er sprake is van discriminatie. Het Hof stelt evenwel dat de discriminatie niet het gevolg is van de wet Laruelle, maar wel van het ontbreken van wetgeving die aan alle bouwpartners een verplichte verzekering oplegt voor beroepsaansprakelijkheid. Het Hof spoort de wetgever dan ook aan om deze te verhelpen door de verzekeringsverplichting uit te breiden tot alle actoren in de bouwsector. Het Hof meent dat met de huidige wetgeving valt te vrezen dat de andere actoren in de bouwsector zullen proberen om hun verantwoordelijkheid te ontvluchten en ze af te wentelen op de architect. 

Auteurs: Karima Hara en Lieselot De Meyere (Schoups, Van Bosstraeten & C°).

Inhoudsopgave