Real Estate - januari 2008

Dit is de derde uitgave van de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Real Estate van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de drie maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de real estatesector.

In deze nieuwsbrief:

  • Bedenktijd voor kopers van woningen
    De wet beschermt de kopers van woningen door hen een bedenktijd van drie dagen te geven. In alle gevallen kan de koper binnen de bedenktijd kosteloos en zonder opgaaf van reden van de aankoop af.
    Lees verder>>

  • Overdrachtsbelasting bij een veiling
    Wanneer is de koper in een veiling overdrachtsbelasting verschuldigd: Bij de gunning of bij de eigendomsoverdracht? Na jarenlang getouwtrek is er nu definitief duidelijkheid.
    Lees verder >>

  • Dringende werkzaamheden en renoveren door verhuurders
    Voor het uitvoeren van dringende werkzaamheden en renovatiewerkzaamheden door de verhuurder zal deze tijdens het hele proces de medewerking van de huurder nodig hebben of moeten afdwingen. Dit is niet altijd eenvoudig.
    Lees verder >>

  • Inzicht in publiekrechtelijke beperkingen
    Per 1 juli 2007 is de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (kortweg: Wkpb) in werking getreden. De wet moet het mogelijk maken om in feite met n druk op de knop in beeld te krijgen welke publiekrechtelijke beperkingen er gelden met betrekking tot een bepaald perceel.
    Lees verder >>

  • Architect beperk uw schade, blijf actief
    Uit een uitspraak van het Arbitrage Instituut Bouwkunst blijkt dat de architect zich niet kan verschuilen achter zijn verzekeraar en dat hij zich actief zal moeten opstellen in het geval van een beroepsfout (AIBK 14 juni 2007, no. 1200-0439, IBR 17-10-2007).
    Lees verder >>

  • Voldoet een energielabel?
    De koper van een huis hoeft niet meer op speurtocht te gaan naar dubbele beglazing, hoogrendementsketels en spaarlampen om een indruk te krijgen van het energieverbruik van een huis.
    Lees verder >>

 

............................................................................................................................................................................


Bedenktijd voor kopers van woningen

De wet beschermt de kopers van woningen door hen een bedenktijd van drie dagen te geven. In alle gevallen kan de koper binnen de bedenktijd kosteloos en zonder opgaaf van reden van de aankoop af.

 

De bedenktijd is in het leven geroepen om de koper de mogelijkheid te bieden alsnog een deskundige in te schakelen, terwijl hij tevens kan terugkomen op een overhaast gemaakte beslissing om de woning te kopen. Een koper (die als particulier handelt, dat wil dus zeggen niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf) heeft echter enkel recht op de bedenktijd indien de koop van de woning schriftelijk heeft plaatsgevonden. Indien dit niet is gebeurd (bijvoorbeeld wanneer de woning op een openbare veiling is gekocht) geldt de bedenktijd niet, maar kunnen partijen wel gezamenlijk een bedenktijd overeenkomen. Dit laatste geldt ook voor de koper die niet als particulier handelt.

 

Aanvang en duur
De bedenktijd vangt aan op de dag volgend op de dag van de terhandstelling van de koopovereenkomst aan de koper (of zijn gevolmachtigde of nader te noemen meester zijnde een consument-) en bedraagt drie werkdagen. Ontbinding door de koper na deze termijn heeft tot gevolg dat de koop niet is ontbonden, maar van kracht blijft. Het is derhalve verstandig om een bewijs van de terhandstelling te hebben.

 

De bedenktijd zal in veel gevallen een paar dagen langer zijn in verband met het weekend en feestdagen: de bedenktijd wordt verlengd zodat ten minste 2 dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag zijn.

 

Ontbinding
De koper kan de overeenkomst op verschillende manieren ontbinden, deze is vormvrij en kan dus mondeling geschieden. Echter, om te voorkomen dat de verkoper zal betwisten dat de koopovereenkomst tijdig is ontbonden, verdient het de aanbeveling om de ontbindingsverklaring schriftelijk (en natuurlijk tijdig) uit te brengen. Deze ontbindingsverklaring dient de verkoper te bereiken binnen de drie dagentermijn. Hierbij wordt de ontvangsttheorie gehanteerd: de ontbindingsverklaring bereikt de geadresseerde in beginsel op het moment dat hij de verklaring ontvangt. Koper heeft derhalve feitelijk minder bedenktijd dan drie dagen. Verdedigbaar is overigens dat de verzending van de verklaring binnen de bedenktijd voldoende is om de koop te ontbinden.

 

Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat (i) een gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst niet mogelijk is en (ii) indien de koopovereenkomst uiteindelijk wordt ontbonden en partijen een nieuwe koopovereenkomst terzake dezelfde woning sluiten binnen 6 maanden na de ontbinding de koper geen bedenktijd meer heeft (partijen kunnen wel anders overeenkomen).

 

Auteur: Lotte Hoorntje


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Overdrachtsbelasting bij een veiling

Wanneer is de koper in een veiling overdrachtsbelasting verschuldigd: Bij de gunning of bij de eigendomsoverdracht? Na jarenlang getouwtrek is er nu definitief duidelijkheid.

 

Executoriale veiling
Verreweg de meeste aankopen van registergoederen worden met een hypotheek gefinancierd. De bank verstrekt aan de koper een hypothecaire geldlening en krijgt in ruil daarvoor een hypotheek op het pand. Komt de eigenaar in de problemen met het betalen van rente en aflossing, dan heeft de bank het recht om het onderpand via een notaris in het openbaar te verkopen (art. 3:268 Burgerlijk Wetboek).

 

Gunning
Stel dat een aspirant-koper tijdens de veiling een bod uitbrengt, dat het hoogste blijkt te zijn. Als de bank besluit op het bod in te gaan, deelt zij aan de desbetreffende bieder mee dat zij overgaat tot gunning.

 

Concreet betekent dit dat de bank met die bieder een koopovereenkomst sluit voor een koopprijs gelijk aan het bod. Zodra de koper de koopprijs heeft betaald, wordt door de notaris een kwijtingsakte opgemaakt en vindt de overdracht van het geveilde registergoed plaats.

 

Risico-overgang
Het gebeurde in de praktijk nogal eens dat de veilingkoper de executant aansprakelijk stelde voor schade aan het pand die n de veiling was ontstaan. Om dat risico te ecarteren hebben banken in de algemene veilingvoorwaarden (AVVE) de regeling op doen nemen, dat het risico per de gunning voor de veilingkoper komt. Dat is dus vr het moment van betaling van de koopprijs en de eigendomsoverdracht. Immers, de koopprijs behoeft eerst een bepaalde periode n de gunning te worden voldaan, waarna de daadwerkelijke overdracht wordt geffectueerd.

 

Deze handelwijze deed echter vragen rijzen met betrekking tot de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting. Dit hing samen met het feit dat een economische eigendomsoverdracht voor de overdrachtsbelasting een belaste verkrijging vormt.

 

Besluit Staatssecretaris
De vraag die bij veilingen namelijk aan de orde kwam, was of een veilingkoper bij de gunning al overdrachtsbelasting verschuldigd is, omdat het pand vanaf dat moment voor zijn risico komt. De fiscus vond dat bij de gunning sprake was van een economische eigendomsoverdracht en dus overdrachtsbelasting verschuldigd was. Met name het notariaat heeft zich daar fel tegen verzet. De Staatssecretaris van Financin heeft de knoop afgelopen voorjaar met een officieel besluit (CPP2006/1574M d.d.14 maart 2007) doorgehakt. Definitief is nu bepaald dat overdrachtsbelasting eerst bij betaling van de koopprijs en de overdracht verschuldigd is.

 

Voorbehoud
En voorbehoud moet nog wel gemaakt worden: De Staatssecretaris heeft uitdrukkelijk aangegeven dat deze regeling geldt als de gebruikelijke veilingvoorwaarden van toepassing zijn. Bij afwijkende voorwaarden is het mogelijk dat de gunning wel degelijk kwalificeert als een econoom met verschuldigdheid van overdrachtsbelasting op dat moment als gevolg.

 

Het besluit schept de lang verwachte duidelijkheid. Er is nog een pluspunt: Door dit standpunt staat tevens vast dat de bekende zesmaandsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting pas start bij de datum van de kwijtingsakte en niet al bij de gunning. Voor onroerend goed-handelaren is dat een meevaller.

 

Auteur: André van Huffelen


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Dringende werkzaamheden en renoveren door verhuurders

Voor het uitvoeren van dringende werkzaamheden en renovatiewerkzaamheden door de verhuurder zal deze tijdens het hele proces de medewerking van de huurder nodig hebben of moeten afdwingen. Dit is niet altijd eenvoudig.

 

Vragen die daarbij kunnen rijzen zijn: kan de huurovereenkomst worden voortgezet dan wel beindigd? Wat als de huurder weigert aan de renovatie/ verhuizing mee te werken? In het navolgende wordt ingegaan op de dringende werkzaamheden en de renovatieregeling op grond van artikel 7:220 leden 1 en 2 BW. De complexgewijze renovatieregeling ex artikel 7:220 lid 3 blijft buiten beschouwing.

 

De renovatieregeling
Artikel 7:220 van het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt de medewerkingsplicht van een huurder bij dringende werkzaamheden of een voorgenomen renovatie.

 

Op grond van lid 1 van dit artikel dient de huurder dringende werkzaamheden te gedogen, ook al vormen deze een inbreuk op zijn (rustig) genot. Dringende werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld.

Lid 2 van artikel 7:220 BW ziet op renovatie met voortzetting van de huur, onverminderd de bevoegdheid van de verhuurder tot beindiging van de huur over te gaan op grond van lid 4. Het begrip renovatie is ruim. De wet spreekt over zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging.

 

De huurder moet alleen de gelegenheid tot de dringende werkzaamheden en renovatie geven, indien de huurovereenkomst wordt voortgezet. Dit voortzetten van de huurovereenkomst dient niet te letterlijk te worden genomen. De contractuele afspraken kunnen worden aangepast, zoals bijvoorbeeld de huurprijs. Daarnaast kan het gehuurde object zelf in zeer vergaande mate worden aangepast zonder dat de wetgever wil spreken van een nieuwe huurovereenkomst. Zelfs als het gehuurde wordt gesloopt en opnieuw wordt opgetrokken, kan van voortzetting van de huurovereenkomst worden gesproken, zolang maar vaststaat dat de plaats en de functie van het gehuurde in beginsel gelijk zijn gebleven. Ook indien alleen de gevel wordt gehandhaafd, en de rest van het gehuurde wordt vernieuwd, zou nog steeds van voortzetting van de huurovereenkomst kunnen worden gesproken. Indien de huurder een redelijk voorstel tot renovatie niet aanvaardt, kan de verhuurder zich tot de rechter wenden met de vordering dat de rechter het voorstel redelijk verklaart.

 

Als renovatie echter niet mogelijk is met voortzetting van de oude huurovereenkomst bijvoorbeeld omdat het nieuwe pand een andere functie dan de zogenaamde artikel 290-bedrijfsruimte ((kort gezegd is dat: detailhandel en horeca) zal krijgen, of omdat de plaats van het gehuurde verandert zijn voor beindiging van de huur van 7:290 BW-bedrijfsruimte de volgende opzeggings- respectievelijk ontbindingsmogelijkheden denkbaar:

 

  1. opzegging of ontbinding in verband met het niet accepteren van een redelijk renovatievoorstel zoals bedoeld in artikel 7:220 BW. Dit levert blijkens de parlementaire geschiedenis een situatie op dat de bedrijfsvoering van huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt (artikel 7:296 lid 1 onder a BW respectievelijk artikel 7:231 jo. artikel 6:265);
  2. opzegging wegens dringend eigen gebruik (artikel 7:296 lid 1 onder b BW);
  3. opzegging op grond van de algemene belangenafweging indien de huurovereenkomst langer dan 10 jaar heeft geduurd (artikel 7:296 lid 3 BW);
  4. opzegging wegens het niet accepteren van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst (artikel 7:296 lid 4 onder c BW).

 

Het voert te ver om in dit kader alle ins en outs van de voornoemde gronden te bespreken. Wel is het goed erop te wijzen dat de verschillende scenarios (renovatieregeling, opzegging of ontbinding) verschillende vergoedingsverplichtingen voor verhuurder met zich brengen. Daarnaast is het van belang om te constateren dat, alvorens tot opzegging over te gaan op grond van de onder a. en d. genoemde opzeggingsgronden, het uiteraard nodig is dat de verhuurder een redelijk renovatievoorstel respectievelijk een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst aan de huurder heeft gedaan, dat huurder niet heeft geaccepteerd.

 

Redelijk renovatievoorstel?
Uitgangspunt van de renovatieregeling is dat de verhuurder begint met het doen van een (redelijk) schriftelijk voorstel aan de huurder. Wat is een redelijk renovatievoorstel? Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het voorstel redelijk moet zijn gelet op de belangen van de huurder en die van de verhuurder en dat de volgende omstandigheden daarbij een rol spelen:

  • de aard van de werkzaamheden;
  • de noodzaak van de medewerking van de huurder;
  • de financiële consequenties voor de verhuurder (bij niet-medewerking van de huurder);
  • de huurprijsverhoging en de mogelijkheid van een vervangend huurobject voor de huurder;
  • de overige omstandigheden van het geval.

 

Gebondenheid huurder aan redelijk renovatievoorstel
De vraag rijst hoe een huurder gebonden wordt aan een renovatievoorstel, zeker wanneer dat voorstel een huurprijsverhoging inhoudt.

 

Artikel 7:220 lid 2 BW gaat er vanuit dat een huurder een renovatie overeenkomstig een redelijk renovatievoorstel moet gedogen. Indien de huurder een redelijk voorstel tot renovatie niet aanvaardt, kan de verhuurder zich tot de rechter wenden met de vordering dat de rechter het voorstel redelijk verklaart. Op grond van artikel 558 van het Wetboek van Rechtsvordering zal de verhuurder het gedogen van de uit te voeren werkzaamheden met behulp van de sterke arm kunnen vorderen, zelfs indien daarvoor ook een vordering tot tijdelijke en/of gedeeltelijke ontruiming nodig is.

 

Kortom: wanneer de verhuurder een renovatievoorstel doet en dit voorstel wordt niet geaccepteerd, dan zal de verhuurder een (bodem)procedure aanhangig moeten maken. In een dergelijke procedure kan de verhuurder vorderen:

  • een verklaring voor recht dat het voorstel redelijk is;
  • een veroordeling tot het gedogen van de renovatie (met behulp van de sterke arm) conform het renovatievoorstel; 
  • een veroordeling tot betaling van de voorgestelde hogere huurprijs na het afronden van de renovatie.

 

Tot slot
Tot slot nog een tweetal opmerkingen.

 

1) Het voorgaande is gebaseerd op louter de wettelijke regeling terzake renovatie. Deze wettelijke regeling is echter niet dwingendrechtelijk. Het is dus heel goed denkbaar dat partijen in een afzonderlijke huurovereenkomst een andere renovatieregeling dan de wettelijke zijn overeengekomen. Het in de praktijk bij de verhuur van bedrijfsruimte zeer veelvuldig gehanteerde ROZ-modelcontract bepaalt bijvoorbeeld dat de wettelijke renovatieregeling (grotendeels) niet van toepassing is.

 

2) Het voorgaande heeft als uitgangspunt, dat sprake is van de huur van artikel 7:290 BW-bedrijfsruimten. Een groot gedeelte van hetgeen aan de orde komt is echter ook van toepassing op 7:230a-BW bedrijfsruimten (kort gezegd: overige, niet zijnde 7:290 BW-bedrijfsruimten - bijvoorbeeld: kantoren), met name indien sprake is van langlopende huurcontracten.

 

Auteur: Myrthe van den Heuvel


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Inzicht in publiekrechtelijke beperkingen

Per 1 juli 2007 is de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (kortweg: Wkpb) in werking getreden. De wet moet het mogelijk maken om in feite met n druk op de knop in beeld te krijgen welke publiekrechtelijke beperkingen er gelden met betrekking tot een bepaald perceel.

 

De nieuwe wet wil daarmee een einde maken aan de situatie waarin het op de weg van de burger lag om te achterhalen welke publiekrechtelijke beperkingen er op een bepaald perceel rustten. Het behoeft geen betoog dat dit de burger zeer veel tijd kon kosten, waarbij bovendien geenszins ondenkbaar was dat de burger er niet in slaagde om alle beperkingen te achterhalen.

 

Wat zijn beperkingenbesluiten?
De wet voorziet in de registratie van beperkingenbesluiten. Beperkingenbesluiten zijn, op grond van de Wkpb, ten eerste de besluiten die als zodanig zijn aangemerkt in het Aanwijzingsbesluit Wkpb. In het Aanwijzingsbesluit zijn onder andere de aanwijzing als een beschermd natuurmonument, een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht, een saneringsbevel op grond van de Wet bodembescherming en een aanwijzing op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten aangewezen als beperkingenbesluit. Het gaat hier om zogenaamde aanbouwwetgeving. Het is de bedoeling van de wetgever om steeds meer uit het publiekrecht voortvloeiende beperkingen onder de werkingssfeer van de wet te brengen. Dit zal gefaseerd gebeuren. Ten tweede stelt de wet een aantal feitelijke handelingen gelijk met een beperkingenbesluit. Als voorbeeld kan hier worden genoemd een schriftelijke handeling van een orgaan van de gemeente op grond van de gemeentelijke monumentenverordening, waardoor, voordat op grond van die verordening een besluit van een onroerende zaak als beschermd monument is genomen, op die onroerende zaak de in de betreffende verordening opgenomen bepalingen ten aanzien van krachtens die verordening aangewezen beschermde monumenten van overeenkomstige toepassing worden.

 

Registratie van beperkingenbesluiten
Ten aanzien van gemeentelijke beperkingenbesluiten is het college van burgemeester en wethouders verplicht om deze in een gemeentelijk register in te schrijven. Daarnaast is het college ook verplicht om een registratie te voeren. In deze registratie zal onder andere een korte aanduiding van de aard en inhoud van de publiekrechtelijke beperking moeten worden opgenomen. Verder zal de registratie de kadastrale aanduiding dienen te bevatten van het perceel waarop de beperking betrekking heeft, alsmede het volgnummer waaronder het beperkingenbesluit in het register is opgenomen. De gemeentelijke beperkingenregistratie dient ontsloten te worden op de elektronische voorziening van het Kadaster. De Wkpb voorziet in een (risico)aansprakelijkheid van gemeenten voor, kort weergegeven, alle onregelmatigheden bij het bijhouden van het gemeentelijke beperkingenregister en de gemeentelijke beperkingenregistratie.

 

Beperkingenbesluiten, die door andere dan de gemeentelijke bestuursorganen worden vastgesteld, dienen ter registratie aan het Kadaster aangeboden te worden. Ook hier voorziet de wet in een (risico)aansprakelijkheid voor de betrokken rechtspersonen indien er sprake is van enige onregelmatigheid bij het (tijdig) aanbieden van de vereiste gegevens aan het Kadaster.

 

Van belang is om op te merken dat vr 1 juli 2009 in principe ook alle oude (nog vigerende) beperkingenbesluiten (althans een lijst met een korte aanduiding van de aard en inhoud van een dergelijk besluit) te worden ingeschreven in de gemeentelijke registers respectievelijk ter registratie te worden aangeboden aan het Kadaster.

 

Het systeem van de Wkpb gaat er derhalve vanuit dat met het raadplegen van de kadastrale gegevens (op internet) een volledig beeld kan worden verkregen van de op het perceel drukkende beperkingenbesluiten (voor zover dergelijke besluiten vallen onder de reikwijdte van de Wkpb). Het blijft natuurlijk afwachten hoe het systeem in de praktijk zal functioneren.

 

Auteur: Dennis van Tilborg


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Architect beperk uw schade, blijf actief

Uit een uitspraak van het Arbitrage Instituut Bouwkunst blijkt dat de architect zich niet kan verschuilen achter zijn verzekeraar en dat hij zich actief zal moeten opstellen in het geval van een beroepsfout (AIBK 14 juni 2007, no. 1200-0439, IBR 17-10-2007).

 

Feiten
In de onderhavige zaak heeft de architect een opdracht geaccepteerd om een ontwerp te maken voor de uitbreiding van zijn bedrijfspand, inhoudende een opslagruimte, een laad perron en een laadkuil voor twee vrachtwagens. Bij de ingebruikname van het werk bleek direct dat het als gevolg van het ontwerp van de architect niet kon worden gebruikt waarvoor het was bedoeld. Het ontwerp bleek evenmin te voldoen aan de richtlijnen van terzake deskundige instanties.

 

Op 22 juni 2005 stelt de opdrachtgever de architect aansprakelijk voor de fout en voor zijn schade. De architect heeft vervolgens voorstellen gedaan ter verbetering van het ontwerp en heeft de zaak bij zijn verzekeraar aangemeld. Bij brief van 10 augustus 2005 wordt de architect in kennis gebracht van het feit dat zijn ontwerpen telkens ondeugdelijk zijn en niet voldoen aan de geldende normen. Tevens laat opdrachtgever daarin weten dat hij afziet van verdere nakoming door de architect en aanspraak maakt op schadevergoeding. Vervolgens laat opdrachtgever een ontwerp maken door een derde en vraagt twee offertes aan voor dit ontwerp. Deze offertes legt hij de architect voor met het verzoek te reageren en maakt daar reeds aanspraak op betaling van de goedkoopste offerte.

 

Op 25 oktober 2005 laat de architect weten niet akkoord te gaan met de offertes en stelt dat de zaak nu in behandeling is bij zijn verzekeraar. Opdrachtgever laat het werk uitvoeren en stuurt op 23 december 2005 de factuur terzake aan de architect en verzoekt om betaling ervan, alsmede zijn schade. De architect reageert op dezelfde dag met de mededeling dat de offerte is doorgestuurd aan zijn verzekeraar.

 

Pas op 28 maart 2006 doet de verzekeraar van de architect iets en schakelt haar expert in. Naar aanleiding van het onderzoek van de expert van de verzekeraar wordt geconcludeerd dat er goedkopere en andere oplossing waren, dan thans uitgevoerd.

 

Oordeel Arbiters
Vast staat dat de architect een beroepsfout heeft gemaakt en derhalve aansprakelijk is. Arbiters oordelen dat de voorstellen die door de architect zijn gedaan niet deugdelijk waren en telkens terecht door opdrachtgever met bekwame spoed en gemotiveerd zijn afgewezen. Voorts heeft de architect alleen maar het standpunt van zijn verzekeraar afgewacht.

 

Aangezien de door de architect ontworpen laadkuil niet bruikbaar was, achten arbiters het alleszins billijk dat opdrachtgever zelf opdracht aan een derde heeft gegeven voor een nieuw ontwerp. Daarbij heeft hij de noodzakelijke zorgvuldigheid betracht door de offertes aan de architect ter beoordeling voor te leggen. Terwijl de architect de offertes ongemotiveerd afwees onder verwijzing naar zijn verzekeraar. Door de handelwijze van de beide partijen kan niet anders worden gesteld dan dat opdrachtgever schadebeperkend ten opzichte van beide partijen heeft gehandeld.

 

Arbiters oordelen dat opdrachtgever genoegzaam heeft aangetoond dat de gemaakte kosten in redelijkheid zijn gemaakt en dat deze door de architect vergoed dienen te worden.

 

Conclusie
Uit deze uitspraak van het AIBK blijkt dat de architect zich niet kan verschuilen achter zijn verzekeraar en dat hij zich actief zal moeten opstellen in het geval van een beroepsfout. Immers, indien de architect gemotiveerd op de twee offertes had gereageerd en zijn verzekeraar had aangespoord tot het sneller handelen was de schade voor hem beperkt gebleven. Nu ziet hij zich geconfronteerd met een schadepost die minimaal 10.000,- meer bedraagt dan door de expert van zijn verzekeraar terzake is vastgesteld. Met andere woorden architect beperk uw schade en blijf actief ook al heeft u uw schade bij uw verzekeraar gemeld.

 

Auteur: Annemarie Wiesmeier-van der Brugge


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................


Voldoet een energielabel?

De koper van een huis hoeft niet meer op speurtocht te gaan naar dubbele beglazing, hoogrendementsketels en spaarlampen om een indruk te krijgen van het energieverbruik van een huis.

 

Ondanks alle kritieken van onder meer de Vereniging Eigen Huis (VEH) en de Landelijke Makelaars Vereniging (LMV) is op 1 januari 2008 het besluit energieprestatie gebouwen in werking getreden. Huizen die worden verhuurd of te koop worden aangeboden, dienen sinds de invoering van voormeld besluit over een energielabel te beschikken. Het is verrassend dat voor het eerst de energiezuinigheid van een huis bij de verkoop of de verhuur een rol zal spelen.

 

Wat is een energielabel?
Een energielabel kan alles over de energiezuinigheid van een huis vertellen. Op een label met letters en bijbehorende kleur wordt in n oogopslag duidelijk hoe energiezuinig een huis is. Een energielabel kan alleen door een gecertificeerd bedrijf worden afgegeven en blijft tien jaar geldig. De eigenaar of verhuurder van een huis is verplicht bij de verkoop of verhuur het energielabel van het huis aan de koper of huurder te overhandigen.

 

Doel
Deze verplichting vloeit in eerste instantie voort uit de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen 2002/91/EG, die moet leiden tot verbetering van de energieprestaties van de gebouwen in de Europese Gemeenschap. Sluitstuk van de wettelijke invoering van deze richtlijn in Nederland vormen het Besluit energieprestatie gebouwen en de daarop gebaseerde Regeling energieprestatie gebouwen. Zij regelen het energielabel voor gebouwen (energieprestatiecertificaat). Het doel van het energielabel is mensen te stimuleren energiebesparende maatregelen te treffen voor hun huis.

 

Uitzonderingen
Er zijn een aantal uitzonderingen, waarbij het overhandigen van een energielabel niet verplicht is.

  • Gebouwen die vanaf 1998 zijn gebouwd;
  • Indien vanaf 1 juli 2002 tot 1 januari 2008 een Energie Prestatie Advies (EPA) is afgegeven;
  • Woningcorporaties hoeven pas per 1 januari 2009 te voldoen aan de verplichting tot het beschikbaar stellen van een energielabel. Voorwaarde is wel dat de corporatie voor die datum al haar woningen van een energielabel heeft voorzien;
  • Woonwagens;
  • Onverwarmde logiesgebouwen (bv. trekkershutten);
  • Gebouwen met een industriefunctie (bv. fabriekshallen);
  • Gebouwen met een overige gebruiksfunctie (zoals schuurtjes en garages);
  • Tijdelijke bouwwerken (zoals bouwketens, noodwinkels, noodlokalen bij scholen, directie- en schaftlokalen op bouwplaatsen);
  • Monumenten;
  • Gebouwen die worden gebruikt voor eredienst en religieuze activiteiten (kerken en moskeen);
  • Alleenstaande gebouwen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2;
  • Indien de koopovereenkomst voor 1 januari 2008 is gesloten.

 

Kritiek
Volgens de VEH deugt het energielabel nog niet en had dit op 1 januari 2008 nog niet moeten worden ingevoerd. De VEH heeft drie bez\waren tegen het energielabel. Ten eerste ontbreekt het aan eenduidige opleidingseisen voor de labeladviseurs. Een bedrijf dat energielabels verstrekt, hoeft slechts n gecertificeerde medewerker te hebben en mag vervolgens een onbeperkt aantal labeladviseurs op pad sturen, zonder dat die daarvoor een examen hebben afgelegd. Een landelijk examen voor gecertificeerde bedrijven en labeladviseurs bestaat nog niet. De eigenaar van een huis heeft onvoldoende zekerheid dat de adviseur die hij inschakelt deskundig genoeg is.

 

Ten tweede bestaan er geen goede kwaliteitswaarborgen. De eigenaar heeft onvoldoende waarborgen dat de voorgeschreven keuringsmethode vakbekwaam en onafhankelijk wordt gevolgd. Een uniforme kwaliteit van de energielabels kan daardoor niet worden gegarandeerd. Daarnaast kunnen fouten in de keuring niet door de eigenaar worden ontdekt, omdat hij het opnameformulier niet in handen krijgt. Verder wordt de kwaliteit van labeladviseurs en gecertificeerde bedrijven slechts incidenteel gecontroleerd. Indien na een steekproef zou blijken dat er verkeerde labels zijn afgegeven, is er geen regeling die ervoor zorgt dat eerdere klanten alsnog kosteloos een herkeuring kunnen krijgen.

 

Ten slotte is er geen goede klachtenregeling. Bij onenigheid over de juistheid van een afgegeven energielabel moet de eigenaar van een huis gebruik kunnen maken van een deugdelijke en toegankelijke klachtenregeling. Echter, een adequaat klachtenloket bestaat niet en er is geen enkele richtlijn voor een redelijk klachtengeld. Ook de behandelingstermijn van klachten en de gevolgen van een uitspraak zijn niet geregeld. Hoewel de verplichting tot het overhandigen van het energielabel indirect uit artikel 7:9 lid 1 BW (verplichting van de verkoper) zou voortvloeien, lijkt het verstandig om voormeld artikel uit te breiden in die zin, dat de verplichting tot het overhandigen van een energielabel door verkopers concreet in de wet wordt opgenomen. Door de snelle invoering van het Besluit energieprestatie gebouwen zijn er geen bestuursrechtelijke of privaatrechtelijke sancties tegen het niet naleven van dit besluit opgenomen. Derhalve zal VROM in de praktijk de ontwikkelingen volgen en zonodig nagaan of de regelgeving aangepast moet worden met het oog op de handhaving.

 

De rol van de notaris
Belangrijk is hoe de notaris er voor kan zorgen dat deze regeling op de juiste wijze wordt nagekomen. De nieuwe regeling zal vooral een rol spelen bij het opmaken van de koopakte. De notaris zal de verkoper moeten wijzen op zijn verplichting om een, voor zijn rekening, opgemaakt certificaat te overhandigen aan de koper en de koper op zijn recht daarop moeten wijzen. Het is raadzaam om de afspraak van partijen met betrekking tot het certificaat in de koopakte vast te leggen. Indien de notaris niet bij het opmaken van de koopakte is betrokken, zal de notaris in ieder geval bij het passeren van de akte van levering het certificaat ter sprake moeten brengen. Voor zover de verkoper het certificaat bij de levering niet aan de koper overhandigt, dient de notaris verkoper alsnog op deze verplichting te wijzen. Indien de koper om hem moverende redenen genoegen neemt met het niet beschikbaar zijn van (het origineel van) het certificaat, dan is het niet aan de notaris zijn medewerking aan het passeren van de akte van levering te weigeren. De schade die dit met zich brengt, staat niet in verhouding tot het ontbreken van (het origineel van) het certificaat. Evenmin is sprake van benadeling van derden, zoals bij een voorkeursrecht het geval kan zijn. Kortom, de notaris kan bij het ontbreken van een energielabel zijn diensten niet weigeren.

 

De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre de energiezuinigheid van een huis een rol zal spelen bij de verkoop of de verhuur van een huis.

 

Auteur: Kimmy Gerôt


Inhoudsopgave