Real Estate - april 2008

Dit is de vierde uitgave van de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Real Estate van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de drie maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de real estatesector.

In deze nieuwsbrief: 

  • Waterwet in 2009
    Begin 2009 komt er één Waterwet. De Waterwet is de integrale wet die regels geeft met betrekking tot het beheer en gebruik van water(-systemen), waarbij reeds bestaande wetten omtrent watersystemen worden vervangen. Belangrijkste wijzigingen zijn de herstructurering van de bevoegdheden en de invoering van de watervergunning.
    Lees verder

  • Waarborgsom binnen? Taak makelaar
    Het is gebruikelijk dat een koper van een huis een waarborgsom moet storten. Wie moet er eigenlijk op letten dat die op tijd binnen is? 
    Lees verder


  • 1 juli 2013: deadline actualiseringsplicht Wro
    Naar alle waarschijnlijkheid treedt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli van dit jaar in werking. Gelijktijdig met de Wro zal de invoeringswet in werking treden. Deze invoeringswet bevat onder andere het overgangsrecht. 
    Lees verder

  • Bij verkoop blijft huurovereenkomst bestaan; koopoptie ook?
    Met regelmaat komen verhuurder en huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst een koopoptie overeen. Een koopoptie behelst de verplichting van de verhuurder/eigenaar om alvorens de verhuurde onroerende zaak aan een derde te verkopen, deze eerst aan de huurder aan te bieden. De huurder is daarbij niet verplicht om gebruik te maken van deze koopoptie. Wat nu als de huurder geen gebruik maakt van de koopoptie en de verhuurde onroerende zaak wordt verkocht en in eigendom overgedragen aan een derde, gaat de koopoptie over met de huurovereenkomst op de opvolgende eigenaar/verhuurder?
    Lees verder

  • Aanbestedingsplicht van ziekenhuizen
    Het vonnis d.d. 17 augustus 2007 (recent gepubliceerd) van de voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht is de eerste - gepubliceerde - uitspraak sinds de Hoge Raad in Amphia uitspraak deed over de aanbestedingsplicht van algemene ziekenhuizen. De voorzieningenrechter oordeelt over de aanbestedingsplichtigheid van de stichting Sint Antonius ziekenhuis (verder: "Ziekenhuis") onder zowel de regels van het oude als het nieuwe zorgstelsel, hoewel de discussie speelde onder het oude stelsel. De conclusie luidt eenduidig dat onder geen van beide stelsels sprake is van een aanbestedingsplicht.
    Lees verder

  • Omzet verkoop vastgoed toch in btw-aftrekpercentage?
    Onlangs is door het Europese Hof van Justitie ("Hof") bepaald dat de omzet van de verkoop van bepaalde investeringsgoederen meetelt bij de bepaling van de aftrek van btw op kosten. Voor vastgoedondernemers kan dit slecht nieuws zijn. 
    Lees verder

............................................................................................................................................................................

Waterwet in 2009
Begin 2009 komt er één Waterwet. De Waterwet is de integrale wet die regels geeft met betrekking tot het beheer en gebruik van water(-systemen), waarbij reeds bestaande wetten omtrent watersystemen worden vervangen. Belangrijkste wijzigingen zijn de herstructurering van de bevoegdheden en de invoering van de watervergunning.

Doel van deze exercitie is het aantal regels terug te dringen (van negen wetten naar één) en de wetgeving op het gebied van water overzichtelijker te maken voor de gebruikers ervan. Daarnaast wordt met de invoering van de Waterwet voldaan aan Europese regelgeving (Kaderrichtlijn water).

Voor bedrijf en burger betekent de komst van de Waterwet dat het aanspreekpunt (de vergunningverlener) voor zogenaamde regionale watersystemen (kleinere rivieren, meren en vennen) het Waterschap wordt en voor het hoofdwatersysteem (grotere wateren zoals rivieren en de zee) Rijkswaterstaat.

De invoering van de Waterwet betekent ook, dat voor alle handelingen in het water straks nog slechts één vergunning nodig is. De nieuwe watervergunning kan nodig zijn voor bijvoorbeeld het lozen van afvalwater in oppervlaktewateren, het bouwen van een steiger of het onttrekken van grondwater in het kader van bereging van grasland of voor de productie van bijvoorbeeld levensmiddelen. Onder de huidige wetgeving heeft u als aanvrager vaak te maken met meerdere overheidsinstanties zoals het Waterschap en de Provincie.

Hoewel de omgevingsvergunning en de watervergunning niet gecombineerd worden, is het streven dat de gebruiker bij één loket terecht kan voor zowel de nieuwe omgevingsvergunning als de watervergunning.

Naast de vergunningplicht creëert de wet de mogelijkheid voor het instellen van een ontheffing, een algemeen verbod en algemene regels (Waterbesluit). Dit moet ertoe leiden dat de lasten voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk worden beperkt tot het noodzakelijke.

Tot slot nog de opmerking dat uit diverse literatuur die thans ter beschikking staat ten aanzien van de Waterwet volgt dat -naar verwachting- bestaande rechten zullen worden gerespecteerd. Dat betekent dat ervan mag worden uitgegaan dat thans verleende vergunningen voor onttrekking van grondwater en het lozen van water zullen worden gerespecteerd. Dat lijkt ook logisch te zijn, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel dat nu eenmaal geldt, zeker wanneer overheidsdiensten gebruik maken van hun bevoegdheden.

Auteur: Peter van Wijmen

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Waarborgsom binnen? Taak makelaar
Het is gebruikelijk dat een koper van een huis een waarborgsom moet storten. Wie moet er eigenlijk op letten dat die op tijd binnen is?

Zekerheid stellen

In koopcontracten wordt vaak opgenomen dat de koper een waarborgsom gelijk aan 10% van de koopsom moet storten. De achtergrond van deze verplichting is dat koper richting verkoper zekerheid moet geven voor de nakoming van zijn verplichtingen uit het koopcontract.

Bij de notaris
Het is gebruikelijk om de waarborgsom op de kwaliteitsrekening van de notaris, als onpartijdige derde, te storten. Dat is ook logisch. Zou een koper de waarborgsom rechtstreeks aan de verkoper overmaken, dan heeft hij een groot probleem als de verkoper vóór de levering failliet gaat.

Wie controleert de ontvangst?
Zonder twijfel rust op de notaris de plicht om te controleren of de waarborgsom op tijd gestort is. Bovendien moet hij partijen op de hoogte stellen zowel bij ontvangst van de waarborgsom als bij het niet tijdig ontvangen daarvan. Ofwel, op de notaris rust een "controle- en informatieplicht". De rechtspraak is daar duidelijk over.

Betekent dit nu dat voor de makelaar op dit punt geen rol meer is weggelegd? Dat is niet het geval. Uit een recente uitspraak van de Rechtbank Zutphen (9 januari 2008, 85985/HA ZA 07-519) is dit duidelijk geworden. Een NVM-makelaar kreeg een klacht aan zijn broek omdat hij niet gecontroleerd had of de koper de waarborgsom tijdig onder de notaris had gestort. Zowel in eerste instantie (Raad van Toezicht van de NVM) als in hoger beroep (Centrale Raad van Toezicht van de NVM) kreeg de klager gelijk: Het controleren past bij een zorgvuldige dienstverlening van de makelaar.

Naar de rechter
Met de uitspraak in de klachtprocedure in de hand ging de verkoper naar de gewone rechter om van de makelaar schadevergoeding te vorderen. De rechter te Zutphen oordeelde als volgt: De aanbeveling dat de makelaar nagaat of de waarborgsom tijdig is gestort kan worden gezien als een "richtlijn" voor de beroepsgroep. Zou de makelaar al van deze richtlijn willen afwijken, dan moet hij dat schriftelijk richting zijn cliënt motiveren.

Ook al is het gebruikelijk dat de notaris de controle voor zijn rekening neemt, dat ontslaat de makelaar niet van zijn verplichting jegens zijn eigen cliënt. Om die reden oordeelde de rechter dat de betreffende makelaar aansprakelijk was voor zijn "beroepsfout" en daardoor voor de schade die de cliënt had geleden.

Auteur: André van Huffelen

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

1 juli 2013: deadline actualiseringsplicht Wro
Naar alle waarschijnlijkheid treedt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli van dit jaar in werking. Gelijktijdig met de Wro zal de invoeringswet in werking treden. Deze invoeringswet bevat onder andere het overgangsrecht.

Op grond van artikel 3.1 lid 1 Wro dient voor het gehele grondgebied van de gemeente een bestemmingsplan te worden vastgesteld. Daarnaast dienen bestemmingsplannen - kort samengevat - iedere tien jaar (te rekenen vanaf de datum waarop het betreffende bestemmingsplan is vastgesteld) te worden geactualiseerd (de zogenaamde actualiseringsplicht). Indien een gemeente niet aan voornoemde actualiseringsplicht voldoet, voorziet de wet in een financiële sanctie. De gemeente verliest de bevoegdheid 'tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.' Het voorgaande betekent onder andere dat de gemeente, ten aanzien van bouwvergunningen die betrekking hebben op het betreffende bestemmingsplan, geen leges meer zal kunnen heffen.

Op grond van het overgangsrecht heeft de Wro in beginsel directe werking. Dit zou met zich meebrengen dat voor een gemeente direct de verplichting gaat gelden om, voor gebieden waarvoor op dit moment geen bestemmingsplan geldt, alsnog een bestemmingsplan vast te stellen. De wetgever achtte dit onwenselijk om enerzijds te voorkomen dat er gelijktijdig een groot aantal bestemmingsplannen in procedure gaat en anderzijds om te voorkomen dat er bestemmingsplanloze gebieden ontstaan. Om die redenen is in het overgangsrecht bepaald dat, voor gebieden binnen de bebouwde kom waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van de wet geen bestemmingsplan geldt, binnen vijf jaar alsnog een bestemmingsplan (of beheersverordening) dient te worden vastgesteld. Voor gebieden buiten de bebouwde kom, waarvoor op dit moment nog geen bestemmingsplan is vastgesteld, geldt derhalve direct na inwerkingtreding van de wet de plicht om alsnog een bestemmingsplan vast te stellen.

De directe werking van de Wro zou voorts met zich meebrengen dat voor de gemeente de verplichting zou gaan gelden om binnen één jaar de bestemmingsplannen, die - ten tijde van de inwerkingtreding van de wet - meer dan tien jaar geleden onherroepelijk zijn geworden, te actualiseren. Indien de gemeente er niet in zou slagen om aan deze verplichting te voldoen zou dit de in het voorgaande aangegeven financiële consequenties met zich meebrengen. Omdat de wetgever ook dit gevolg onwenselijk achtte heeft zij in het overgangsrecht bepaald dat bestemmingsplannen, die meer dan vijf jaar voor de inwerkingtreding van de wet onherroepelijk zijn geworden, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet dienen te worden geactualiseerd. Het voorgaande geldt niet indien vóór de inwerkingtreding van de wet vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33 lid 2 WRO.

Indien de Wro en de Invoeringswet inderdaad op 1 juli 2008 in werking treden brengt het overgangsrecht met zich mee dat uiterlijk op 1 juli 2013 voor alle gebieden, waarvoor op 1 juli aanstaande geen bestemmingsplan van kracht zal zijn, een bestemmingsplan/beheersverordening dient te zijn vastgesteld. Daarnaast dienen alle bestemmingsplannen die vóór 1 juli 2003 onherroepelijk zijn geworden op de genoemde datum van 1 juli 2013 te zijn geactualiseerd. Ook met het respijt van vijf jaar op grond van het overgangsrecht zal dit nog een hele klus blijken te zijn.

Auteur: Dennis van Tilborg

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Bij verkoop blijft huurovereenkomst bestaan; koopoptie ook?
Met regelmaat komen verhuurder en huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst een koopoptie overeen. Een koopoptie behelst de verplichting van de verhuurder/eigenaar om alvorens de verhuurde onroerende zaak aan een derde te verkopen, deze eerst aan de huurder aan te bieden. De huurder is daarbij niet verplicht om gebruik te maken van deze koopoptie. Wat nu als de huurder geen gebruik maakt van de koopoptie en de verhuurde onroerende zaak wordt verkocht en in eigendom overgedragen aan een derde, gaat de koopoptie over met de huurovereenkomst op de opvolgende eigenaar/verhuurder?

Juridisch kader
Volgens artikel 7:226 lid 3 BW is de opvolgend eigenaar/verhuurder 'slechts gebonden door de bedingen van de huurovereenkomst die onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de huurder te betalen tegenprestatie.' Dit artikel is een modernisering van artikel 7A:1612 BW (oud) en een codificering van de in dit kader gewezen rechtspraak.

In 1923 al besliste de Hoge Raad dat bij de overgang van de eigendom van de verhuurde zaak alleen die rechten en verplichtingen overgaan die het doen hebben van het genot van de zaak gedurende een bepaalde tijd en tegen een bepaalde prijs betreffen, zulke rechten en verplichtingen omvatten niet het recht van koop van de huurder. Deze lijn in de rechtspraak is de heersende lijn ten aanzien van koopopties van huurders. De Hoge Raad oordeelde in juni 2007 nog dat bedingen die een koopoptie bevatten, waarbij het door de huurder periodiek te betalen bedrag naast een gebruiksvergoeding ook een vergoeding voor de uiteindelijke verkrijging in zich bergt, wel van rechtswege gelden tussen de huurder en de opvolgend verhuurder, omdat daarbij wel degelijk aan de eis van voldoende verband is gedaan. In het geval van een commerciële huurprijs waarin de gehele tegenprestatie ligt besloten wordt bedoeld verband niet snel aangenomen, waardoor de koopoptie niet op de nieuwe verkrijger/verhuurder is overgegaan. Hieruit blijkt dat de Hoge Raad nog steeds de lijn van de Hoge Raad uit 1923 volgt.

Afhankelijk van de omstandigheden kan bedoeld verband ook bestaan zonder dat de koopoptie min of meer direct is gekoppeld aan de hoogte van de huurprijs.

Dit blijkt uit de zeer recente uitspraak van het Hof Den Bosch van 29 januari jl. Het Hof oordeelde dat onder de omstandigheden van dit geval de huurprijs niet alleen afhankelijk was van de commerciële overwegingen, maar tevens sterk werd ingekleurd door de familieomstandigheden en overige afspraken. Hierbij speelde ook nog dat de oorspronkelijke contractanten niet meer konden verklaren over de totstandkoming en inhoud van hun afspraken. Op grond van voornoemde omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat de koopoptie niet teniet is gegaan bij de overgang van de gehuurde onroerende zaak op de opvolgend eigenaar/verhuurder. Met andere woorden de opvolgend eigenaar/verhuurder is gebonden aan de koopoptie.

Conclusie
De hoofdregel is dat de koopoptie niet overgaat als de commerciële huurprijs ziet op het gebruik en de contractanten geen nadere tegenprestatie hebben bedongen ten behoeve van de koopoptie. Uit het arrest van het Hof blijkt dat de overige omstandigheden van het geval kunnen leiden tot het overgaan van de koopoptie zonder dat dat is verdisconteerd in de huurprijs. Hoewel niet snel wordt aangenomen dat de koopoptie over is gegaan op de nieuwe eigenaar/verhuurder, kan de huurovereenkomst zo worden opgesteld dat de verhuurder/verkoper de verplichting op zich neemt om de koopoptie bij verkoop aan een derde over te dragen. Wij kunnen u hierbij van dienst zijn, neemt u gerust contact met ons op.

Auteur: Annemarie Wiesmeier-van der Brugge

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Aanbestedingsplicht van ziekenhuizen
Het vonnis d.d. 17 augustus 2007 (recent gepubliceerd) van de voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht is de eerste - gepubliceerde - uitspraak sinds de Hoge Raad in Amphia uitspraak deed over de aanbestedingsplicht van algemene ziekenhuizen. De voorzieningenrechter oordeelt over de aanbestedingsplichtigheid van de stichting Sint Antonius ziekenhuis (verder: "Ziekenhuis") onder zowel de regels van het oude als het nieuwe zorgstelsel, hoewel de discussie speelde onder het oude stelsel. De conclusie luidt eenduidig dat onder geen van beide stelsels sprake is van een aanbestedingsplicht.

Waar ging het om? In 2004 treedt het Ziekenhuis in onderhandeling met Q-Park om een parkeergarage te bouwen en te exploiteren. In augustus 2006 is er vervolgens een overeenkomst gesloten. Een concurrent van Q-Park (P1) hoort hiervan en stelt dat het Ziekenhuis onrechtmatig heeft gehandeld door de realisatie en exploitatie van de parkeergarage niet aan te besteden en spant een kort geding aan.

P1 stelt in deze procedure dat het Ziekenhuis als publiekrechtelijke instelling een aanbestedende dienst is en dus aanbestedingsplichtig. Nu het Ziekenhuis de opdracht niet heeft aanbesteed, vordert P1 dat het Ziekenhuis wordt verboden om een parkeervoorziening te realiseren totdat er wel een transparante aanbesteding heeft plaatsgevonden.

Het Ziekenhuis betwist een publiekrechtelijke instelling te zijn.

Om als publiekrechtelijke instelling te kwalificeren, moet er een sterke afhankelijkheid zijn van (eveneens) een publiekrechtelijke instelling.

Volgens de voorzieningenrechter is het Ziekenhuis geen publiekrechtelijke instelling en dus geen aanbestedende dienst omdat:
• het onvoldoende aannemelijk geworden dat de activiteiten van het Ziekenhuis in hoofdzaak - dus zonder specifieke tegenprestatie - worden gefinancierd door een publiekrechtelijke instelling.
• onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het Ziekenhuis onderworpen was aan toezicht van een aanbestedende dienst.
• geen van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van het Ziekenhuis benoemd zijn door een publiekrechtelijke instelling.

De rechter oordeelt tevens dat zijn oordeel niet anders zou zijn geweest als de zaak moest worden beoordeeld onder het nieuwe stelsel. Het per 1 januari 2006 in werking getreden zorgverzekeringsstelsel biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Zeker, omdat het huidige zorgstelsel juist meer marktwerking beoogt dan het oude zorgstelsel. Verder geldt dat in het huidige zorgstelsel de rol van de ziekenfondsen, die onder het oude zorgstelsel als publiekrechtelijke instelling werden aangemerkt, is overgenomen door private ziektekostenzorgverzekeraars. Het is de vraag of deze private zorgverzekeraars als een aanbestedende dienst in de zin van de richtlijn kunnen worden aangemerkt.

Auteur: Teije van Dijk

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Omzet verkoop vastgoed toch in btw-aftrekpercentage?
Onlangs is door het Europese Hof van Justitie ("Hof") bepaald dat de omzet van de verkoop van bepaalde investeringsgoederen meetelt bij de bepaling van de aftrek van btw op kosten. Voor vastgoedondernemers kan dit slecht nieuws zijn.

Achtergrond
Btw die aan een (vastgoed)ondernemer in rekening wordt gebracht, is aftrekbaar voorzover de kosten zien op btw-belaste activiteiten (btw-belaste verhuur). Btw op kosten, die zien op btw-vrijgestelde activiteiten (btw-vrijgestelde verhuur, financieringen), kan in principe niet in aftrek worden gebracht. Btw op algemene kosten, die niet direct kan worden toegerekend aan btw-belaste of btw-vrijgestelde activiteiten, kan in aftrek worden gebracht op basis van de verhouding tussen de btw-belaste en de btw-vrijgestelde prestaties. Hoewel men in de vastgoedpraktijk deze verhouding vaak bepaalt aan de hand van "vierkante-meters", zegt de hoofdregel eigenlijk dat dit op basis van omzet moet worden berekend (omzetsleutel: btw-belaste omzet gedeeld door de totale omzet).

Arrest leasemaatschappij
In de praktijk wordt er vanuit gegaan dat de verkoop van vastgoed, dat (voorheen) is verhuurd, niet in de omzetsleutel hoeft te worden meegenomen. Dit aangezien de Europese btw-richtlijn stelt dat voor het bepalen van de aftrek, de omzet met betrekking tot investeringsgoederen, welke door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming zijn gebruikt, buiten beschouwing wordt gelaten. Echter, in een recent arrest (Nordania Finans A/S) is door het Hof bepaald dat een leasemaatschappij de verkoopomzet van auto's wel moest opnemen in de omzetsleutel. De reden hiervoor is dat de verkoop van dergelijke voertuigen tot de gebruikelijke economische activiteiten van de leasemaatschappij behoort.

Gevolgen voor de praktijk
Omdat het vaak tot de gebruikelijke economische activiteit van een vastgoedondernemer behoort, om het door hem verhuurde vastgoed te verkopen, bestaat het risico dat deze omzet moet worden meegenomen in de omzetsleutel. Aangezien de verkoop van bestaand vastgoed meestal btw-vrijgesteld plaatsvindt, zal dit een negatief effect op het aftrekrecht van een vastgoedondernemer hebben.

Een mogelijke oplossing is het aftrekpercentage niet vast te stellen met de omzetsleutel, maar op basis van de vierkante-meterverhoudingen. Zoals opgemerkt, wordt deze methode in de praktijk al veel toegepast. Het is echter belangrijk om erbij stil te staan dat deze methode pas "mag" als de vastgoedondernemer aannemelijk kan maken dat dit "redelijker" is dan de omzetsleutel - en als hij een betrouwbaar beeld kan schetsen van het gebruik van het vastgoed.

Auteurs: Rendall Hofman, Peter van Peperstraten en Kelvin Hulsebos (Deloitte)

Inhoudsopgave