Europees en Mededingingsrecht - mei 2008

Hoop of valse hoop? De invoering van de Wmo heeft voor de nodige opschudding gezorgd. Thuiszorgmedewerkers worden ontslagen, gemeenten worden beschuldigd van het oppotten van zorggeld en de hulpbehoevende verliest zijn vertrouwde hulp.

Terwijl de overheid discussieert over de problemen, hakt de rechter de knoop door. In een opmerkelijke zaak bepaalt de kort geding rechter te Alkmaar dat de thuiszorgaanbieder niet alleen hoeft op te draaien voor de gevolgen van de Wmo. De Gemeente moet de zorgaanbieder tegemoet komen door tijdelijk de extra geleverde uren voor een hoger tarief te vergoeden. Vraag is nu of zorgaanbieders gemeenten kunnen dwingen een vergoeding te betalen voor de (onverwachte) verschuiving van HV2 naar HV1. De gevolgen van de uitspraak zijn minder drastisch dan ze in eerste instantie lijken. 

Feiten
Na een aanbesteding voor huishoudelijke verzorging wordt door de Gemeente Hoorn een overeenkomst gesloten met een aantal zorgaanbieders, waaronder de grootste aanbieder: Stichting Omring. In de overeenkomst wordt huishoudelijke verzorging (zoals gebruikelijk) onderscheiden in eenvoudige zorg (HV1) en gespecialiseerdere zorg (HV2).

In 2008 vraagt de Gemeente 200.000 uren HV1 te leveren in plaats van het overeengekomen maximum van 31.324 uren. Voor de te leveren uren boven het maximum wil de Gemeente twee euro extra per uur betalen. Hieraan verbindt de Gemeente onder andere de voorwaarde dat er geen wachtlijsten mogen zijn. Stichting Omring gaat hier niet mee akkoord. Door de verschuiving van HV2 naar HV1 wordt de Stichting Omring gedwongen gespecialiseerde HV2-hulpen met een hoger uurtarief inzetten voor HV1 uren. Dit leidt tot een verlies van €7,95 per uur en €40.000 per maand. De Stichting komt hierdoor in financiële moeilijkheden en start een kort geding tegen de Gemeente. Ze vordert dat de extra geleverde HV1 uren worden vergoed op basis van het uurtarief van HV2.

Centraal in deze zaak staan twee vragen. Is de verschuiving van HV2 naar HV1 uren onvoorzienbare omstandigheid? Zo ja, wie draaien (in welke mate) hier voor op? Indien sprake is van onvoorzienbare omstandigheden, kan de overeenkomst tussen de Gemeente en de Stichting door de rechter worden gewijzigd.

Oordeel van de rechter
De rechter bepaalt dat inderdaad sprake is van onvoorzienbare omstandigheden, aangezien partijen niet een zodanige verschuiving hadden verwacht. Ook al had de Gemeente in het bestek opgenomen dat ze streeft naar een gedeeltelijke verschuiving van HV2 naar HV1. Uit een notitie van de Gemeente en een verklaring ter zitting blijkt dat ze niet had verwacht dat deze verschuiving zo omvangrijk zou zijn. Ook de Stichting had dit niet verwacht aangezien zij normaliter rond de 40.000 uren HV1 leverde. De rechter beslist dat het niet redelijk is om de overeenkomst ongewijzigd in stand te laten. De gevolgen van de verschuiving zouden niet slechts voor rekening van de Stichting Omring moeten komen.

De Gemeente stelt echter dat een wijziging van de overeenkomst moet leiden tot een nieuwe aanbestedingsprocedure, omdat de verhoging van de tarieven een wezenlijke wijziging in de overeenkomst is en daardoor in feite een nieuwe opdracht. Volgens de Gemeente moet deze opdracht worden aanbesteed. De rechter bepaalt echter dat er geen nieuwe aanbesteding hoeft plaats te vinden, aangezien het de Stichting Omring is die het initiatief neemt om de overeenkomst te wijzigen. Als de Gemeente het initiatief had genomen, had dit volgens de rechter wel tot een nieuwe aanbesteding geleid.

De rechter komt uiteindelijk tot het oordeel dat de Gemeente voor de te leveren HV1 uren boven het overeengekomen maximum het uurtarief van HV2 moet betalen. Maar deze maatregel is beperkt tot 6 maanden, omdat niet alle onvoorziene gevolgen hoeven te worden gedragen door de Gemeente. Bovendien is de maatregel genomen zodat de Stichting de gevolgen van de verschuiving kan 'overleven'.

Commentaar
a) Onvoorzienbare omstandigheden
Is de verschuiving van HV2 naar HV1 een onvoorzienbare omstandigheid? De wet spreekt van onvoorzienbare omstandigheden als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet kan worden verwacht. De verwachtingen van de partijen bij de overeenkomst zijn doorslaggevend voor de voorzienbaarheid van de omstandigheden. Met andere woorden konden partijen verwachten dat sprake zou zijn van een dergelijke omvangrijke verschuiving van HV2 naar HV1. De rechter bepaalt van niet. Het was de algemene verwachting dat door de invoering van de Wmo een verschuiving van Hv2 naar HV1 zou plaatsvinden door marktwerking en het aanbesteden. Het was echter niet te verwachten dat een verschuiving zou plaatsvinden in die omvang. Doordat de Gemeente gebonden is aan een overeenkomst, mag een private partij verwachten dat gedurende de looptijd de overheid het beleid niet zodanig aanpast dat er negatieve gevolgen zijn voor de private partij. Het opgenomen maximum HV1 en HV2 zorg door de Gemeente wekt de verwachting dat de te leveren zorg niet nadelig zal veranderen.

b) Vergoeding zorgaanbieder?
Betekent deze uitspraak dat iedere zorgaanbieder een vergoeding kan vragen aan de rechter voor de verschuiving van HV2 naar HV1? Nee, dat zal per overeenkomst verschillen. In veel overeenkomsten zijn bijvoorbeeld geen afspraken gemaakt over het maximaal te leveren thuiszorg. Ook speelt een grote rol in deze zaak dat Stichting Omring door de verschuiving het niet zal 'overleven'. Ernstige financiële gevolgen lijken een voorwaarde te zijn voor de rechter om een vergoeding toe te wijzen.  Bovendien is de toewijzing van de vordering vooral afhankelijk van de verwachtingen partijen. Deze zullen per geval verschillen. Thuiszorgaanbieders die een vergoeding willen vragen, moeten erop bedacht zijn dat dit de gemeente kan uitlokken om zelf het contract openbreken (met het risico van een schade plicht) en gaan heraanbesteden.

c) Aanbestedingsrecht
De uitspraak van de rechter is opmerkelijk. Een wijziging van de overeenkomst die is gesloten tijdens een aanbestedingsprocedure normaliter leidt normaliter tot het beëindigen van de overeenkomst en daarna een nieuwe aanbesteding met nieuwe criteria. Wie het initiatief neemt tot wijzigen, maakt derhalve niets uit. Wanneer de wijziging vooraf bekend was, hadden concurrerende zorgaanbieders wellicht anders ingeschreven. Dat zal vrijwel zeker het geval zijn indien de vergoeding voor de dienstverlening omhoog gaat of bepaalde risico's worden weggenomen. Bovendien hadden zorgaanbieders die zich destijds helemaal niet hebben ingeschreven misschien wel ingeschreven. Door een opdracht niet opnieuw aan te besteden, wordt dus het gelijkheidbeginsel geschonden. Het wijzigen van een overeenkomst lijkt te moeten leiden tot een nieuwe aanbesteding. In het hoger beroep zal de rechter hier meer duidelijkheid over moeten verschaffen.

 


« Terug naar het overzicht