Arbeidsrecht - september 2009

Hierbij ontvangt u de digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD. De nieuwsbrief verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief  

  • Afspiegelingsbeginsel gewijzigd: een werknemer is sneller onmisbaar
    In een reorganisatie geldt voor het bepalen van de ontslagvolgorde het afspiegelingsbeginsel. Dit kan tot gevolg hebben dat u van een werknemer afscheid moet nemen, terwijl u die werknemer liever had willen behouden omdat hij of zij moeilijk kan worden gemist. In het kader van de huidige economische crisis is de mogelijkheid om voor onmisbare werknemers af te wijken van het afspiegelingsbeginsel tijdelijk verruimd. » lees verder

  • ABC of XYZ?
    De ontslagvergoeding als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging vormt deze zomer een actueel onderwerp in de rechtspraak. Over de berekening van de hoogte hiervan hebben de Gerechtshoven Amsterdam, 's-Hertogenbosch en Arnhem op 7 juli 2009 interessante uitspraken gedaan. Zij hanteerden in deze zaken voor het eerst een nieuwe berekeningsmethode: de zogenoemde 'XYZ-formule'. » lees verder Kledingvoorschriften versus geloofsovertuiging
    Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van een werkneemster ontbonden die vanwege haar geloofsovertuiging een (terecht) opgelegd kledingvoorschrift van de werkgever niet wilde opvolgen. » lees verder

  • Kledingvoorschriften versus geloofsovertuiging
    Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van een werkneemster ontbonden die vanwege haar geloofsovertuiging een (terecht) opgelegd kledingvoorschrift van de werkgever niet wilde opvolgen.
    » lees verder

  • Het concurrentiebeding in de vaststellingsovereenkomst: opnemen of niet?
    Wanneer in de arbeidsovereenkomst van de werknemer een geldig concurrentiebeding is opgenomen, doet u er als werkgever goed aan dit concurrentiebeding te herhalen in de vaststellingsovereenkomst bij een beëindiging met wederzijds goedvinden. Het gebeurt vaker dat werkgevers - om discussie uit de weg te gaan -niets over de gebondenheid van de werknemer aan zijn concurrentiebeding in de vaststellingsovereenkomst opnemen. Het Hof oordeelde recentelijk dat een werkgever die dit onderwerp uit de weg was gegaan en vervolgens de werknemer wilde aanspreken op het overtreden van zijn concurrentiebeding, geen poot had om op te staan. » lees verder

  • Tijdregistratiesysteem: Big Brother is watching?
    KLM wenst over te gaan tot de invoering van een nieuw tijdregistratiesysteem voor één van haar bedrijfsonderdelen. KLM stelt zich daarbij op het standpunt dat het huidige activiteitenregistratiesysteem niet meer voldoet aan de normen van deze tijd. De Ondernemingsraad weigert instemming. KLM stapt naar de rechter voor vervangende toestemming. » lees verder


............................................................................................................................................................................

Afspiegelingsbeginsel gewijzigd: een werknemer is sneller onmisbaar
In een reorganisatie geldt voor het bepalen van de ontslagvolgorde het afspiegelingsbeginsel. Dit kan tot gevolg hebben dat u van een werknemer afscheid moet nemen, terwijl u die werknemer liever had willen behouden omdat hij of zij moeilijk kan worden gemist. In het kader van de huidige economische crisis is de mogelijkheid om voor onmisbare werknemers af te wijken van het afspiegelingsbeginsel tijdelijk verruimd.
 
Onmisbaarheidscriterium
Tot voor kort was in het Ontslagbesluit geregeld dat het UWV Werkbedrijf (UWV) een werknemer bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel buiten beschouwing kon laten, indien de werkgever aannemelijk maakte dat de desbetreffende werknemer over zodanige bijzondere kennis of bekwaamheden beschikte, dat zijn ontslag voor het functioneren van de onderneming te bezwaarlijk zou zijn. Het UWV had een discretionaire bevoegdheid om het beroep van de werkgever op deze afwijkingsgrond al dan niet te honoreren. Het UWV was daartoe niet verplicht. De praktijk was dat deze uitzondering zeer restrictief werd toegepast.
 
De mogelijkheid om van het afspiegelingsbeginsel af te wijken is sinds 1 augustus 2009 tijdelijk verruimd. De verruiming geldt in beginsel tot 1 september 2011. De maatregel stelt werkgevers in staat werknemers te behouden waarvan zij menen dat deze werknemers voor het functioneren van de onderneming zowel tijdens als na de crisis, als de bedrijvigheid weer toeneemt, van zodanig belang zijn dat ontslag van deze werknemers moet worden voorkomen.
 
Wanneer van de mogelijkheid tot afwijking gebruik wordt gemaakt, heeft dat tot gevolg dat de eerstvolgende werknemer in de betreffende leeftijdscategorie voor ontslag zal worden voorgedragen. Als binnen de leeftijdsgroep geen eerstvolgende werknemer (meer) aanwezig is, moet worden vastgesteld in welke andere leeftijdsgroep de eerstvolgende dan voor ontslag voor te dragen werknemer zit.
 
Verandering
Wat is er precies veranderd? Tot 1 augustus 2009 kon het UWV een beroep op het onmisbaarheidscriterium honoreren. In het huidige Ontslagbesluit is het onmisbaarheidscriterium zo geformuleerd dat het UWV een beroep daarop honoreert, mits de werkgever aan een aantal voorwaarden voldoet. Allereerst moet de werkgever aannemelijk maken dat een werknemer over zodanige kennis en bekwaamheden beschikt dat zijn ontslag voor het functioneren van de onderneming bezwaarlijk zou zijn.
 
Daarnaast kan de mogelijkheid tot afwijking alleen worden toegepast als de werkgever een duidelijk bestendig beleid voert, waaruit blijkt dat aan werknemers eisen worden gesteld wat betreft het verwerven van kennis en bekwaamheden voor het verrichten van de werkzaamheden in het kader van de categorie uitwisselbare functies waarbinnen arbeidsplaatsen komen te vervallen. Bestendig wil zeggen dat een dergelijk beleid gedurende een redelijke termijn moet hebben gegolden alvorens een beroep op de afwijkingsmogelijkheid kan worden gedaan.
 
Tot slot moet worden voorkomen dat toepassing van de mogelijkheid tot afwijking van het afspiegelingsbeginsel er toe leidt dat een werkgever bovenmatig meer jongere of oudere werknemers voor ontslag voordraagt. Dit is ingegeven door hun in de regel zwakkere arbeidsmarktpositie. Om die reden is bepaald dat toepassing van de afwijkingsmogelijkheid er niet toe mag leiden dat door de werkgever meer werknemers in de leeftijdscategorieën van 15 tot 25 jaar en van 55 jaar en ouder voor ontslag worden voorgedragen dan zonder toepassing van de afwijkingsmogelijkheid het geval zou zijn. De werkgever mag maximaal 10% meer werknemers in deze leeftijdscategorieën voor ontslag in aanmerking brengen dan op grond van het afspiegelingsbeginsel het geval zou zijn, zij het met een minimum van één werknemer.
 
Tot slot
Uit de wijze waarop de nieuwe afwijkingsmogelijkheid is geformuleerd, lijkt te kunnen worden opgemaakt dat - mits aan de voorwaarden is voldaan - een beroep op het onmisbaarheidscriterium sneller wordt gehonoreerd. Het is dus een regeling die u moet onthouden. Wellicht komt de regeling u van pas bij een (komende) reorganisatie.
 
Voor meer informatie over reorganisaties, zie onze website.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

ABC of XYZ?
De ontslagvergoeding als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging vormt deze zomer een actueel onderwerp in de rechtspraak. Over de berekening van de hoogte hiervan hebben de Gerechtshoven Amsterdam, 's-Hertogenbosch en Arnhem op 7 juli 2009 interessante uitspraken gedaan. Zij hanteerden in deze zaken voor het eerst een nieuwe berekeningsmethode: de zogenoemde 'XYZ-formule'.
 
Kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag?
De desbetreffende arresten zijn van belang in de al lopende discussie over de vraag of schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag volgens dezelfde formule zou moeten worden begroot als de vergoeding in een ontbindingsprocedure - namelijk volgens de kantonrechtersformule van de Kring van Kantonrechters of juist niet. In toenemende mate werd de kantonrechtersformule ook bij de bepaling van de schadevergoeding in kennelijk onredelijk ontslagprocedures gehanteerd. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in oktober 2008 dat deze formule diende te worden toegepast, zij het verminderd met 30% (zie onze nieuwsbrief van maart 2009).
 
Kantonrechtersformule
Via de kantonrechtersformule wordt de hoogte van de vergoeding bepaald volgens de formule A x B x C. Hierbij staat A voor het gewogen aantal dienstjaren, B voor de beloning en C voor de correctiefactor. Per 1 januari 2009 telt het aantal dienstjaren tot de leeftijd van 35 jaar voor 0,5, de dienstjaren tussen 35 en 45 jaar voor 1, de jaren tussen 45 en 55 jaar voor 1,5 en alle jaren die een werknemer na het 55e levensjaar heeft gewerkt tellen voor 2.
 
XYZ-formule
Bij de hof-arresten van deze zomer werden de werkgevers veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan hun werknemers omdat de rechters de opzegging, gelet op de gevolgen daarvan voor de werknemers, kennelijk onredelijk achtten. De Hoven Amsterdam, Den Bosch en Arnhem volgden daarbij niet de lijn van het Hof Den Haag, maar gooiden het over een andere boeg. De hoogte van de aan de werknemer toe te kennen vergoeding dient volgens deze hoven namelijk te worden begroot aan de hand van een nieuwe formule: X (aantal gewogen dienstjaren) x Y (laatstverdiende maandsalaris) x Z (correctiefactor). In de Z-factor worden alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag gewogen, waarbij het uitgangspunt is dat Z maximaal 0,5 is. Slechts in bijzondere gevallen kan de Z-factor hoger uitvallen. Ook geldt - overigens net als bij de kantonrechtersformule - dat de schadevergoeding in beginsel niet hoger zal zijn dan de inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. De dienstjaren voor de X-factor worden op gelijke wijze gewogen als bij de oude kantonrechtersformule. Zo tellen de dienstjaren voor het 40e levensjaar voor 1, van het 40e tot het 50e levensjaar voor 1,5 en vanaf het 50e levensjaar voor 2.
 
Interessant genoeg wees het Gerechtshof te Den Haag, ook op 7 juli 2009, in een andere kennelijk onredelijk ontslagzaak, op een arrest. Daaruit bleek dat dit Hof vasthoudt aan diens lijn van de in oktober 2008 gewezen arresten, te weten de kantonrechtersformule verminderd met 30%.
 
Onduidelijk
Na de hof-arresten van juli 2009 is er, in plaats van meer eenheid, juist meer onduidelijkheid ontstaan over de wijze waarop een vergoeding in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure wordt berekend. Door weer een nieuwe formule te introduceren, is het er wat ons betreft niet beter op geworden. Tegen een van de arresten van het Hof Den Haag van oktober 2008 is inmiddels cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal zich dus binnenkort uit dienen te laten over de vergoeding in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure. We wachten met spanning af en houden u uiteraard op de hoogte.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................ 

Kledingvoorschriften versus geloofsovertuiging
Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van een werkneemster ontbonden die vanwege haar geloofsovertuiging een (terecht) opgelegd kledingvoorschrift van de werkgever niet wilde opvolgen.
 
Korte mouwen verplicht
De werkneemster werkte als verpleegkundige op de nierdialyseafdeling van een ziekenhuis. Vanwege infectiegevaar is het voor het verplegend personeel van deze afdeling verplicht om bedrijfskleding met korte mouwen te dragen. De werkneemster heeft aangegeven niet aan dit kledingsvoorschrift te kunnen voldoen, omdat dat in strijd is met haar geloofsovertuiging. Vanwege haar islamitische geloofsovertuiging is zij namelijk verplicht haar armen, inclusief de onderarmen, zoveel mogelijk te bedekken. Om deze reden heeft zij de werkgever gevraagd om onder de bedrijfskleding lange of driekwart mouwen te mogen dragen.
 
De werkgever heeft het verzoek onderzocht en heeft meerdere (externe) adviezen ingewonnen. Uit de adviezen kwam naar voren dat vanwege de hygiëne moet worden vastgehouden aan bedrijfskleding met korte mouwen. De werkgever heeft vervolgens mogelijke alternatieven onderzocht - zoals het dragen van overschorten met lange mouwen tijdens patiëntencontacten - maar deze alternatieven zijn (voor beide partijen) niet bruikbaar gebleken.
 
Werkneemster weigert
Aangezien de werkneemster bleef weigeren om de bedrijfskleding met korte mouwen te dragen, heeft de werkgever haar de patiëntgebonden werkzaamheden op de dialyseafdeling ontnomen. De werkgever heeft de werkneemster vervolgens tewerkgesteld op een andere afdeling waar bedrijfskleding met korte mouwen niet verplicht is. De werkneemster heeft hiertegen geprotesteerd en liet duidelijk blijken - onder meer door zich vaak ziek te melden - dat zij niet gemotiveerd was om op deze afdeling te werken. Er ontstond een arbeidsconflict waarop de werkneemster zich volledig (situationeel) arbeidsongeschikt meldde. De werkgever heeft vervolgens om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht op grond van een verstoorde arbeidsrelatie.
 
Ontbinding en vergoeding
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, omdat ook de werkneemster van mening is dat de vertrouwensbasis tussen partijen blijvend is komen te ontbreken. Bij de bepaling van de vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De werkgever heeft terecht en op goede gronden vastgehouden aan naleving van het kledingvoorschrift. De inbreuk die de werkgever met dit voorschrift maakt op het grondrecht van de werkneemster om zich overeenkomstig haar geloofsovertuiging te kleden, is gerechtvaardigd en proportioneel in het licht van het doel van het voorschrift (het minimaliseren van infectierisico's). De kantonrechter passeert de stelling van de werkneemster dat het kledingvoorschrift binnen andere verpleegafdelingen niet onverkort wordt toegepast, omdat het infectierisico op de dialyseafdeling vele malen groter is dan op andere verpleegafdelingen. De kantonrechter verwijt de werkgever wel dat er een onduidelijke situatie is ontstaan doordat hij binnen de gehele organisatie geen eenduidig beleid voert ten aanzien van het naleven van de kledingvoorschriften. Door dit niet eenduidige beleid zijn bij de werkneemster gevoelens van willekeur ontstaan. Anderzijds had van de werkneemster meer begrip verwacht mogen worden voor de belangen van de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat per saldo sprake is van een neutrale ontbinding en kent de werkneemster een vergoeding toe van 8.500 euro bruto.
 
Tot slot
In dit geval is de afweging van het belang van de werkgever bij het kledingvoorschrift tegen het belang van de werkneemster bij het niet voldoen aan dit voorschrift neutraal uitgekomen. In deze afweging wordt door de kantonrechter aan twee punten veel waarde gehecht: het niet eenduidige beleid van de werkgever en het feit dat de werkgever eerst de alternatieven heeft onderzocht en aangeboden voordat beëindiging van het dienstverband werd nagestreefd. Indien er binnen uw organisatie kledingvoorschriften gelden is het dan ook van belang dat op het naleven hiervan binnen het gehele bedrijf op gelijke wijze wordt toegezien. Daarbij kunt u in een geval als hierboven omschreven niet te snel overgaan tot beëindiging van het dienstverband, maar zult u eerst moeten onderzoeken of er alternatieve oplossingen voorhanden zijn.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Het concurrentiebeding in de vaststellingsovereenkomst: opnemen of niet?
Wanneer in de arbeidsovereenkomst van de werknemer een geldig concurrentiebeding is opgenomen, doet u er als werkgever goed aan dit concurrentiebeding te herhalen in de vaststellingsovereenkomst bij een beëindiging met wederzijds goedvinden. Het gebeurt vaker dat werkgevers - om discussie uit de weg te gaan - niets over de gebondenheid van de werknemer aan zijn concurrentiebeding in de vaststellingsovereenkomst opnemen. Het Hof oordeelde recentelijk dat een werkgever die dit onderwerp uit de weg was gegaan en vervolgens de werknemer wilde aanspreken op het overtreden van zijn concurrentiebeding, geen poot had om op te staan.
 
Het betrof in deze zaak een werknemer die als vertegenwoordiger bij de werkgever in dienst was. In de tussen de werkgever en de werknemer overeengekomen arbeidsovereenkomst was een geheimhoudingsbeding, een concurrentiebeding en een boetebeding opgenomen.
 
De werknemer was enige tijd later arbeidsongeschikt geraakt. Partijen hadden vervolgens besloten de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. De overeengekomen afspraken omtrent de beëindiging werden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In deze overeenkomst werd het geheimhoudingsbeding opnieuw opgenomen en werd voorts vermeld dat partijen elkaar verder over en weer finale kwijting verleenden. Korte tijd daarna trad de werknemer als vertegenwoordiger in dienst van een directe concurrent van de oude werkgever. Hierop is tussen partijen een geschil ontstaan over de geldigheid van het concurrentiebeding en over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst.
 
De werknemer heeft vervolgens in rechte gevorderd de werkgever te verbieden hem aan dit concurrentiebeding te houden. In de ogen van de werknemer was hij immers niet gebonden aan een concurrentiebeding. De kantonrechter heeft de vorderingen van de werknemer toegewezen.
 
In hoger beroep nam de oude werkgever het standpunt in dat hij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet de intentie heeft gehad afstand te doen van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. De werknemer had dit ook niet zo mogen begrijpen, aldus de werkgever. Over het concurrentiebeding werd tijdens het gesprek over de beëindigingsvoorwaarden niet gesproken. Volgens hem zag de vaststellingsovereenkomst enkel op de financiële afwikkeling van het dienstverband.
 
Naar het oordeel van het hof had de werknemer - gelet op de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst en de overige omstandigheden van het geval - mogen begrijpen dat partijen volledig afscheid van elkaar hadden genomen en dat dit meebracht dat de oude werkgever geen beroep meer zou kunnen en mogen doen op het concurrentiebeding! Zo werd in de bepaling omtrent de finale kwijting herhaald dat partijen ook op het punt van mogelijke rechten en verplichtingen juridisch en feitelijk van elkaar afscheid namen. Daarbij speelde ook een rol dat het geheimhoudingsbeding wél in de vaststellingsovereenkomst werd herhaald en dat er naast de financiële bepalingen wel een regeling werd getroffen over het getuigschrift. Ook had de werknemer geen juridische bijstand, terwijl werkgever onderdeel uitmaakte van een grote professionele organisatie. Daarnaast speelde een rol dat de werknemer bij het overeenkomen van de vaststellingsovereenkomst volledig arbeidsongeschikt was. Al deze omstandigheden brachten mee dat de werkgever er voor had moeten zorgen dat er geen enkele onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over wat wel en wat niet viel onder de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting.
 
Conclusie
Het opzettelijk niet vermelden van de gebondenheid van de werknemer aan het (geldige) concurrentiebeding kwam dus in deze zaak voor rekening en risico van werkgever. Wanneer u als werkgever de werknemer na de beëindiging van zijn dienstverband wilt houden aan zijn concurrentiebeding, doet u er goed aan dit ook uitdrukkelijk op te nemen in de vaststellingsovereenkomt. Op die manier vermijd je misverstanden omtrent de gebondenheid van de werknemer aan dit concurrentiebeding en de geldigheid ervan.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Tijdregistratiesysteem: Big Brother is watching?
KLM wenst over te gaan tot de invoering van een nieuw tijdregistratiesysteem voor één van haar bedrijfsonderdelen. KLM stelt zich daarbij op het standpunt dat het huidige activiteitenregistratiesysteem niet meer voldoet aan de normen van deze tijd. De Ondernemingsraad weigert instemming. KLM stapt naar de rechter voor vervangende toestemming.
 
Feiten
VO-H, een nieuw onderdeel binnen KLM, verricht onderhoudsactiviteiten aan eigen vliegtuigen en die van derden. Het onderhoud wordt verricht in verschillende hangars. Het inplannen van onderhoud vindt plaats aan de hand van taakkaarten. De planning van een totale onderhoudsbeurt wordt gemaakt aan de hand van de voorcalculatie van de Cost Engineer. In juli 2007 heeft KLM de Ondernemingsraad (OR) verzocht in te stemmen met het voorgenomen besluit tot ingebruikneming van een geautomatiseerd systeem van activiteitenregistratie (registratie van de feitelijke duur van onderhoudsactiviteiten door medewerkers). In september 2007 weigert de OR zijn instemming. Het voornaamste bezwaar vanuit de OR is dat, indien er wordt overgegaan tot invoering van het voorgestelde tijdregistratiesysteem, de tijdregistratie te herleiden is tot individuele medewerkers. De OR stelt dat de tijdsverantwoording in de door KLM voorgenomen vorm zich derhalve niet verhoudt tot de Wet Bescherming Persoonsgegevens.
 
Bedrijfscommissie
Partijen leggen de zaak vervolgens aan de Bedrijfscommissie voor, die op haar beurt een mediator voorstelt. Nadat de voorgestelde bemiddeling door een mediator niet tot een voor beide partijen bevredigend resultaat heeft geleid, stapt KLM naar de kantonrechter voor vervangende toestemming.
 
Standpunten
KLM stelt dat het doel van het nieuwe registratiesysteem is om een beter inzicht te krijgen in de tijd die nodig is voor onderhoud en reparatie. Met de invoering van het nieuwe systeem is het mogelijk om een goede kostprijscalculatie te maken en de voortgang beter te bewaken. Ter invoering van het nieuwe geautomatiseerde systeem dient het personeel zich persoonlijk te registreren. Vanaf dan kan het doen en laten van het personeel (inderdaad) online gevolgd worden. Daar wringt volgens de OR de schoen. Het nieuwe systeem kan namelijk, volgens de OR, gebruikt worden om personeel te schaduwen en de mogelijkheid bestaat dat zij de normtijd terugzien bij hun beoordelingsgesprek. Ondanks dat de KLM een gedragscode heeft opgesteld waarin extra waarborgen voor het personeel opgenomen zijn, blijft de OR van mening dat er geen (vervangende) instemming aan het voorgenomen besluit dient te worden gegeven.
 
Kantonrechter
De Kantonrechter Amsterdam is van mening dat het huidige systeem inderdaad achterhaald is en dat KLM er mede door haar concurrentiepositie belang bij heeft dat haar registratiesysteem voldoet aan de eisen van deze tijd. Ook is de kantonrechter het met KLM eens dat de mogelijkheid om het systeem anoniem in te voeren geen optie is. Immers, controle op de naleving is noodzakelijk en bij anonimiseren is controle niet goed uitvoerbaar. De kantonrechter is het gedeeltelijk met de OR eens dat de vrees voor personele consequenties niet geheel onterecht is. De kantonrechter vindt echter dat de geboden gedragscodes voldoende garanties bieden tegen 'misbruik'. Doordat de gedragscodes in de handhavingwaarborgen zijn opgenomen en zo nodig in rechte afdwingbaar zijn is de kantonrechter van mening dat de KLM aan het belangrijkste argument van de OR tegemoet is gekomen. Kortom, de kantonrechter vindt de argumenten voor het invoeren van het nieuwe tijdsregistratiesysteem door KLM zwaarder wegen dan de argumenten van de OR. De kantonrechter verleent dan ook vervangende toestemming en beslist hiermee dat de weigering voor de instemming onredelijk is.
 
Tot slot
De Wet op de Ondernemingsraden (WOR) bepaalt expliciet dat de OR instemming dient te verlenen aan besluiten die zien op personeelscontrolesystemen. De ratio hierachter is evident. Immers, het 'volgen' van personeel raakt de schending van privacy en de gevolgen voor het personeel kunnen verstrekkend zijn. Deze uitspraak is in die zin dan ook opmerkelijk. Ondanks expliciete weigering van de OR krijgt KLM, na verleende toestemming van de kantonrechter, de mogelijkheid om een tijdregistratiesysteem in te voeren. De kantonrechter heeft de belangenafweging in het voordeel van KLM laten uitvallen, waarbij expliciet geoordeeld is dat er voldoende waarborgen zijn gegeven om 'misbruik' tegen te gaan. Desalniettemin, bij VO-H geldt sinds kort: Big brother is watching!
 
Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen en relevante uitspraken op het gebied van medezeggenschap? Lees dan onze nieuwsbrief met actuele artikelen.

Inhoudsopgave