Arbeidsrecht - september 2008

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief

  • Kleine verkeersboetes toch verhaalbaar
    De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een werkgever een verkeersboete voor een kleine verkeersovertreding kan verhalen op de betreffende werknemer. Hiermee vernietigt de Hoge Raad de geruchtmakende uitspraak van het Hof Den Haag uit 2006.» lees verder

  • Discriminatie bij sollicitaties
    Een sollicitant afwijzen enkel omwille van zijn buitenlands klinkende achternaam levert een onderscheid op grond van ras op en is dus verboden. Bij twijfel omtrent de beweegredenen van de werkgever bij afwijzing zal al snel de bewijslast op de schouders van de werkgever terechtkomen. Dit blijkt ook uit een uitspraak van de Rechtbank Den Bosch van 28 juli 2008.» lees verder

  • Werkgever: denk aan de tewerkstellingsvergunning!
    Op grond van de Wet arbeid vreemdelingen dient een werkgever die een vreemdeling in Nederland arbeid laat verrichten over een tewerkstellingsvergunning voor deze vreemdeling te beschikken. Daarnaast dient de werkgever te beschikken over geldige identiteitspapieren. Het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning of een geldig identiteitsbewijs kan leiden tot hoge boetes. Dit blijkt maar weer eens uit een uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 30 juli 2008. » lees verder

  • Verruiming toepassingsgebied discriminatieverbod
    Niet alleen een chronisch zieke of gehandicapte zelf, maar ook derden kunnen een beroep doen op het discriminatie- en intimidatieverbod uit de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Dit blijkt uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. » lees verder

  • Vergaande zorgplicht voor de werkgever
    Op de werkgever rust een vergaande zorgplicht voor de veiligheid van de werknemer. Dat blijkt maar weer eens uit een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2008. In deze zaak werd de werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade die de werknemer had geleden als gevolg van het uitglijden in een plas water. »lees verder

............................................................................................................................................................................

Kleine verkeersboetes toch verhaalbaar
De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een werkgever een verkeersboete voor een kleine verkeersovertreding kan verhalen op de betreffende werknemer. Hiermee vernietigt de Hoge Raad de geruchtmakende uitspraak van het Hof Den Haag uit 2006.

Een chauffeur van TPG Post had tijdens werktijd met een auto van TPG Post drie verkeersovertredingen begaan: tweemaal een overschrijding van de maximumsnelheid met minder dan 10 kilometer per uur en eenmaal een overschrijding met meer dan 10 kilometer per uur. De verkeersboetes die voor deze overtredingen werden opgelegd kwamen terecht bij TPG Post, omdat op grond van de Wet Mulder de boete wordt opgelegd aan de kentekenhouder indien de bestuurder niet direct te identificeren is. Het beleid van TPG Post ten aanzien van verkeersboetes is dat deze voor rekening van de werknemer komen. TPG Post heeft de verkeersboetes dan ook verhaald op de werknemer.

De werknemer is vervolgens een procedure gestart waarin hij terugbetaling van de boetes vordert. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Bij het Hof Den Haag had de werknemer meer succes. Het hof oordeelde dat verkeersboetes niet op werknemers verhaald kunnen worden, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Volgens het hof is pas sprake van opzet of bewuste roekeloosheid indien de werknemer 10 kilometer of meer te hard heeft gereden. Bij verkeersboetes die zien op een overschrijding van de maximumsnelheid van minder dan 10 kilometer per uur is er volgens het hof geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid en kan de werkgever de boete niet verhalen op de werknemer.

De uitspraak van het hof deed destijds veel stof opwaaien en bracht voor zowel werknemers als werkgevers onzekerheid. De grens van een overschrijding van 10 kilometer per uur leek uit de lucht gegrepen en de vraag was dan ook hoe nauw deze grens genomen diende te worden. Daarbij stelden zowel werknemers als werkgevers zich de vraag hoe de redenering van het hof met betrekking tot opzet en bewuste roekeloosheid kon worden toegepast op verkeersboetes voor bijvoorbeeld foutparkeren.

Gelukkig heeft de Hoge Raad nu duidelijkheid geschept. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en heeft geoordeeld dat de werkgever als kentekenhouder, ten aanzien van zowel grote als kleine verkeersboetes, in beginsel wel verhaalsrecht heeft op de werknemer. De Hoge Raad overwoog hierbij als volgt. De kentekenhouder kon voorheen aan een boete ontkomen door de identiteit van de bestuurder bekend te maken. De wetgever heeft geenszins beoogd de kentekenhouder deze mogelijkheid geheel te ontnemen en hem voortaan te treffen met een boete zonder de mogelijkheid dat het betaalde bedrag verhaalbaar is op de hem bekende bestuurder. Tevens overwoog de Hoge Raad het volgende: indien zou worden aangenomen dat er geen verhaalsrecht is bij (kleine) verkeersboetes, zou er een niet te verklaren onderscheid ontstaan tussen werknemers met een eigen auto en werknemers met een bedrijfsauto. De werknemers die onder werktijd met hun eigen auto een verkeersboete krijgen opgelegd zouden als kentekenhouder deze boete zelf moeten betalen, terwijl werknemers die met een bedrijfsauto een verkeersovertreding begaan deze boete niet zouden hoeven betalen omdat de werkgever (als kentekenhouder) de boete opgelegd krijgt.

In de uitspraak wijst de Hoge Raad er nog wel op dat onder bijzondere omstandigheden de werkgever zijn verhaalsrecht mogelijk niet kan uitoefenen. Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de werkgever het begaan van de betreffende overtreding heeft bevorderd door extreem strakke tijdsschema's te voeren die enkel gehaald kunnen worden wanneer de werknemer de maximumsnelheid overtreedt. 

U kunt opgelucht ademhalen, nu ons hoogste rechtsorgaan de onzekerheid omtrent het verhaal van verkeersboetes op werknemers uit de lucht heeft gehaald. U kunt, behoudens bijzondere omstandigheden, de boetes verhalen op uw werknemers.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Discriminatie bij sollicitaties
Een sollicitant afwijzen enkel omwille van zijn buitenlands klinkende achternaam levert een onderscheid op grond van ras op en is dus verboden. Bij twijfel omtrent de beweegredenen van de werkgever bij afwijzing zal al snel de bewijslast op de schouders van de werkgever terechtkomen. Dit blijkt ook uit een uitspraak van de Rechtbank Den Bosch van 28 juli 2008.

De feiten
Een Nederlander van Soedanese afkomst - gepromoveerd aan de Technische Universiteit van Eindhoven - heeft in een periode van twee jaar zeven keer gesolliciteerd op functies bij hetzelfde bedrijf. Hij solliciteerde steeds onder zijn eigen, Arabisch klinkende, naam. Hij werd nooit uitgenodigd voor een gesprek. Toen hij echter met een nagenoeg identieke cv solliciteerde, ditmaal onder een Engels klinkende naam, werd hij wél uitgenodigd voor een gesprek.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de feiten in deze zaak inderdaad doen vermoeden van een door het bedrijf gemaakt onderscheid op grond van ras. De rechtbank liet het daarom ook aan het bedrijf te stellen en te bewijzen dat zulk onderscheid niet werd gemaakt. 

Het bedrijf voerde aan een internationaal bedrijf te zijn met werknemers van verschillende nationaliteit. De sollicitaties werden louter op de inhoud van het cv en de brief beoordeeld. Omdat er nu meer behoefte was gaan ontstaan voor theoretische in plaats van praktische personen, werd de sollicitant na zijn laatste sollicitatie wel uitgenodigd voor een gesprek. Het bedrijf kon dit standpunt onderbouwen met interne mailwisseling die over de sollicitaties waren gevoerd. Uit deze correspondentie bleek dat de sollicitant serieus en enkel op inhoudelijke gronden was beoordeeld. Van een verwijzing naar zijn etnische achtergrond was geen spoor te vinden. 

Uitspraak
Hoewel de sollicitant nog de authenticiteit van bovengenoemde correspondentie in twijfel trok, kwam de rechtbank - op grond van bovenstaande argumentatie - toch tot de conclusie dat het bedrijf geen verboden onderscheid had gemaakt bij de sollicitaties van de sollicitant. Het bedrijf had immers naar het oordeel van de rechtbank op gemotiveerde en gedetailleerde wijze, onderbouwd met stukken, gesteld dat zij geen verboden onderscheid had gemaakt bij de sollicitaties van de sollicitant. Met name uit de interne mailwisseling binnen het bedrijf kwam naar voren dat het cv van de sollicitant op serieuze wijze en enkel op inhoudelijke gronden was beoordeeld. De sollicitant had die stellingen onvoldoende betwist zodat niet was komen vast te staan dat hij door het bedrijf was gediscrimineerd op grond van ras of godsdienst. De vorderingen werden afgewezen.

Vergelijkbaar
Dat deze bewijslast niet altijd tot een voor het bedrijf positief resultaat leidt, blijkt uit een vergelijkbare zaak uit 2005 bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). In deze zaak ging het eveneens om een sollicitant die meende te zijn afgewezen vanwege zijn buitenlands klinkende achternaam. De CGB oordeelde dat hier wel sprake was van een verboden onderscheid, omdat het bedrijf in kwestie er niet in was geslaagd zijn verweer - dat de sollicitant niet over voldoende werkervaring beschikte - te bewijzen.

Advies
Let als werkgever bij sollicitaties op dat er geen verboden onderscheid wordt gemaakt op grond van ras of discriminatie. Beoordeel een sollicitatie steeds inhoudelijk en tracht deze beoordelingen zoveel mogelijk schriftelijk vast te leggen, zodat achteraf kan worden aangetoond dat de sollicitant op serieuze, inhoudelijke en toelaatbare gronden is beoordeeld en afgewezen. 

Zie onder Praktische tools in deze nieuwsbrief, onze aanbevelingen voor een degelijk wervings- en selectiebeleid
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................

Werkgever: denk aan de tewerkstellingsvergunning!
Op grond van de Wet arbeid vreemdelingen dient een werkgever die een vreemdeling in Nederland arbeid laat verrichten over een tewerkstellingsvergunning voor deze vreemdeling te beschikken. Daarnaast dient de werkgever te beschikken over geldige identiteitspapieren. Het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning of een geldig identiteitsbewijs kan leiden tot hoge boetes. Dit blijkt maar weer eens uit een uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 30 juli 2008.

De feiten
Een vervoersbedrijf houdt zich bezig met goederenvervoer over de weg. Een expeditiebedrijf doet aan op- en overslag, im- en export van goederen ten behoeve van haar klanten. Ter zake van het lossen van over de weg vervoerde containers heeft het vervoersbedrijf een overeenkomst gesloten met het expeditiebedrijf. Het expeditiebedrijf heeft ter uitvoering van deze overeenkomst op enig moment gebruik gemaakt van door een uitzendbureau ter beschikking gesteld personeel. 

In juni 2005 heeft de Arbeidsinspectie een bezoek gebracht aan het vervoersbedrijf. Daarbij zijn 23 door het uitzendbureau ter beschikking gestelde arbeidskrachten meegenomen, omdat het vreemdelingen betroffen zonder tewerkstellingsvergunning. De Arbeidsinspectie heeft vervolgens aan het vervoersbedrijf een boete opgelegd van maar liefst € 184.000,- wegens het ontbreken van de vereiste tewerkstellings-vergunningen. 

Het vervoersbedrijf heeft vervolgens de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank Utrecht en hoofdelijke veroordeling gevorderd van het expeditiebedrijf en het uitzendbureau tot betaling van het bedrag ad € 184.000,-. 

Het expeditiebedrijf en het uitzendbureau hebben zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van het vervoersbedrijf. Het vervoersbedrijf heeft nagelaten te controleren of tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven voor werknemers die hij op zijn bedrijfsterrein werkzaamheden heeft laten verrichten.

Uitspraak
De rechtbank oordeelt dat niet alleen de formele werkgever (het uitzendbureau), maar ook de feitelijke werkgever (het vervoersbedrijf) vergunningplichtig is en daarom te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning(en). Het vervoersbedrijf had moeten controleren of de verschenen arbeidskrachten over een tewerkstellingsvergunning beschikten. Het controleren van de identiteitspapieren - hetgeen het vervoersbedrijf wel had gedaan - achtte de rechtbank niet voldoende. 

Uit bovengenoemde zaak volgt het belang van het controleren of de vereiste tewerkstellingsvergunningen wel aanwezig zijn. Indien dit niet het geval is loopt een werkgever het risico dat er een boete wordt opgelegd. Deze boete bedraagt in eerste instantie € 8.000,- per illegaal te werk gestelde vreemdeling en zal bij een nieuwe overtreding met nog eens 50% worden verhoogd indien binnen 2 jaren dezelfde overtreding nog een keer voorkomt. Daarnaast kan bij een nieuwe overtreding de overtreding worden aangemerkt als een strafbaar feit.

Naast een tewerkstellingsvergunning dient de werkgever te beschikken over een geldig identiteitsbewijs van de vreemdeling. De boete voor het niet opnemen in de administratie van een geldig identiteitsbewijs bedraagt € 1.500,- per vreemdeling. Ook deze boete kan bij een volgende overtreding met 50% worden verhoogd. Er geldt hier een vergaande onderzoeksplicht van de werkgever. Op de website http://www.identiteitsdocumenten.nl/ staat op welke wijze identiteitsbewijzen op echtheid kunnen worden gecontroleerd.

Advies
Gelet op het bovengaande adviseren wij u dan ook steeds zorgvuldig na te gaan of de vreemdelingen die voor u werkzaamheden verrichten over de juiste, geldige documenten beschikken. Voor meer informatie kunt u natuurlijk altijd contact opnemen met een van onze redactieleden.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Verruiming toepassingsgebied discriminatieverbod
Niet alleen een chronisch zieke of gehandicapte zelf, maar ook derden kunnen een beroep doen op het discriminatie- en intimidatieverbod uit de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Dit blijkt uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.

De feiten
Een werkneemster is in 2001 als juridisch secretaresse in dienst getreden van een advocatenkantoor. In 2002 is zij bevallen van een gehandicapte zoon. Vanwege zijn gezondheidstoestand vereist haar zoon gespecialiseerde en bijzondere verzorging. Deze zorg rust voornamelijk op de werkneemster. Op 4 maart 2005 is de  werkneemster vrijwillig uit dienst getreden. Op 30 augustus 2005 heeft zij dit ontslag bij de (Engelse) rechter aangevochten, omdat dit door haar werkgeefster zou zijn geconstrueerd vanwege het feit dat zij de zorg heeft voor een gehandicapt kind. Volgens de werkneemster is zij tegengewerkt bij het realiseren van flexibele uren en werd zij geïntimideerd.

De centrale vraag die hier speelde, was of de werkneemster - als verzorgster - een beroep kon doen op het verbod op discriminatie wegens een chronische ziekte of handicap. Dit verbod is opgenomen in een Europese richtlijn die in Nederland is geïmplementeerd in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

Oordeel Hof
Omdat het discriminatieverbod in kwestie behoort tot Europese regelgeving, is deze vraag door de (Engelse) rechter voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap. Het Hof overweegt dat de richtlijn tot doel heeft om bij de arbeid alle vormen van discriminatie op grond van chronische ziekte of handicap te bestrijden. Vervolgens oordeelt het Hof dat het discriminatieverbod niet beperkt is tot personen die zelf een chronische ziekte of handicap hebben. Ook derden kunnen er een beroep op doen. Zo is sprake van overtreding van het discriminatieverbod en van het in de richtlijn opgenomen intimidatieverbod, wanneer een werknemer die zelf geen handicap heeft, het slachtoffer wordt van ongelijke behandeling wegens het hebben van een gehandicapt kind waarvan hij de hoofdverzorger is.

Conclusie
Het Hof legt het toepassingsgebied van het discriminatie- en intimidatieverbod wegens handicap of chronische ziekte dus ruim uit. Ook derden kunnen er een beroep op doen. Daarbij dient in ieder geval te worden gedacht aan de hoofdverzorger van een kind met een handicap of chronische ziekte. Mogelijk kan echter ook de hoofdverzorger van bijvoorbeeld een levenspartner of ander familielid een beroep op het discriminatieverbod doen. 

Met de onderhavig uitspraak van het Hof lijkt tevens de deur te zijn opengezet voor een beroep op andere, mogelijk eveneens verboden vormen van associatieve discriminatie (bijvoorbeeld wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat). Of dit wenselijk is, is zeer de vraag. 

In ieder geval adviseren wij u om in uw personeelsbeleid rekening te houden met de mogelijkheid dat van discriminatie ook sprake kan zijn, indien de grond voor het (onbedoelde) onderscheid niet is gelegen in de persoon van de werknemer zelf, maar in die van een aan hem gelieerde derde, zoals een gezins- of familielid.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Vergaande zorgplicht voor de werkgever
Op de werkgever rust een vergaande zorgplicht voor de veiligheid van de werknemer. Dat blijkt maar weer eens uit een arrest van de Hoge Raad van 11 april 2008. In deze zaak werd de werkgever aansprakelijk gesteld voor de schade die de werknemer had geleden als gevolg van het uitglijden in een plas water. 

Uit de wet volgt de verplichting van de werkgever om zorg te dragen voor de veiligheid van zijn werknemers. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen goed in te richten en te onderhouden. Ook dient hij voor het verrichten van de arbeid maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven. De werkgever dient dit te doen in zoverre als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Schending van deze zorgplicht leidt tot aansprakelijkheid van de werkgever voor de schade die de werknemer daardoor lijdt. De zorgplicht is niet onbeperkt, maar het arrest van de Hoge Raad bevestigt nog eens dat de werkgever deze plicht heel serieus dient te nemen.

Het ging hier om een werknemer in dienst van een chemisch wasserijbedrijf. Ondanks dat de werknemer veiligheidschoenen droeg, gleed hij uit in een plas water. Hij raakte blijvend arbeidsgehandicapt. De werkgever heeft daarna op die plek ter voorkoming van een dergelijk ongeval rubbermatten neergelegd. De werknemer sprak zijn werkgever aan voor de schade. De rechtbank en het gerechtshof wezen de vordering af. Het hof overwoog onder meer dat de werknemer de plas al eerder had gepasseerd en dus bekend was met het bestaan ervan. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een plas water gladheid veroorzaakt. De werkgever mocht er daarom volgens het hof op vertrouwen dat het verstrekken van veiligheidsschoenen een voldoende middel tegen uitglijden zou zijn.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof. De hoge Raad overwoog dat het erom gaat dat de werkgever behoorlijke maatregelen heeft getroffen waardoor dit soort incidenten niet meer kunnen plaatsvinden. De werkgever had weliswaar een veiligheidsmaatregel genomen door veiligheidsschoenen te verstrekken om uitglijden te voorkomen, maar die omstandigheid bracht volgens de Hoge Raad nog niet mee dat de werkgever zich van zijn zorgplicht heeft gekweten of dat het treffen van andere, meer effectieve, maatregelen met hetzelfde doel (het leggen van rubbermatten) niet van hem kon worden gevergd. Het aanbrengen van rubbermatten is een eenvoudige en geëigende veiligheidsmaatregel tegen het gevaar van gladheid. Mede gelet hierop kwam de Hoge Raad tot de conclusie dat de werkgever er niet op had mogen vertrouwen dat de verstrekte veiligheidsschoenen in de gegeven omstandigheden een afdoende middel zouden bieden tegen het risico van uitglijden.

In een arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2007 oordeelde de Hoge Raad overigens anders in eenzelfde soort situatie. Het ging hier om een schoonmaakster in een hotel op Aruba. De schoonmaakster was uitgegleden omdat de betegelde gangvloer nat was als gevolg van een regenbui. Ze vorderde schadevergoeding van het hotel, omdat ze niet beschikte over de vereiste antislipschoenen, er geen waarschuwingsborden waren geplaatst en de vloeren niet van antisliptegels waren voorzien. De vordering werd afgewezen waarna de werkneemster in cassatie ging bij de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog onder meer dat het bij mensen die vertrouwd zijn met het klimaat in Aruba, een feit van algemene bekendheid is dat men daar met het gevaar van gladheid na regenval rekening moet houden. Van de schoonmaakster mocht dan ook worden verwacht dat zij daarmee bekend was. In dit geval werd de werkgever niet aansprakelijk gesteld.

Het verschil tussen beide situaties is dat de werkgever in de wasserij concreet een heel eenvoudige maatregel kon nemen door het neerleggen van de rubbermatten. De werkgever had niet alles gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Terwijl van het hotel volgens de Hoge Raad redelijkerwijs niet kon worden gevergd bij of na iedere regenbui direct overal in het hotel waarschuwingsborden te plaatsen. Mede in aanmerking genomen dat het bij mensen die vertrouwd zijn met het klimaat van Aruba, van algemene bekendheid is dat men met het gevaar van gladheid na regenval rekening moet houden.


Bovenstaande benadrukt weer eens dat u als werkgever niet ver genoeg kunt gaan in de naleving van de zorgplicht. Wij raden u daarom ook aan om alle risico's te inventariseren en maatregelen te nemen om aansprakelijkheid zoveel mogelijk te voorkomen.
Inhoudsopgave