In deze
nieuwsbrief:
- Verzoek aanpassing arbeidsduur in hoger beroep
bekrachtigd
Het Hof Amsterdam heeft onlangs een verzoek van een
werkneemster om vermindering van haar arbeidsduur van 32 naar 24
uur per week in een kort gedingprocedure (ook) in hoger beroep
toegewezen. Het beroep van de werkgever op het zwaarwegende belang
dat een Relations Manager volledig en altijd bereikbaar moet zijn
faalde.
Lees verder »
- Informatie over studieschuld
onrechtmatig
Begin 2007 oordeelde het Hof 's-Gravenhage dat het verstrekken van
informatie over de studieschuld van een ex-werknemer aan een derde,
in dit geval een nieuwe werkgever, in strijd is met goed
werkgeverschap en de Wet bescherming persoonsgegevens.
Lees verder »
- Achterstallig onderhoud lease-auto: werknemer
aansprakelijk?
De werknemer draait op voor de schade aan zijn lease-auto
indien deze het gevolg is van achterstallig onderhoud. Tot deze -
in een notendop weergegeven - uitspraak kwam het Hof
's-Hertogenbosch onlangs. Het oordeel van het hof is voor u als
werkgever weliswaar zeer bevredigend, maar wijkt af van de
rechtspraak van de Hoge Raad.
Lees verder »
- Ontslag wegens buitenechtelijke relatie
Onlangs heeft de Kantonrechter 's-Hertogenbosch de
arbeidsovereenkomst van een werknemer die al geruime tijd zijn
vrouw bedroog, met slechts een geringe vergoeding
ontbonden. Lees verder
»
- Verdere versoepeling ontslagrecht
Het afgelopen jaar heeft ons ontslagrecht een aantal ingrijpende
wijzigingen ondergaan. In de nieuwsbrief van augustus 2006 schreven
wij al over de introductie van het afspiegelingsbeginsel en de
beperking van de verwijtbaarheidstoets in het kader van de WW.
Onlangs heeft minister Donner van Sociale Zaken zijn plannen voor
een verdere versoepeling van het ontslagrecht gepresenteerd. Wij
zullen hierna ingaan op de belangrijkste punten. Lees
verder »
............................................................................................................................................................................
Verzoek
aanpassing arbeidsduur in hoger beroep bekrachtigd
Het Hof Amsterdam heeft onlangs een verzoek van een
werkneemster om vermindering van haar arbeidsduur van 32 naar 24
uur per week in een kort gedingprocedure (ook) in hoger beroep
toegewezen. Het beroep van de werkgever op het zwaarwegende belang
dat een Relations Manager volledig en altijd bereikbaar moet zijn
faalde.
In deze Amsterdamse zaak betrof het een Relations Manager
werkzaam bij een bank. In haar functie was zij het eerste
aanspreekpunt voor de (veelal grote) klanten van de bank en zij
adviseerde hen over financiële, strategische en beleidsmatige
vraagstukken. Bij de bank waren tien medewerkers werkzaam in
dezelfde functie.
De werkneemster was na de geboorte van haar eerste kind minder
gaan werken, te weten 32 uur per week over vier dagen. Na de
geboorte van haar tweede kind wenste de werkneemster haar
arbeidsduur te verminderen van 32 naar 24 uur, verdeeld over drie
dagen per week. Zij gaf aan zich flexibel op te stellen door voor
klanten bereikbaar te zijn op de dagen dat zij niet zou werken.
De werkgever stelde een zwaarwegend bedrijfsbelang te hebben dat
zich verzette tegen toewijzing van het verzoek. Het was namelijk
vast bedrijfsbeleid om bij commercieel personeel terughoudend te
zijn bij verzoeken om parttime te mogen werken. De stabiliteit van
het contact met de klanten zou bij drie dagen niet voldoende
gewaarborgd zijn en sloot niet aan bij de doelstelling van de
bank.
De Kantonrechter Amsterdam oordeelde in eerste aanleg dat de
werkgever de betekenis van de invoering van de Wet aanpassing
arbeidsduur (WAA) per 1 juli 2000 had miskend. De wetgever heeft
hiermee een betere combinatie van arbeid en zorg voor ogen
gehad.
Op 26 april 2007 bekrachtigde het Hof Amsterdam de uitspraak van
de kantonrechter. Het hof overwoog namelijk dat de werkgever
nagelaten heeft te concretiseren dat het niet mogelijk is het
takenpakket in 24 uur per week te verrichten. De bank had kunnen
onderbouwen hoeveel uren per week bepaalde taken gemiddeld in
beslag nemen. Dat de arbeidsduurvermindering nadelige gevolgen
heeft voor de Amsterdamse vestiging van de werkgever binnen zijn
internationale organisatie, komt voor risico van de werkgever. Zo
ook dat geen vervanger voor de opengevallen uren zou kunnen worden
aangetrokken.
Deze uitspraak is van belang omdat opnieuw wordt bevestigd dat
rechters van oordeel zijn dat commerciële functies ook in deeltijd
kunnen worden vervuld. U zult als werkgever dan ook gemotiveerd
moeten aangeven dat het in een specifiek geval onmogelijk is dat
een werknemer zijn functie in minder (of juist meer) uren per week
gaat verrichten. Het zonder onderbouwing enkel aanvoeren van
onvoldoende bereikbaarheid en flexibiliteit aan de zijde van de
werknemer is ontoereikend. Lukt het u niet uw zwaarwegend belang
voldoende te onderbouwen, dan ziet het er naar uit dat u het
verzoek om aanpassing van de arbeidsduur moet toewijzen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Informatie over
studieschuld onrechtmatig
Begin 2007 oordeelde het Hof 's-Gravenhage dat het
verstrekken van informatie over de studieschuld van een
ex-werknemer aan een derde, in dit geval een nieuwe werkgever, in
strijd is met goed werkgeverschap en de Wet bescherming
persoonsgegevens.
De zaak die diende voor het hof betrof een werknemer die uit
eigen beweging zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever had
opgezegd, als gevolg waarvan hij zich geconfronteerd zag met een
fikse studieschuld. Om zijn terugbetalingsverplichting na te komen
was de werknemer genoodzaakt bij een derde een lening af te
sluiten.
De werknemer, die inmiddels elders in dienst was getreden,
verzocht zijn nieuwe werkgever bij herhaling de studieschuld over
te nemen. Meer concreet stelde de werknemer voor dat zijn nieuwe
werkgever € 40.000,- aan hem zou
overmaken, zodat hij zijn lening (en dus indirect zijn studieschuld
bij de oude werkgever) ineens kon aflossen.
In het kader van dit verzoek van de werknemer vroeg de nieuwe
werkgever de gegevens omtrent de studieschuld op bij de oude
werkgever. Hierop verschafte de oude werkgever alle informatie
betreffende de studieschuld van de werknemer, dit alles zonder
medeweten van de werknemer zelf. Op basis van deze informatie kwam
- tot ontsteltenis van de nieuwe werkgever - aan het licht dat de
studieschuld geen € 40.000,- maar € 20.000,- bedroeg. Hierdoor werd
duidelijk dat de werknemer de helft van het door zijn nieuwe
werkgever te betalen bedrag in eigen zak wilde steken. De nieuwe
werkgever ontsloeg de werknemer op staande voet wegens een
vertrouwensbreuk.
De werknemer vorderde schadevergoeding van zijn voormalige
werkgever, nu deze geheel buiten hem om gegevens over de
studieschuld aan de nieuwe werkgever had verschaft. Deze
handelwijze van de ex-werkgever was volgens de werknemer in strijd
met de Wet bescherming persoonsgegevens en daarom onrechtmatig. Het
hof stelde de werknemer in het gelijk. De werknemer kreeg echter
geen financiële genoegdoening. Het gerechtshof was namelijk van
oordeel dat de werknemer zijn schade zelf diende te dragen, omdat
hij met het bewust verkeerd voorlichten van zijn nieuwe werkgever
zeer verwijtbaar had gehandeld.
In het algemeen zijn er, binnen de kaders van een
arbeidsrelatie, vier gronden waarop een werkgever persoonsgegevens
van een werknemer rechtmatig kan doorgeven aan een derde:
- de werknemer heeft zijn ondubbelzinnige toestemming
gegeven;
- het verstrekken van de persoonsgegevens aan een derde is
noodzakelijk voor de sollicitatieprocedure (bijvoorbeeld het
verstrekken van informatie over de werknemer aan een
assessment-center) en/of de uitvoering van de arbeidsovereenkomst
(denk aan het verstrekken van salarisgegevens aan een externe
loonadministrateur);
- de werkgever is op grond van een wettelijke verplichting
gehouden de persoonsgegevens door te spelen aan een derde (hiervan
is bijvoorbeeld sprake ingeval van informatieverstrekking aan de
belastinginspecteur);
- het doorzenden van persoonsgegevens aan een derde is
noodzakelijk voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van
de werkgever (dit is aan de orde indien een particulier
recherchebureau wordt ingeschakeld bij het sterke vermoeden van
onregelmatigheden aan de zijde van de werknemer).
Het arrest van het hof en de bovenstaande vier grondslagen tonen
eens te meer aan dat - zeker binnen een arbeidsverhouding - zeer
zorgvuldig dient te worden omgegaan met het verstrekken van
gegevens die betrekking hebben op een (ex-)werknemer aan derden,
zoals de gegevens aangaande een studieschuld van een werknemer.
Anders gezegd: bezint eer gij begint!
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Achterstallig onderhoud lease-auto: werknemer
aansprakelijk?
De werknemer draait op voor de schade aan zijn lease-auto
indien deze het gevolg is van achterstallig onderhoud. Tot deze -
in een notendop weergegeven - uitspraak kwam het Hof
's-Hertogenbosch onlangs. Het oordeel van het hof is voor u als
werkgever weliswaar zeer bevredigend, maar wijkt af van de
rechtspraak van de Hoge Raad.
Bij zijn beslissing stelt het hof voorop dat in ons land
wettelijk is voorgeschreven dat een werknemer niet aansprakelijk is
voor de door hem aan zijn werkgever toegebrachte schade, tenzij
deze het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Het hof
overweegt vervolgens dat het een feit van algemene bekendheid is
dat onderhoudsbeurten noodzakelijk zijn om een auto in goede staat
te houden. Volgens het hof rust in het algemeen op de werknemer de
verplichting om tijdig onderhoud aan de lease-auto te laten
verrichten.
De werknemer in kwestie beschikte over een onderhoudsboekje,
waarin staat vermeld dat de lease-auto bij een bepaald aantal
gereden kilometers controle of onderhoud behoeft. Volgens het hof
wist de werknemer dan ook, althans kon hij redelijkerwijs weten,
dat hij gehouden was de lease-auto voor klein onderhoud bij zijn
garagehouder aan te bieden, zodra de auto een stand van 10.000
kilometer zou hebben bereikt. Ook het feit dat de werknemer bij een
stand van meer dan 10.000 kilometer een reeds door hem met de
garage gemaakte afspraak voor een onderhoudsbeurt had geannuleerd,
zonder nadien een nieuwe afspraak te maken, vormt voor het
rechtscollege een aanwijzing dat de werknemer op de hoogte was van
zijn onderhoudsverplichting. De werknemer is met de lease-auto
blijven doorrijden tot er bij een stand van ongeveer 28.000
kilometer schade aan de motor ontstond.
Op basis van de hiervoor geschetste feiten komt het hof tot de
conclusie dat de werknemer bewust roekeloos heeft gehandeld. Dat de
werknemer de motorolie korte tijd voor het defect aan de motor nog
zelf had bijgevuld, kon hem niet baten: het hof veroordeelt de
werknemer tot vergoeding van de schade aan de lease-auto.
In oktober 2005 oordeelde de Hoge Raad echter in lijn met zijn
eerdere uitspraken, dat van bewuste roekeloosheid pas sprake is,
indien de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan de
schadeveroorzakende gebeurtenis daadwerkelijk bewust was van het
roekeloze karakter van zijn gedraging. De kwestie waarover de Hoge
Raad toen had te oordelen, ging over een chauffeur die in de
uitoefening van zijn werkzaamheden schade aan de taxi van zijn
werkgever had berokkend. Deze schade was ontstaan toen de chauffeur
met de taxi in een uitgefreesd gedeelte van het wegdek was
terechtgekomen. De weg was in verband met de wegwerkzaamheden
slechts toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Gelet op het feit dat
de taxichauffeur geen bestemmingsverkeer was en hij het door een
verkeersbord aan hem kenbaar gemaakte inrijdverbod had genegeerd,
rees de vraag of de chauffeur aansprakelijk was voor de schade aan
de taxi. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend; uit niets
was gebleken dat de taxichauffeur zich onmiddellijk voorafgaand aan
het ongeval daadwerkelijk bewust was van zijn roekeloze gedrag.
Gezien deze duidelijke norm van de Hoge Raad is het opmerkelijk
dat het Hof 's-Hertogenbosch tot het oordeel is gekomen dat de
werknemer bewust roekeloos heeft gehandeld. De werknemer had
weliswaar bij de terbeschikkingstelling van de lease-auto een
onderhoudsboekje ontvangen. Ook had hij een reeds door hem met de
garage gemaakte afspraak voor een onderhoudsbeurt geannuleerd,
zonder nadien een nieuwe afspraak met de garage te maken. Bovendien
had hij kort voor de schade aan de motor nog zelf olie bijgevuld.
Maar uit al deze feiten en omstandigheden volgt niet dat de
werknemer zich direct voorafgaand daaraan daadwerkelijk bewust was
van zijn - in de ogen van het hof - roekeloze gedrag.
Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat de Hoge Raad in
een eventuele cassatie anders dan het hof zal oordelen. Hoe
onbevredigend deze uitkomst alsdan voor u als werkgever ook zal
zijn.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Ontslag wegens
buitenechtelijke relatie
Onlangs heeft de Kantonrechter 's-Hertogenbosch de
arbeidsovereenkomst van een werknemer die al geruime tijd zijn
vrouw bedroog, met slechts een geringe vergoeding ontbonden.
De werkgever, het Katholiek Nieuwsblad, had om ontbinding van de
arbeidsovereenkomst met een redacteur verzocht omdat hij een
buitenechtelijke relatie had en tot echtscheiding overging. De
betrokken werknemer ging daarmee volgens de directie in tegen de
principiële uitgangspunten van het blad en tegen het
redactiestatuut dat hij bij zijn functieaanvaarding had
ondertekend. De werknemer verweerde zich tegen de ontbinding. Hij
stelde zich op het standpunt dat zijn privé-situatie een normale
uitoefening van zijn functie niet in de weg stond. Bovendien was
hij al bijna 14 jaar zonder kritiek op zijn functioneren in dienst
bij het nieuwsblad.
De kantonrechter oordeelde dat "het niet meer in het profiel van
het Katholiek Nieuwsblad passen", meer in de risicosfeer van de
werknemer ligt dan in die van de werkgever. Gelet op deze
omstandigheid vindt de kantonrechter dat werknemer een verwijt kan
worden gemaakt. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en de
werknemer wordt uiteindelijk afgescheept met een zeer geringe
vergoeding (factor C = 0,6).
Deze uitspraak is opmerkelijk te noemen. Uit vaste
jurisprudentie blijkt namelijk dat rechters veelal van oordeel zijn
dat het enkele feit dat een werknemer in zijn privé-tijd handelt in
strijd met normen en waarden van werkgever, onvoldoende grond
oplevert om te komen tot een beëindiging van het dienstverband. Dat
is hooguit anders indien wel een verband bestaat tussen de
privé-gedraging en de werkzaamheden.
In het bovenstaande geval gaf de betrokken werknemer, nadat zijn
affaire aan het licht was gekomen, bovendien aan bereid te zijn
over te stappen naar andere afdeling, waar de medewerkers zich niet
met de principiële uitgangspunten akkoord hoeven te verklaren. De
directie van het Katholiek Nieuwsblad weigerde daar echter mee in
te stemmen. Hoewel de kantonrechter van mening is dat de werkgever
door die weigering verwijtbaar heeft gehandeld, verbindt hij daar
geen consequenties aan.
Dit laatste maakt de uitspraak nog opmerkelijker. Uit
jurisprudentie blijkt namelijk dat de enkele stelling dat de aard
van de gedragingen de terugkeer van de werknemer op de werkvloer in
de weg staat, of dat het vertrouwen in de werknemer volledig is
verloren, (normaliter) onvoldoende is. Dit geldt te meer indien een
werknemer zonder al te veel problemen in een andere functie kan
worden geplaatst. Gelet op het voorgaande, had het dan ook in de
lijn der verwachting gelegen dat, voor zover de arbeidsovereenkomst
al ontbonden zou moeten worden, de werknemer op zijn minst een
neutrale vergoeding mee zou krijgen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Verdere versoepeling
ontslagrecht
Het afgelopen jaar heeft ons ontslagrecht een aantal
ingrijpende wijzigingen ondergaan. In de nieuwsbrief van augustus
2006 schreven wij al over de introductie van het
afspiegelingsbeginsel en de beperking van de verwijtbaarheidstoets
in het kader van de WW. Onlangs heeft minister Donner van Sociale
Zaken zijn plannen voor een verdere versoepeling van het
ontslagrecht gepresenteerd. Wij zullen hierna ingaan op de
belangrijkste punten.
Op dit moment kan een werkgever - behoudens in onderling overleg
met de werknemer - de arbeidsovereenkomst met een werknemer alleen
beëindigen met voorafgaande toestemming van de CWI of de
kantonrechter. Als het voorstel van minister Donner wordt
aangenomen, zal een werkgever in de toekomst de arbeidsovereenkomst
kunnen opzeggen zonder inmenging van de CWI of de kantonrechter.
Daarnaast wordt in de plannen van de minister voorzien in een
wettelijk vastgestelde vergoeding, die een werkgever de werknemer
bij opzegging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd is.
Deze wettelijke ontslagvergoeding treedt in de plaats van de
huidige kantonrechtersformule. De hoogte van de vergoeding bedraagt
één maandsalaris per dienstjaar met een maximum van één jaarsalaris
of een bedrag van € 75.000 indien het jaarsalaris lager is dan €
75.000,-. De leeftijdsfactor van de kantonrechtersformule, die de
dienstjaren van oudere werknemers weegt, blijft wel gehandhaafd.
Voor werknemers waarop dit van toepassing is, zal de vergoeding
maximaal één jaarsalaris of een bedrag van € 100.000,-
bedragen.
De werkgever zal niet zomaar tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst kunnen overgaan. Hij moet een gegronde reden
voor de opzegging kunnen aanvoeren. De limitatief opgesomde
gegronde redenen in de voorstellen van minister Donner zijn:
disfunctioneren, verwijtbaar handelen, een verstoorde
arbeidsrelatie of bedrijfseconomische redenen.
Indien de werknemer het niet eens is met de opzegging, kan hij
hiertegen bij de werkgever bezwaar maken en vervolgens proberen de
opzegging via een juridische procedure ongedaan te maken. In het
geval dat de rechter het ontslag ongegrond acht, maar
desalniettemin van mening is dat de arbeidsovereenkomst moet
eindigen, of in het geval van ernstig verwijtbaar handelen door de
werkgever, wordt de vergoeding verdubbeld. Het bedrag van de
vergoeding is in dat geval ten minste gelijk aan drie
maandsalarissen.
Bij een ontslag op grond van bedrijfseconomische omstandigheden
kan de werkgever er nog steeds voor kiezen om de CWI vooraf om een
oordeel te vragen. Indien de CWI een positief advies afgeeft, dan
zal de werkgever de voor ontslag voorgedragen werknemers geen
vergoeding hoeven te betalen. Gaat de werkgever in deze situatie
echter over tot opzegging zonder positief oordeel van de CWI, dan
is hij gehouden de wettelijk vastgelegde vergoeding te betalen.
Verder stelt het kabinet een wederzijdse scholingsplicht voor.
Werkgevers worden verplicht werknemers te scholen en werknemers
worden verplicht om scholing te volgen. De kosten hiervan kunnen
werkgevers tot een kwart maandsalaris per dienstjaar verrekenen met
de (eventuele) ontslagvergoeding.
Volgens minister Donner zullen de plannen leiden tot een
vereenvoudiging van het ontslagrecht en minder bureaucratische
bemoeienis, terwijl de werknemer tegelijkertijd bescherming behoudt
tegen een ongegrond ontslag. De wettelijke vergoeding zal moeten
dienen als een substituut voor de preventieve ontslagtoets. De
minister verwacht dat werkgevers in de nieuwe situatie minder snel
zullen opzeggen en meer in hun werknemers zullen gaan
investeren.
De werkgevers en de vakbonden hebben op 30 augustus 2007 een
totaal verdeeld advies gepresenteerd over de kabinetsvoorstellen.
De werkgevers zijn tevreden over de plannen en zouden het hier en
daar zelfs nog willen aanscherpen. De gezamenlijke vakcentrales
daarentegen hebben de plannen resoluut van tafel geveegd. Zij
vinden het afschaffen van de preventieve toets onaanvaardbaar.
Volgens hen zal er een versobering van het ontslagrecht ontstaan en
zal het leiden tot meer onzekerheid bij de werknemers. Vooral de
oudere werknemer zal de dupe worden.
Het kabinet is nu aan zet en zal zich over de verschillende
standpunten moeten buigen. De kans is echter klein dat de huidige
plannen in stand blijven nu de PvdA en de ChristenUnie al hebben
aangekondigd zich te kunnen vinden in de bezwaren van de vakbonden.
Wij wachten met spanning af en zullen u uiteraard op de hoogte
houden.
Inhoudsopgave