Arbeidsrecht - november 2009

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD Prinsen Van Wijmen verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk. Graag willen wij u vragen om het evaluatieformulier in te vullen, zodat de nieuwsbrief naar uw wensen en behoeften geoptimaliseerd kan worden.

In deze nieuwsbrief

  • Verlofstuwmeren van werknemers in aantocht?
    Een werknemer die door ziekte niet heeft kunnen werken en daardoor geen vakantiedagen heeft kunnen opnemen, behoudt zijn volledige recht op betaalde vakantiedagen. Als het dienstverband met de werknemer vervolgens eindigt terwijl hij nog niet al zijn vakantiedagen heeft opgenomen, heeft hij recht op een financiële vergoeding. Dit heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaald in een recent arrest. » lees verder
  • Jongeren langer voor bepaalde tijd in dienst
    Als het aan Minister Donner ligt, mogen werkgevers vanaf 1 januari 2010 jongeren tot 27 jaar langer op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst laten werken. Hiermee wil het kabinet voorkomen dat deze groep sneller hun baan verliest omdat werkgevers hen in de crisistijd geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd willen aanbieden. » lees verder
  • Zieke werknemer: wat mag de werkgever weten?
    In de praktijk blijkt nog steeds onduidelijkheid te bestaan over de vraag welke gezondheidsgegevens van een zieke werknemer een arbodienst en/of bedrijfsarts aan een werkgever mag verschaffen. Wat mag een werkgever weten over zijn zieke werknemer? » lees verder
  • 'Billenknijpen' op de werkvloer: (altijd) sexueel intimiderend?
    Dient billenknijpen altijd als seksuele intimidatie te worden aangemerkt waarvoor de werkgever aansprakelijk kan worden gesteld, of is dit onder omstandigheden op de werkvloer toegestaan? Onlangs heeft de Hoge Raad zich over het knijpen in billen uitgelaten. » lees verder
  • Commissie Gelijke Behandeling beoordeelt doorwerkcao positief
    De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) heeft op verzoek van de Vereniging van Doorwerkgevers en de vakbond LBV een oordeel gegeven over de doorwerkcao. De doorwerkcao is tot stand gekomen op initiatief van Stichting Senior Werkt. De doorwerkcao kan worden toegepast op werknemers die met (pre)pensioen zijn en willen doorwerken. De doorwerkcao stelt werkgevers onder andere in staat om met deze gepensioneerde werknemers onbeperkt contracten voor bepaalde tijd te sluiten en kent een beperkte verplichting tot doorbetaling van loon bij ziekte. » lees verder
  • OR heeft geen instemmingsrecht of recht op informatie ten aanzien van afvloeiingsregelingen van individuele managementleden
    Recent heeft de kantonrechter in Tiel geoordeeld dat de Ondernemingsraad (hierna "OR") geen instemmingsrecht en geen recht op informatie heeft ten aanzien van afvloeiingsregelingen van individuele managementleden. » lees verder

...........................................................................................................................................................................

Verlofstuwmeren van werknemers in aantocht?
Een werknemer die door ziekte niet heeft kunnen werken en daardoor geen vakantiedagen heeft kunnen opnemen, behoudt zijn volledige recht op betaalde vakantiedagen. Als het dienstverband met de werknemer vervolgens eindigt terwijl hij nog niet al zijn vakantiedagen heeft opgenomen, heeft hij recht op een financiële vergoeding. Dit heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bepaald in een recent arrest.

Nederlands recht
De Nederlandse wet bepaalt dat een werknemer die wegens ziekte geen arbeid verricht slechts over de laatste zes maanden van zijn ziekte vakantiedagen opbouwt. Een werknemer die gedeeltelijk ziek is, heeft alleen recht op vakantie voor de uren dat hij (passende) arbeid heeft verricht. Werkgever en werknemer kunnen afspreken dat dagen waarop de werknemer niet kon werken door ziekte als vakantiedagen worden aangemerkt. Dit laatste kan voor de werknemer voordelig zijn, omdat bij vakantie doorgaans meer loon wordt doorbetaald dan bij ziekte. Desalniettemin moet de werknemer minimaal vier weken vakantie (het wettelijk minimum) behouden zonder deze 'ingeruilde' ziektedagen.
 
Arrest Hof van Justitie
Het Hof oordeelt onder verwijzing naar de Europese Arbeidstijdenrichtlijn ten eerste dat de nationale wet mag bepalen dat tijdens ziekte geen vakantiedagen opgenomen mogen worden, mits de werknemer die dagen later kan opnemen. Ten tweede beslist het Hof dat een werknemer over een periode waarin hij niet heeft gewerkt wegens ziekte, net zo goed als een werknemer die wel heeft gewerkt recht op vakantiedagen heeft. Een zieke werknemer bouwt dus evenveel vakantiedagen op als zijn gezonde collega. Ten slotte bepaalt het Hof dat, indien het dienstverband van de werknemer eindigt en hij nog een positief vakantiesaldo heeft, hem een financiële vergoeding voor deze dagen moet worden betaald. De vergoeding komt neer op een uitbetaling van het salaris voor de niet opgenomen vakantiedagen.
 
Gevolgen
De Nederlandse regeling die bepaalt dat de opbouw van vakantiedagen alleen tijdens de laatste zes maanden van ziekte plaatsvindt én dat deze opbouw voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten alleen plaatsvindt over de gewerkte uren, is - in beginsel - in strijd met de Arbeidstijdenrichtlijn. Dat heeft een aantal gevolgen.
 
Ten eerste is er een reële kans dat de wet op dit punt zal worden aangepast. Deze wetswijziging kan tot gevolg hebben dat werkgevers door de overheid verplicht worden hun werknemers met terugwerkende kracht de niet genoten vakantiedagen alsnog toe te kennen, of anders een financiële vergoeding te betalen.

Daarnaast is de kans aanwezig dat werknemers zich al vóór de (eventuele) wetswijziging zullen beroepen op hun recht op vakantiedagen die tijdens ziekte zijn opgebouwd. Dat kunnen zij zowel in onderhandelingen als in een gerechtelijke procedure doen. Omdat de Nederlandse wet op dit punt in strijd is met een Europese richtlijn, komt de rechter voor een dilemma te staan. De rechter moet de wet toepassen, maar deze ook zoveel mogelijk 'richtlijnconform' uitleggen. Het is dus onduidelijk wat de rechter zal doen. De toekomst zal moeten uitwijzen of werknemers, die wegens ziekte arbeidsongeschikt zijn of zijn geweest, met succes hun vakantiedagen of een financiële vergoeding kunnen opeisen.
 
Tot slot
De Kantonrechter Utrecht heeft zich inmiddels, in een zeer recente uitspraak, uitgelaten over deze materie. De kantonrechter heeft geoordeeld, zonder daarbij expliciet te overwegen dat onze wet in strijd is met de Europese wetgeving, dat een werknemer - ongeacht of hij ziek is (geweest) - recht heeft op het minimum aantal vakantiedagen per jaar met behoud van loon. Volgens de rechter is het in strijd met goed werkgeverschap om ziekte van invloed te laten zijn op het aantal vakantiedagen. Let op: u kunt dus als werkgever geconfronteerd worden met verlofstuwmeren.

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Jongeren langer voor bepaalde tijd in dienst
Als het aan Minister Donner ligt, mogen werkgevers vanaf 1 januari 2010 jongeren tot 27 jaar langer op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst laten werken. Hiermee wil het kabinet voorkomen dat deze groep sneller hun baan verliest omdat werkgevers hen in de crisistijd geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd willen aanbieden.
 
Maatregel gewenst
In economisch mindere tijden worden werknemers met tijdelijke contracten als eerste getroffen. Vooral in de bouwnijverheid en industrie is het afgelopen jaar fors gesneden in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In economisch ongunstige tijden kiezen werkgevers vooral voor tijdelijke arbeidskrachten omdat zij op die manier met het personeelsbestand kunnen inspelen op de conjunctuur. Werkgevers zullen zich genoodzaakt zien om na de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de arbeidsrelatie te beëindigen, terwijl er nog wel ruimte is om de betreffende werknemer op tijdelijke basis in dienst te houden. Het is gebleken dat wanneer het economisch slechter gaat, jongeren daar eerder en sterker de gevolgen van ondervinden dan andere groepen. Minister Donner acht het daarom gewenst dat voor deze groep een maatregel wordt getroffen.
 
Verruiming
Op dit moment ontstaat er bij het vierde contract voor bepaalde tijd of na een periode van 36 maanden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor jongeren zal de periode van 36 maanden verlengd worden naar 48 maanden en zal in plaats van bij het vierde contract, pas bij het vijfde contract een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Met deze maatregel wil het kabinet de toenemende werkloosheid onder jongeren verminderen.
 
Wetsvoorstel
De aanpassing van de wet is een aanvulling op het reeds bestaande artikel 7:668a BW. In dit artikel is uitvoering gegeven aan enerzijds het creëren van flexibiliteit: de werkgever heeft de mogelijkheid om meerdere tijdelijke contracten aan te bieden. Anderzijds beoogt het artikel het creëren van zekerheid: na een bepaalde duur dan wel aantal contracten ontstaat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
 
De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2010. De wijziging zal per 1 januari 2012 komen te vervallen. De verwachting is namelijk dat tegen die tijd de kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt weer gunstiger zijn. Afhankelijk van hoe de crisis verloopt, kan deze datum overigens nog worden aangepast.
 
Verboden onderscheid naar leeftijd?
De vraag rijst of het wetsvoorstel in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Volgens deze wet is zowel direct als indirect onderscheid op grond van leeftijd verboden, tenzij een beroep kan worden gedaan op een in de wet vastgelegde uitzondering of een (andere) objectieve rechtvaardiging. Zo geldt het verbod van onderscheid niet voor regelingen op het gebied van werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van arbeidsparticipatie van bepaalde leeftijdscategorieën, voor zover dit beleid is vastgesteld bij of krachtens de wet.
 
In het wetsvoorstel is een leeftijdsgrens van 27 jaar vastgesteld, waardoor er sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd. Nu het wetsvoorstel nadrukkelijk is gericht op werkgelegenheidsbeleid voor jongeren onder de 27 jaar zou betoogd kunnen worden dat sprake is van een uitzonderingssituatie op grond van de WGBL zelf, als gevolg waarvan er geen sprake is van verboden onderscheid.
 
Conclusie
Het wetsvoorstel lijkt gezien de huidige economische situatie een correcte maatregel om de oplopende werkloosheid onder jongeren tegen te gaan. In deze tijden is de drempel voor de werkgever om een werknemer in dienst te houden immers lager wanneer hij de mogelijkheid heeft om meer arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten.
 
Op dit moment ligt het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Mocht u vragen hebben over de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, het overgangsrecht en de mogelijkheden die de wetswijziging voor uw organisatie kan bieden, dan is het raadzaam contact met ons op te nemen.

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Zieke werknemer: wat mag de werkgever weten?
In de praktijk blijkt nog steeds onduidelijkheid te bestaan over de vraag welke gezondheidsgegevens van een zieke werknemer een arbodienst en/of bedrijfsarts aan een werkgever mag verschaffen. Wat mag een werkgever weten over zijn zieke werknemer?
 
Wet bescherming persoonsgegevens
Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is het verwerken van gegevens betreffende de gezondheid en/of medische toestand (gezondheidsgegevens) van een werknemer in beginsel verboden. Er zijn slechts een paar uitzonderingen op dit verbod. Deze uitzonderingen op het verwerkingsverbod zijn de volgende:

  • het verwerken van gezondheidsgegevens om het recht op loondoorbetaling vast te stellen;
  • verwerking in het kader van de verzuimbegeleiding en re-integratie;
  • wanneer er sprake is van uitdrukkelijke toestemming van de (zieke) werknemer.

De bedrijfsarts mag aan de werkgever een oordeel geven over de vraag of de werknemer arbeidsongeschikt is. Daarnaast kan de bedrijfsarts aangeven wat de werknemer nog wel en niet kan doen in relatie tot de bedongen arbeid. Verder mag uitspraak worden gedaan over de geschatte duur van het verzuim en de aard van eventuele noodzakelijke aanpassingen/werkvoorzieningen. Ook is toegestaan dat aanbevelingen worden gedaan over noodzakelijke interventies en te plegen re-integratie-inspanningen. Tot slot kan een oordeel worden gegeven over de re-integratie-inspanningen van de werknemer.
 
In de praktijk blijkt dat dikwijls informatie aan de werkgever wordt verschaft welke niet strikt noodzakelijk is voor het vaststellen van de loondoorbetalingsverplichting of de verzuimbegeleiding/re-integratie. Zo is niet relevant om te vermelden dat een werknemer een operatie zal moeten ondergaan of bij welke specialist hij/zij onder behandeling is. Ook is het volgens de Wbp strikt genomen niet toegestaan om aan te geven of de arbeidsongeschiktheid arbeidsgerelateerd is. Indien de bedrijfsarts toch dergelijke informatie verschaft, zal de werkgever deze informatie moeten terugsturen danwel deze moeten vernietigen en om nieuwe informatie moeten vragen.
 
Geheimhouding
Gezondheidsgegevens mogen alleen worden verwerkt door personen die uit hoofde van hun beroep krachtens overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht. Zowel de bedrijfsarts als de werkgever zullen hiervoor zorg moeten dragen. Het verdient dan ook aanbeveling om de toegang tot deze gegevens enkel voorbehouden te laten zijn aan direct betrokkenen zoals de personeelsadministratie, de 'casemanager' en de leidinggevende.
 
College Bescherming Persoonsgegevens
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de Nederlandse 'privacy waakhond', heeft aangegeven strenger te gaan toezien op de naleving van de Wbp. Zo heeft het CBP op 2 april 2009 geoordeeld dat een arbodienst in strijd handelde met de Wbp door medische gegevens van zieke werknemers aan hun werkgevers te verstrekken. De arbodienst diende een bedrag ad € 1.000,- per volgende overtreding te betalen.
 
Het CBP lijkt hiermee een voorbeeld te willen stellen en aandacht te willen vragen voor een zorgvuldiger verwerking van gezondheidsgegevens tussen arbodienst en werkgever. Het is daarom raadzaam om na te gaan of de naleving van de Wbp binnen uw organisatie is gewaarborgd.

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

'Billenknijpen' op de werkvloer: (altijd) sexueel intimiderend?
Dient billenknijpen altijd als seksuele intimidatie te worden aangemerkt waarvoor de werkgever aansprakelijk kan worden gesteld, of is dit onder omstandigheden op de werkvloer toegestaan? Onlangs heeft de Hoge Raad zich over het knijpen in billen uitgelaten.
 
Als grap bedoeld
Een directeur van een stichting heeft tijdens de kerstborrel bij het binnengaan van de slechts met kaarslicht verlichte recreatiezaal een werknemer in de billen geknepen en daarbij de (in de ogen van de directeur grappige) opmerking "zo, wat doe jij hier in deze darkroom" gemaakt. De werknemer leek op dat moment niet erg onder de indruk van de situatie, maar heeft een aantal dagen later een klacht ingediend en zich ziekgemeld vanwege psychische klachten. Hierbij speelde een grote rol dat de werknemer een traumatische jeugdervaring heeft gehad.
 
Het dienstverband is ruim een jaar later door de rechter ontbonden vanwege een verstoring van de arbeidsrelatie. De werknemer vorderde vervolgens in een bodemprocedure zowel van de stichting als van de directeur een schadevergoeding wegens seksuele intimidatie, omdat de ontbindingsrechter deze omstandigheid niet had meegenomen in het vaststellen van de beëindigingsvergoeding.
 
Traumatische jeugdervaring
Het Hof Amsterdam is met de kantonrechter van mening dat de stichting (in tegenstelling tot hetgeen de werknemer beweert) heeft voldaan aan de vereiste zorgplicht, door onder meer mediation tussen de directeur en de werknemer aan te bieden en de directeur een waarschuwingsbrief te versturen. De stichting heeft hiermee de klacht van de werknemer serieus genomen en voldoende re-integratie-inspanningen verricht. De vordering tegen de stichting wordt dan ook afgewezen. De vraag of de directeur zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie beantwoordt het hof (ook) ontkennend. Het billenknijpen heeft voor de directeur geen enkele seksuele bijbedoeling gehad, de handeling - hoe ongewenst ook - sloot min of meer aan bij de wijze waarop de directeur en de werknemer onderling grappen maakten en de werknemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn waarde is aangetast. De ernst van de situatie is volgens het hof alleen gelegen in de heftige reactie van de werknemer vanwege de (voor de directeur onbekende) traumatische jeugdervaring.
 
Niet sexueel intimiderend
Het verweer van de werknemer dat het er niet om gaat hoe het billenknijpen was bedoeld, maar hoe hij het had ervaren, mocht bij de Hoge Raad niet baten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gedraging niet zonder meer als seksuele intimidatie moet worden aangemerkt als degene tegen wie de gedraging is gericht zich seksueel geïntimideerd voelt. Het moet gaan om gedrag dat een weldenkend mens heeft kunnen beleven als seksueel intimiderend. Daarvan is in dit geval kennelijk geen sprake, aldus de Hoge Raad.
 
Tot slot
Deze uitspraak betekent uiteraard géén vrijbrief voor billenknijpen op het werk. Het is nog steeds belangrijk dat u als werkgever klachten met betrekking tot seksuele intimidatie serieus neemt, een klachtregeling opstelt waarin sancties op dergelijk gedrag zijn opgenomen en het beleid consequent naleeft. Hiermee wordt het risico op aansprakelijkheid sterk verkleind. Mocht u nog geen klachtregeling hebben opgesteld, kunt u uiteraard voor advies contact met ons opnemen.

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

Commissie Gelijke Behandeling beoordeelt doorwerkcao positief
De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) heeft op verzoek van de Vereniging van Doorwerkgevers en de vakbond LBV een oordeel gegeven over de doorwerkcao. De doorwerkcao is tot stand gekomen op initiatief van Stichting Senior Werkt. De doorwerkcao kan worden toegepast op werknemers die met (pre)pensioen zijn en willen doorwerken. De doorwerkcao stelt werkgevers onder andere in staat om met deze gepensioneerde werknemers onbeperkt contracten voor bepaalde tijd te sluiten en kent een beperkte verplichting tot doorbetaling van loon bij ziekte.
 
De CGB heeft beoordeeld of de doorwerkcao verboden onderscheid maakt op grond van leeftijd, nu deze cao alleen van toepassing is op gepensioneerde werknemers. Het doel van de cao, het bieden van een arbeidsvoorwaardelijk kader zowel aan gepensioneerde werknemers die willen doorwerken als aan werkgevers die deze werknemers in dienst willen houden of nemen, is legitiem. Het strookt volgens de CGB met het belang dat de regering hecht aan het bevorderen van arbeidsdeelname van ouderen en bestrijdt bovendien discriminatie van ouderen bij toegang tot de arbeidsmarkt. De CGB is van oordeel dat overtuigend is aangevoerd dat werkgevers in de huidige situatie koudwatervrees hebben om gepensioneerde werknemers op wie geen reguliere cao van toepassing is, in dienst te houden of te nemen en dat er een cao als de doorwerkcao voor nodig is om werkgevers over de streep te trekken. De koudwatervrees heeft vooral te maken met de vrees van werkgevers voor langdurige ziekte van doorwerkende gepensioneerden in combinatie met ontslagbescherming. Ook is het lastig voor deze werknemers arbeidsongeschiktheids-, bedrijfsongevallen- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen af te sluiten. In de doorwerkcao zijn hiervoor adequate voorzieningen opgenomen.
 
De CGB heeft daarom geoordeeld dat het aanbieden van de doorwerkcao uitsluitend aan gepensioneerde werknemers objectief gerechtvaardigd is en geen verboden leeftijdsdiscriminatie oplevert.
 
De CGB is ook gevraagd of het aanbieden van arbeidsvoorwaarden uit de doorwerkcao, die afwijken van de arbeidsvoorwaarden van jongere collega's in hetzelfde bedrijf, verboden leeftijdsdiscriminatie oplevert. Begrijperlijkerwijs kan de CGB hierover geen algemeen oordeel geven, nu dit afhangt van de situatie per bedrijf. Wel heeft de CGB aangegeven dat als de werknemer in dienst is bij de Doorwerkgever B.V., de uitvoeringsorganisatie van de doorwerkcao, en gedetacheerd wordt, de verschillen in arbeidsvoorwaarden niet aan de inlenende werkgever kunnen worden toegerekend en geen sprake zal zijn van leeftijdsdiscriminatie. Dat is opmerkelijk, nu de commissie in eerdere zaken heeft geoordeeld over de vergelijking van uitzendkrachten met vaste medewerkers/gemeentelijke oproepkrachten. In deze zaken oordeelde de commissie - anders dan in deze zaak over de doorwerkcao - dat deze groepen met elkaar vergeleken konden worden. De reden hiervan was dat in deze zaken de werkgevers zelf als doelstelling hadden gelijkstelling van beide groepen. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake nu de doorwerkcao juist beoogt om 65-plussers een aan hun levenfase aangepast arbeidsvoorwaardenpakket aan te bieden dat niet gelijk is aan dat van 65-minners.
 
Voor de situatie dat de werkgever een cao heeft afgesloten met de vakbond LBV en de doorwerkcao rechtstreeks kan worden toegepast, somt de CGB de aspecten op aan de hand waarvan de werkgever kan aantonen dat het leeftijdsonderscheid in de arbeidsvoorwaarden objectief gerechtvaardigd is. Zo is ondermeer van belang of sprake is van een breder leeftijdsbewust personeelsbeleid.
 
Bovenstaande tekst is afkomstig van de website www.doorwerkgever.nl . De tekst van de volledige uitspraak van de Commissie is gepubliceerd op de website www.cgb.nl als oordeelnummer 2009-77.

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................

OR heeft geen instemmingsrecht of recht op informatie ten aanzien van afvloeiingsregelingen van individuele managementleden
In een door de Ondernemingsraad (OR) Recent heeft de kantonrechter in Tiel geoordeeld dat de Ondernemingsraad (hierna "OR") geen instemmingsrecht en geen recht op informatie heeft ten aanzien van afvloeiingsregelingen van individuele managementleden.
 
Feiten
Medio 2008 heeft de OR van vakbond De Unie het vertrouwen opgezegd in het management. Nadat tijdelijk een directeur ad-interim was aangesteld, is een nieuwe vaste directeur benoemd. Het managementteam is opgeheven. De OR heeft de ondernemer verzocht hem op grond van het algemene informatierecht te informeren over de met de betrokken leden van het managementteam getroffen afvloeiingsregeling. Ook heeft de OR de nietigheid van de getroffen afvloeiingsregelingen ingeroepen. De Unie heeft de gevraagde informatie niet gegeven en heeft daarnaast de nietigheid weersproken. Op grond van de wettelijke regeling is de kwestie ter bemiddeling voorgelegd aan de Algemene Bedrijfscommissie. Deze commissie heeft in april 2009 haar advies uitgebracht. Volgens de commissie is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een regeling op het gebied van ontslag- of bevorderingsbeleid als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder e WOR. Vervolgens heeft de OR zich tot de kantonrechter gewend. De kantonrechter dient te beoordelen of de OR een instemmingsrecht of recht op informatie heeft op grond van de WOR ten aanzien van de afvloeiingsregelingen van de individuele managementleden van De Unie.
 
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter overweegt dat artikel 27 lid 1 WOR - dat een lijst bevat met instemmingsplichtige besluiten - ziet op voorgenomen besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van de in dat artikellid bedoelde regelingen. Het gaat om besluiten over het sociale beleid in de onderneming in de ruime zin van het woord. De in dit artikellid opgenomen opsomming van instemmingsplichtige regelingen is limitatief: staat de regeling niet in de lijst dan gaat het om een niet instemmingsplichtige regeling. De essentie is dat het moet gaan om besluiten van het bestuur van algemene strekking die bedoeld zijn om ook in de toekomst te worden toegepast. Daarmee vallen maatregelen ten aanzien van individuele werknemers buiten de reikwijdte van artikel 27 lid 1 WOR, aldus de kantonrechter. Voor zover al sprake zou zijn van met de leden van het voormalig managementteam getroffen afvloeiingsregelingen (hetgeen niet is komen vast te staan in de procedure bij de kantonrechter), bestaat dus geen instemmingsrecht in de zin van de WOR.
 
Voor wat betreft het beroep van de OR op het recht op informatie gaat de kantonrechter in op de artikelen 31d en 31e van de WOR. In deze bepalingen wordt het informatierecht van de OR over de hoogte en inhoud van arbeidsvoorwaardelijke afspraken geregeld ten aanzien van de verschillende groepen werknemers, het bestuur van de rechtspersoon en het toezichthoudend orgaan. De kantonrechter is van oordeel dat het managementteam als "groep" kan worden aangemerkt in de zin van artikel 31d WOR. De kantonrechter overweegt vervolgens dat de OR geen taak op het gebied van arbeidsvoorwaarden van individuele personeelsleden en daarover gemaakte afspraken heeft. De onderneming dient de OR zodanige informatie te verschaffen over de gemaakte afspraken dat de invloed van de afspraken over de financiële positie van de onderneming duidelijk wordt, zonder dat de informatie te herleiden is naar individuele personen. Nu niet vaststaat dat afspraken met het managementteam zijn gemaakt, wordt het verzoek van de OR afgewezen.
 
Opmerkingen
Artikel 27 lid 1 onderdeel e WOR bevat het instemmingsrecht van de OR ten aanzien van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid. Het gaat om algemene regelingen die in een onderneming worden getroffen op het gebied van het aanstellingsbeleid (waaronder begrepen de behandeling van sollicitanten, regelingen met betrekking tot de aanstelling in tijdelijke of vaste dienst, voor bepaalde of voor onbepaalde tijd, overplaatsingsbeleid, etcetera), het ontslagbesluit (bijvoorbeeld een regeling voor vervroegde uittreding) en het bevorderingsbeleid (bijvoorbeeld richtlijnen voor interne promoties). De OR heeft uitdrukkelijk geen bemoeienis met individuele aanstellingen, ontslagen of bevorderingen (of het uitblijven daarvan).
 
Artikel 31d WOR ziet op het informatierecht over beloningsverhoudingen. Dit artikel is op 1 september 2006 toegevoegd aan de WOR, omdat een groot deel van de informatie over de arbeidsvoorwaarden in de onderneming voor de OR reeds bereikbaar is via de CAO of de bestaande rechtspositieregelingen, maar niet over de arbeidsvoorwaarden van personeel dat niet onder een CAO valt en voor de beloningsstructuur van het bestuur en de toezichthoudende organen (zoals bijvoorbeeld de Raad van Commissarissen). Om in deze leemte in de wet te voorzien, is artikel 31d WOR ingevoerd. Op grond hiervan is de ondernemer verplicht om ten minste éénmaal per jaar aan de OR schriftelijke informatie te verschaffen over de hoogte en de inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met de verschillende (functionele) groepen van in de onderneming werkzame personen.
 
Dezelfde verplichting geldt met betrekking tot het bestuur van de onderneming en het toezichthoudend orgaan (zoals de Raad van Commissarissen of de Raad van Toezicht). Dit informatierecht heeft niet alleen betrekking op de omvang van de kosten (hoogte van de beloningen), maar ook op de inhoud van de regelingen/afspraken waar deze uit voortvloeien. Denk aan: winstdelingsregelingen, optieregelingen, prestatiebeloningen, bonussen en vertrekregelingen.
 
Ten aanzien van dergelijke regelingen en afspraken dient de OR ook tussentijds over belangrijke wijzigingen geïnformeerd te worden. Aangezien het niet de bedoeling is van de informatieverplichting dat de beloningsgegevens herleidbaar zijn tot individuele personen, kan de ondernemer groepen die uit minder dan vijf personen bestaan samenvoegen en aldus die informatie gebundeld aan de OR presenteren.
 
De verplichting om de hierboven bedoelde informatie aan de OR te verstrekken is beperkt tot ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn. Verder is de verplichting niet van toepassing op (familie)bedrijven waarvan de bestuurder tevens directeur-grootaandeelhouder is, dat wil zeggen meer dan 5 % van de aandelen in zijn bezit heeft. Ook geldt de verplichting niet voor zogenoemde kleine en middelgrote rechtspersonen die verplicht zijn een jaarrekening te publiceren. Voor grotere open naamloze vennootschappen geldt dat de informatie over de beloning van individuele bestuursleden en commissarissen moet worden verstrekt in de jaarrekening.
 
Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen en relevante uitspraken op het gebied van medezeggenschap? Lees dan onze nieuwsbrief met actuele artikelen.

Inhoudsopgave