Arbeidsrecht - november 2007

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief:

  • Geen recht op loon bij alcohol- en drugsverslaving
    Op 14 september 2007 heeft de Kantonrechter Gouda geoordeeld dat een werknemer die langdurig alcohol en drugs gebruikt, geen recht heeft op loon indien hij door het gebruik arbeidsongeschikt is geraakt. Lees verder »

  • Hoge vergoeding bij weigering deelname aan mediation
    De Kantonrechter Amersfoort heeft onlangs aan een werknemer een hoge vergoeding (C=1,5) toegekend, omdat de werkgever niet was ingegaan op de suggestie van het UWV om een mediationtraject te volgen. Volgens de kantonrechter was hierdoor de noodzaak tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst grotendeels aan de werkgever te wijten. Lees verder »

  • Managementovereenkomst of toch een arbeidsovereenkomst?
    Recent heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen dat ziet op de vraag wanneer een overeenkomst van opdracht gezien moet worden als een arbeidsovereenkomst, met alle onvoorziene fiscale en financiële gevolgen van dien. Lees verder »

  • Kennelijk onredelijke opzegging door een werknemer
    Een beroep op een kennelijk onredelijk ontslag wordt in de regel met name door de werknemer gedaan. Uit een recente uitspraak van de Kantonrechter Breda blijkt echter dat ook een werkgever succesvol een beroep op deze bepaling kan doen. Lees verder »

  • Drugsgebruik in privétijd levert ontslag op staande voet op
    De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 september 2007 geoordeeld dat het gebruik van verdovende middelen door de werkneemster in privétijd ontslag op staande voet oplevert. Lees verder »

............................................................................................................................................................................

Geen recht op loon bij alcohol- en drugsverslaving

Op 14 september 2007 heeft de Kantonrechter Gouda geoordeeld dat een werknemer die langdurig alcohol en drugs gebruikt, geen recht heeft op loon indien hij door het gebruik arbeidsongeschikt is geraakt.

De werknemer had zich in december 2006 ziek gemeld. Nadat de werkgever vernam dat de oorzaak van de ziekmelding van de werknemer was gelegen in een alcohol- en drugsverslaving, zette hij de betaling van het loon aan de werknemer per direct stop. De werkgever ging weer over tot betaling van het loon nadat de werknemer het werk (gedeeltelijk) had hervat. De werknemer startte een kort geding waarin hij het loon vorderde over de periode dat hij ziek was geweest en geen loon had ontvangen. Hij beriep zich hierbij op het feit dat psychische factoren de oorzaak waren van zijn alcohol- en drugsgebruik.

Op grond van artikel 7:629 lid 3 sub a BW heeft een werknemer geen recht op loondoorbetaling tijdens ziekte indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt. De opzet van de werknemer moet zijn gericht op het arbeidsongeschikt worden. De kantonrechter oordeelt in deze zaak dat de verslaving aan alcohol en drugs als gevolg waarvan de werknemer ziek is geworden en enkele maanden niet heeft kunnen werken, opzet oplevert in de zin van de wet, althans een met opzet gelijk te stellen ernstige mate van schuld. De door de werknemer gestelde psychische problemen (die de werknemer overigens niet nader had onderbouwd), kunnen volgens de kantonrechter geen rechtvaardiging opleveren voor de verslaving, hoe ernstig deze problemen ook (kunnen) zijn. Indien de werknemer inderdaad psychische problemen kende, had hij deskundige hulp moeten zoeken en wellicht medicijnen kunnen innemen. Men raakt pas verslaafd aan alcohol en/of drugs na langdurig en veel gebruik van deze middelen, aldus de kantonrechter. De werknemer heeft volgens de kantonrechter bij volle bewustzijn zelf gekozen voor een aanzienlijk en langdurig gebruik van alcohol en drugs. De werknemer dient dan ook het risico te dragen van dit langdurig gebruik. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer tot betaling van het loon af.

Deze uitspraak is opmerkelijk omdat door rechters zelden wordt geoordeeld dat sprake is van 'opzettelijk veroorzaken van ziekte'. Het is vrijwel onmogelijk voor een werkgever om aan te tonen dat de opzet gericht is op het arbeidsongeschikt worden. Zo kan opzettelijk risicovol gedrag, zoals sportbeoefening (bijv. bergbeklimmen, autoracen, skiën, etc.) of het ondergaan van een "make-me-beautiful"-operatie, niet tot verlies van de aanspraak op loondoorbetaling leiden.

Toekomstige rechtspraak zal (moeten) uitwijzen of met de uitspraak van de Kantonrechter Gouda daadwerkelijk een andere koers is ingezet. Het is onze inschatting dat de uitspraak geen of weinig navolging zal krijgen omdat overmatig alcohol- en/of drugsgebruik zelden zal zijn gericht op het ontstaan van arbeidsongeschiktheid. Wij zullen de rechtspraak nauwlettend volgen voor u.


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Hoge vergoeding bij weigering deelname aan mediation

De Kantonrechter Amersfoort heeft onlangs aan een werknemer een hoge vergoeding (C=1,5) toegekend, omdat de werkgever niet was ingegaan op de suggestie van het UWV om een mediationtraject te volgen. Volgens de kantonrechter was hierdoor de noodzaak tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst grotendeels aan de werkgever te wijten.

Mediation is bemiddeling door een derde (de mediator) bij het oplossen van geschillen tussen partijen. De mediator laat partijen naar een oplossing voor hun geschil zoeken. De belangrijkste voorwaarde voor mediation is dat deze op basis van vrijwilligheid plaatsvindt. Uit jurisprudentie blijkt echter dat bij arbeidsconflicten vaak geen sprake is van mediation op basis van vrijwilligheid. De kantonrechter laat zijn oordeel geregeld afhangen van de reactie van de werkgever of de werknemer op een - al dan niet door de kantonrechter gedaan - voorstel voor mediation. Dit leidt er veelal toe dat indien de werkgever zijn medewerking aan mediation weigert, de vergoeding hoger wordt en indien de werknemer zijn medewerking aan mediation weigert, de vergoeding lager uitvalt. De werkgever respectievelijk de werknemer hebben volgens de rechter niet voldoende gedaan om de verstoorde relatie te herstellen, wanneer zij niet willen meewerken aan mediation.

Uit het bovenstaande blijkt dat partijen in een arbeidsconflict min of meer worden gedwongen om deel te nemen aan een mediationtraject. Doen zij dat niet, dan voelen zij dit in hun portemonnee. Uiteraard kan mediation in een aantal gevallen uitkomst bieden en is het daarom vaak het proberen waard. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarin de verhoudingen dusdanig zijn verstoord dat vooraf al vaststaat dat mediation zinloos is. Een voorbeeld uit de rechtspraak is de volgende situatie. De werknemer wilde op korte termijn enkele weken op vakantie. De werkgever verleende daarvoor geen toestemming en er ontstond een arbeidsconflict. Vervolgens meldde de werknemer zich ziek. De werkgever bood de werknemer verschillende keren de gelegenheid het werk te hervatten en maakte de werknemer  zijn excuses. Uiteindelijk heeft de werknemer de kantonrechter om ontbinding verzocht. De Kantonrechter Hilversum vond dat in dat geval niet van de werkgever kon worden verwacht dat hij een mediator inschakelde omdat de werknemer op geen enkel moment had aangegeven daadwerkelijk bereid te zijn om zijn werkzaamheden te hervatten.

Uitspraken zoals de laatstgenoemde zijn zeldzaam. Veel rechters achten het feit dat geen mediationtraject is gevolgd - wanneer dit is voorgesteld -  reeds voldoende om aan te nemen dat er niet genoeg is gedaan om de arbeidsrelatie te herstellen. Het is voor een werkgever die geconfronteerd wordt met een arbeidsconflict dan ook verstandig altijd deel te nemen aan mediation wanneer dit wordt voorgesteld door bijvoorbeeld het UWV, de bedrijfsarts of de werknemer zelf. Alleen al het feit dát een werkgever deelneemt aan een mediationtraject werkt in de regel in zijn voordeel bij de rechter.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Managementovereenkomst of toch een arbeidsovereenkomst?

Recent heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen dat ziet op de vraag wanneer een overeenkomst van opdracht gezien moet worden als een arbeidsovereenkomst, met alle onvoorziene fiscale en financiële gevolgen van dien.

De tendens is dat hoogopgeleide mensen steeds vaker de voorkeur geven aan een opdrachtovereenkomst in plaats van een arbeidsovereenkomst. Men treedt in dat geval niet als werknemer in dienst, maar sluit als zelfstandige een managementovereenkomst (een overeenkomst van opdracht) met dit bedrijf.

Wat speelde er in bovengenoemde zaak? Stichting Thuiszorg Rotterdam had een managementovereenkomst gesloten met een management B.V. Met het sluiten van deze managementovereenkomst beoogden partijen onder het afdragen van de pensioenpremies uit te komen. De management B.V. had haar directeur te werk gesteld bij Thuiszorg Rotterdam in de hoedanigheid van algemeen directeur. Stichting Pensioenfonds PGGM had Thuiszorg Rotterdam aangesproken op niet afgedragen pensioenpremies ten behoeve van de directeur. Volgens PGGM was er sprake van een arbeidsovereenkomst, zodat deze relatie onder de werking viel van de Wet verplichte deelneming in een pensioenfonds.

De Hoge Raad overweegt in dit arrest dat bij de beantwoording van de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst geldt, niet alleen de partijbedoeling van belang is, maar ook de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat er sprake is van een gezagsverhouding en dat de directeur de werkzaamheden persoonlijk dient te verrichten. Verder moeten de betalingen die Thuiszorg Rotterdam heeft verricht, beschouwd worden als een tegenprestatie voor de verrichte werkzaamheden. Op grond van de feiten en omstandigheden komt de Hoge Raad dan ook tot het oordeel dat tussen Thuiszorg Rotterdam en de directeur sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Uit deze uitspraak van de Hoge Raad volgt dat de bedoeling van partijen van doorslaggevende betekenis is, maar dat ook de uitvoering door partijen een belangrijke rol speelt.

Voor een arbeidsovereenkomst moet er sprake zijn van een gezagsrelatie tussen partijen. Verder moet de "werknemer" een vergoeding (loon) ontvangen voor zijn prestatie en moet hij zijn arbeid persoonlijk verrichten. Deze aspecten mogen geen onderdeel uitmaken van (de uitvoering van) de managementovereenkomst. Als opdrachtgever moet u hiervoor waken, zo blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad. Indien bij de feitelijke uitvoering van de managementovereenkomst aspecten van een arbeidsovereenkomst aan de orde zijn, is het mogelijk dat een rechter in een procedure oordeelt dat er - ondanks de bedoeling van partijen - toch sprake is van een arbeidsovereenkomst met alle aanspraken en werknemersbescherming die de wet de werknemer biedt.

Let op: Ook in het geval er géén sprake is van een arbeidsovereenkomst dient de opdrachtgever ervoor te waken dat de opdrachtnemer voor meer dan twee opdrachtgevers werkzaamheden verricht. Immers, voldoet de opdrachtnemer namelijk niet aan deze eis, dan heeft, ondanks het feit dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, dit toch arbeidsrechtelijke consequenties op grond van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ("BBA") tot gevolg. Dit betekent dat u de overeenkomst met de opdrachtnemer pas kunt opzeggen nadat de CWI u hiervoor toestemming heeft verleend. Oplettendheid blijft dus meer dan geboden. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met één van onze redactieleden.

Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Kennelijk onredelijke opzegging door een werknemer

Een beroep op een kennelijk onredelijk ontslag wordt in de regel met name door de werknemer gedaan. Uit een recente uitspraak van de Kantonrechter Breda blijkt echter dat ook een werkgever succesvol een beroep op deze bepaling kan doen.

Wanneer de werkgever een opzegging van de arbeidsovereenkomst van de werknemer inhoudelijk wil toetsen kan hij zich beroepen op het artikel omtrent de kennelijk onredelijke opzegging (artikel 7:681 lid 3 BW). Met kennelijk wordt bedoeld dat de onredelijkheid voor een ieder duidelijk moet zijn. In de wet wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven wat onder kennelijk onredelijkheid valt. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zal onder meer kennelijk onredelijk geacht worden wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen, onder opgave van een voorgewende of valse reden of wanneer de gevolgen van de opzegging voor de werkgever te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werknemer bij de opzegging. Met een voorgewende reden wordt gedoeld op een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is, met een valse reden wordt gedoeld op een niet bestaande reden.

De geringe jurisprudentie betreffende een kennelijk onredelijke opzegging door de werknemer bewijst dat een werkgever nog maar zelden een beroep hierop heeft gedaan. Echter, op 20 juni 2007 oordeelde de Kantonrechter Breda dat sprake was van een kennelijk onredelijke opzegging door een werknemer. De werkneemster was sinds 2001 in dienst bij een psychologenmaatschap in de functie van orthopedagoog en zegde onverwachts en tussentijds haar dienstverband op. Nu de werkgever dusdanig geïnvesteerd had in de werkneemster en in de veronderstelling was dat zij nog minimaal twee jaar bij de werkgever werkzaam zou zijn, vorderde de werkgever € 20.000,- bruto wegens een kennelijk onredelijke opzegging door de werkneemster.

De kantonrechter oordeelde dat de werkneemster onder opgave van een voorgewende reden van haar arbeidsovereenkomst af probeerde te komen: terwijl ze zicht had op een nieuwe baan, wendde ze een verstoring van de arbeidsrelatie voor. Vanwege de financiële investeringen in de werkneemster, zouden de gevolgen voor de werkgever voorts te ernstig zijn vergeleken met het belang van de werknemer bij de opzegging. Hierbij speelde tevens mee dat de werkneemster meer rekening met de belangen van de werkgever had behoren te houden. Door haar arbeidsovereenkomst direct na afronding van haar opleiding op te zeggen, had de werkneemster deze belangen volgens de kantonrechter onvoldoende gerespecteerd.

Vooralsnog lijkt het leeuwendeel van werkgevers onbekend met de mogelijkheid een beroep te doen op de kennelijk onredelijke opzegging. Dat een dergelijk beroep evenwel kan lonen, met name indien er (financieel) in de werknemer is geïnvesteerd, blijkt uit de hierboven behandelde uitspraak van de Kantonrechter Breda.


Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Drugsgebruik in privétijd levert ontslag op staande voet op

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 september 2007 geoordeeld dat het gebruik van verdovende middelen door de werkneemster in privétijd ontslag op staande voet oplevert.

De feiten waren als volgt. De werkneemster was werkzaam als serveerster in een hotel / casino op Aruba. Het casino voerde een zeer streng anti-drugsbeleid. In het kader van dit anti-drugsbeleid had de werkneemster een "Drug-Free Workplace Policy"-training gevolgd, waarbij zij een verklaring had ondertekend dat zij aanvaardde dat een positieve alcohol- of drugstest een reden voor ontslag zou kunnen opleveren. Op enig moment moest de werkneemster een drugstest ondergaan in het kader van het anti-drugsbeleid van het casino. Zij testte positief op cocaïne. De werkneemster weigerde hierop deelname aan een rehabilitatieprogramma, waarna het casino haar op staande voet ontsloeg.

De Hoge Raad overweegt dat door het ondertekenen van genoemde verklaring werkneemster te kennen heeft gegeven dat zij het strenge anti-drugsbeleid van werkgever goed heeft begrepen, in die zin dat een positieve test tot ontslag zou kunnen leiden (ongeacht of het gebruik een negatief effect heeft op het werk). De werkneemster aanvaardde - aldus de Hoge Raad -  dat cocaïnegebruik ook in de privésfeer tot ontslag kan leiden. Verder oordeelt de Hoge Raad dat bij de afweging van het belang van de werkneemster om in haar vrije tijd cocaïne te gebruiken tegenover het belang van het casino bij het behoud van haar goede naam meer gewicht moet worden toegekend aan het belang van het casino dan aan dat van de werkneemster.

Het arrest van de Hoge Raad is interessant. Cocaïnegebruik in de privésfeer kan tot ontslag op staande voet leiden, ongeacht of het gebruik een negatief effect heeft op het werk. Dat lijkt tamelijk ver te gaan. In de Arubaanse zaak ging het weliswaar om een werkgever die op voorhand door beleid had aangegeven van diens werknemers geen drugsgebruik te tolereren, hetgeen bij de werknemers ook bekend was danwel in ieder geval kon zijn en in het licht van de representatieve functie van de betreffende werkneemster ook kon worden verwacht. De vraag rijst uiteraard hoever de invloed van een werkgever kan en mag zijn in de privésfeer van werknemers. In het verleden zijn er al rechterlijke uitspraken geweest over werkgevers die zich gingen bemoeien met het lichaamsgewicht, de geloofsovertuiging etc. van werknemers. Het laat zich aanzien dat er de komende jaren steeds meer uitspraken zullen komen waarin vermenging plaatsvindt tussen het professionele en privéleven van werknemers en werkgevers. Wij zullen u uiteraard van de ontwikkelingen op de hoogte houden.


Inhoudsopgave