Arbeidsrecht - november 2006

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief:

  • Gelijke arbeid, gelijk loon?
    Op 3 oktober 2006 heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat werkgevers onder bepaalde omstandigheden onderscheid mogen maken bij de beloning van werknemers die dezelfde werkzaamheden verrichten. Lees verder »

  • Informatierecht gaat stijging van topinkomens tegen
    Met ingang van 1 september 2006 is het informatierecht van de ondernemingsraad (OR) uitgebreid op het gebied van de beloning en de arbeidsvoorwaarden van alle groepen medewerkers. De discussie die de afgelopen jaren met grote regelmaat werd gevoerd over de (stijging van) topinkomens was aanleiding voor de wetswijziging.  Lees verder »

  • Nieuwe inkomensvoorziening voor oudere werknemers (IOW)
    Er is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer door minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inhoudende een inkomensvoorziening voor oudere werknemers in plaats van de huidige IOAW (inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers). Lees verder »

  • (Seksuele) intimidatie: een last voor de werkgever
    Op 3 oktober 2006 heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat de positie van de (seksueel) geïntimideerde werknemer moet versterken. Bij een klacht over (seksuele) intimidatie kan de rechter voortaan beslissen dat de bewijslast naar de werkgever wordt verschoven. De werknemer moet wel eerst voldoende aannemelijk maken dat er sprake is geweest van (seksuele) intimidatie. Lees verder »

  • De nieuwe zorgverzekeringswet versus oude afspraken
    Op 1 januari 2006 is de nieuwe Zorgverzekeringswet (ZVW) ingevoerd. Op basis van deze wet moet de werkgever een inkomensafhankelijke bijdrage betalen. Echter, ook voor de komst van de ZVW waren veel werkgevers al verplicht hun werknemers een tegemoetkoming in de ziektekosten te betalen. Hoe moet nu worden omgegaan met de reeds bestaande vergoedingsregelingen? De kantonrechter Leiden deed hier op 9 augustus 2006 een interessante uitspraak over. Lees verder »

............................................................................................................................................................................

Gelijke arbeid, gelijk loon?

Op 3 oktober 2006 heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat werkgevers onder bepaalde omstandigheden onderscheid mogen maken bij de beloning van werknemers die dezelfde werkzaamheden verrichten.

In deze zaak ging het om een Britse werkneemster die in Manchester als inspecteur van de volksgezondheid werkte. Op enig moment ontdekte zij dat zij ongeveer € 7.400 tot € 13.000 bruto per jaar minder verdiende dan haar mannelijke collega's die hetzelfde werk deden. De werkneemster vond dat zij als vrouw werd achtergesteld bij mannen en spande een rechtszaak aan tegen haar werkgever. De werkgever stelde dat de mannelijke collega's van de werkneemster meer werkervaring hadden, hetgeen een verschil in beloning rechtvaardigde. De Britse rechter besloot in hoger beroep om de zaak aan het Europese Hof (hierna: Hof) voor te leggen.

Het Hof overwoog dat een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen die gelijke of gelijkwaardige arbeid verrichten, kan ontstaan door een verschil in anciënniteit (ervaringsjaren). Een legitiem doel van loonbeleid is om beroepservaring te belonen. Toepassing van het anciënniteitscriterium is een geschikt middel om dat doel te bereiken, zo oordeelde het Hof. Desalniettemin liet het Hof in zijn uitspraak wel enige ruimte voor een werknemer om te protesteren tegen ongelijke beloning. De werknemer zal dan moeten aantonen dat meer ervaring geen verschil maakt voor de kwaliteit van het werk.

Voor de praktijk betekent bovenstaande uitspraak van het Hof dat vooral vrouwen, die vaak enige tijd niet werken vanwege bijvoorbeeld zwangerschapverlof en/of zorg voor kinderen, niet automatisch recht hebben op evenveel loon als hun mannelijke collega's.

De vakbond FNV meent dat de uitspraak voorlopig weinig effect zal hebben op de Nederlandse situatie. Hoe werkervaring meeweegt is veelal vastgelegd in CAO's en die kunnen niet eenzijdig worden aangepast door werkgevers, aldus een woordvoerder van de FNV.

Terug naar inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Informatierecht gaat stijging van topinkomens tegen

Met ingang van 1 september 2006 is het informatierecht van de ondernemingsraad (OR) uitgebreid op het gebied van de beloning en de arbeidsvoorwaarden van alle groepen medewerkers. De discussie die de afgelopen jaren met grote regelmaat werd gevoerd over de (stijging van) topinkomens was aanleiding voor de wetswijziging.

Als gevolg van de wetswijziging (Wet Harrewijn) is de ondernemer voortaan verplicht schriftelijk informatie te verstrekken over de hoogte en de inhoud van de arbeidsvoorwaarden en de afspraken per functiegroep. Daarnaast dient de ondernemer dezelfde informatie te verschaffen over het bestuur dat de rechtspersoon vertegenwoordigt én dient hij informatie te verstrekken over het totaal van de vergoedingen dat wordt verstrekt aan het toezichthoudend orgaan (Raad van Commissarissen, Raad van Toezicht, etc.). Bovendien is de ondernemer verplicht jaarlijks aan te geven met welk percentage de arbeidsvoorwaarden van bestuurders, commissarissen en medewerkers zijn gestegen.

De achterliggende gedachte van de uitbreiding van het bestaande informatierecht van de OR is om meer inzicht en openheid te creëren binnen een onderneming. Deze openheid dient ervoor te zorgen dat de OR meer inzicht krijgt in de inkomensontwikkeling van de verschillende functiegroepen, met name die van de topfunctionarissen en medewerkers die boven het CAO niveau uitstijgen. De bestuurder en de OR wordt hiermee de mogelijkheid gegeven om op gelijkwaardig niveau te overleggen en te discussiëren over verschillen in arbeidsvoorwaarden en beloningen. De ondernemer zal dus vanaf nu een substantiële verhoging van het salaris van topfunctionarissen in verhouding tot een salarisverhoging van de overige functiegroepen deugdelijk moeten kunnen onderbouwen.

Men verwacht dat van de uitbreiding van het informatierecht een preventieve werking uitgaat om te voorkomen dat er verschillende inkomensontwikkelingen ontstaan die in alle redelijkheid niet te motiveren zijn. Verder verwacht men dat de dialoog over het te voeren inkomensbeleid wordt bevorderd. De regels gelden ook voor de overheid en de non-profit sector. De regels gelden echter niet voor ondernemingen met minder dan 100 medewerkers, familiebedrijven en grootaandeelhouders.

De vraag is evenwel of de wetswijziging ook daadwerkelijk gevolgen zal hebben voor de beloning van topfunctionarissen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel ging namelijk verder en stelde dat de OR geïnformeerd diende te worden over de beloning van de topbestuurders en commissarissen. Dit is later teruggebracht naar functiegroepen. De informatieplicht gaat dus niet zover dat voor iedere individuele bestuurder de arbeidsvoorwaarden bekend gemaakt dienen te worden, maar is alleen van toepassing op de regeling van de gehele functiegroep. Als een functiegroep echter uit een kleine groep medewerkers of uit één medewerker bestaat, kan een en ander uiteraard wel herleid worden naar individuele medewerkers. Zolang de regels een zwaarwegend maatschappelijk belang dienen en in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit ("de maatregel staat in verhouding tot het doel") en subsidiariteitsbeginsel ("het doel kan niet met minder verregaande maatregelen worden bereikt"), wordt de uitbreiding van het informatierecht niet in strijd geacht met het recht op privacy. Of de wetswijziging ook daadwerkelijk meer inzicht en openheid zal brengen binnen een onderneming zal in de toekomst moeten blijken.

Terug naar inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Nieuwe inkomensvoorziening voor oudere werknemers (IOW)

Er is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer door minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inhoudende een inkomensvoorziening voor oudere werknemers in plaats van de huidige IOAW (inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers).

Het wetsvoorstel is voorlopig aangehouden tot een nader te bepalen datum. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, gaat de inkomensvoorziening er als volgt uitzien. Voor oudere werknemers die op of na 1 oktober 2006 werkloos worden, komt er na afloop van de WW een speciale uitkering. Deze zogeheten inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW) ligt op het sociaal minimum. Degenen die na hun 50ste werkloos worden, hoeven niet eerst hun vermogen aan te spreken om voor de uitkering in aanmerking te komen. Als de eerste werkloosheidsdag na de 60ste verjaardag valt, wordt bovendien niet gekeken naar het inkomen van de partner. Het gaat om een tijdelijke regeling die in 2010 wordt geëvalueerd. Het kabinet stelt de regeling open voor oudere werknemers die voor 1 juli 2011 werkloos worden. Aanleiding voor dit wetsvoorstel is de nieuwe WW (zie eerdere Nieuwsbrief augustus 2006). Met de nieuwe WW wordt de maximale uitkeringsduur verkort van vijf jaar tot drie jaar en twee maanden. Deze maatregel past in het streven van het kabinet om meer ouderen aan het werk te krijgen of te houden.

Voorwaarde voor een IOW-uitkering is dat de oudere werkloze meer dan drie maanden een WW-uitkering heeft ontvangen. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) zal de regeling uitvoeren. Net als bij de IOAW kent de IOW een sollicitatieplicht voor zowel de oudere werkloze als de partner. Het UWV kan op individuele gronden besluiten dat iemand tijdelijk niet hoeft te solliciteren.

Het kabinet beseft dat ondanks de toenemende werkgelegenheid de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers nog niet sterk genoeg is. Naar het oordeel van het kabinet rechtvaardigt dit een aparte tijdelijke inkomensvoorziening die oudere werklozen niet verplicht na afloop van hun WW eerst hun vermogen 'op te eten' en 60-plussers niet kort als hun partner een inkomen heeft. Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een tijdelijke regeling, omdat naar verwachting vergrijzing en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt zullen zorgen voor meer werkgelegenheid voor ouderen en dus voor een betere arbeidsmarktpositie voor deze groep.

Terug naar inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

(Seksuele) intimidatie: een last voor de werkgever
Op 3 oktober 2006 heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat de positie van de (seksueel) geïntimideerde werknemer moet versterken. Bij een klacht over (seksuele) intimidatie kan de rechter voortaan beslissen dat de bewijslast naar de werkgever wordt verschoven. De werknemer moet wel eerst voldoende aannemelijk maken dat er sprake is geweest van (seksuele) intimidatie.

De huidige nationale wetgeving voorziet in art. 7:646 BW in een verbod op onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de arbeid. Intimidatie en seksuele intimidatie werden in Nederland nog niet expliciet beschouwd als vormen van discriminatie op grond van geslacht. Europese regelgeving heeft hierin verandering gebracht.

Op grond van Richtlijn 2002/73/EG is (seksuele) intimidatie ten aanzien van de arbeid verboden. In de richtlijn worden de volgende definities gehanteerd:

Onder intimidatie wordt verstaan: gedrag dat met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

Onder seksuele intimidatie wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.

Door implementatie van de Richtlijn in de Nederlandse wetgeving wordt het verbod op (seksuele) intimidatie expliciet opgenomen in de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB) en het Burgerlijk Wetboek. In combinatie met de mogelijkheid tot verschuiving van de bewijslast ontstaat hierdoor voor de geïntimideerde werknemer een sterker middel om tegen (seksuele) intimidatie op te treden.

Het gaat hier overigens alleen om de relatie tussen werkgever en werknemer. Indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er een vermoeden van (seksuele) intimidatie bestaat, moet de werkgever aantonen dat de klacht ongegrond is. Hij moet aantonen dat hij alles heeft gedaan om (seksuele) intimidatie te voorkomen en dat hij correct en zorgvuldig heeft gehandeld. In de relatie slachtoffer-dader moet het slachtoffer voor strafrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid nog steeds bewijzen dat er sprake is geweest van (seksuele) intimidatie.

Of de aangepaste wetgeving zal leiden tot meer procedures is nog de vraag. Een werknemer moet immers nog steeds feiten aanvoeren die (seksuele) intimidatie doen vermoeden. In de praktijk is dit niet altijd eenvoudig. Wel ontstaat er voor de werkgever meer druk om een preventief beleid te voeren ter bescherming van werknemers tegen (seksuele) intimidatie. De werkgever was hiertoe overigens al verplicht op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Indien een werkgever een dergelijk beleid niet voert, kan door de rechter worden geoordeeld dat hij niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor het gedrag van de beschuldigde werknemer.

Terug naar inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

De nieuwe zorgverzekeringswet versus oude afspraken
Op 1 januari 2006 is de nieuwe Zorgverzekeringswet (ZVW) ingevoerd. Op basis van deze wet moet de werkgever een inkomensafhankelijke bijdrage betalen. Echter, ook voor de komst van de ZVW waren veel werkgevers al verplicht hun werknemers een tegemoetkoming in de ziektekosten te betalen. Hoe moet nu worden omgegaan met de reeds bestaande vergoedingsregelingen? De kantonrechter Leiden deed hier op 9 augustus 2006 een interessante uitspraak over.

In de Leidense zaak gold al sinds 1999 tussen werkgever en werknemer de afspraak dat de werkgever voor 50% bijdraagt in de premie voor de ziektekostenverzekering van de werknemer. Op een gegeven moment bestaat tussen partijen discussie over deze afspraak en de werknemer stapt naar de rechter. Naar de opvatting van de werknemer is de werkgever nu en in de toekomst gehouden aan genoemde afspraak. De werkgever stelt echter dat de in 1999 overeengekomen werkgeversbijdrage niet langer onverkort kan worden toegepast, omdat met de invoering van de ZVW per 1 januari 2006 een geheel nieuwe situatie is ontstaan.

De kantonrechter stelt de werkgever in het gelijk en overweegt daarbij het volgende:

  • met de invoering van de ZVW is een nieuwe situatie ontstaan met betrekking tot het totale ziektekostenverzekeringsstelsel in Nederland en de werkgeversbijdrage in de premie daarvoor;
  • daarmee is de ratio aan de afspraak in de arbeidsovereenkomst (die overigens ontleend is aan een CAO-afspraak) komen te ontvallen;
  • het voorstel van de werkgever, om de overeengekomen regeling te vervangen door de wettelijke regeling, is redelijk en de werknemer had dat voorstel niet mogen afwijzen;
  • dat de wettelijke regeling in de toekomst (door premiestijging) mogelijk nadeliger uitpakt, is een gevolg van overheidsbeleid en ontwikkelingen in de gezondheidszorg waarop partijen geen invloed hebben, en daarom geen reden om de achterhaalde overeengekomen regeling toch nog van toepassing te achten;
  • tot die onvoorspelbare toekomstige ontwikkelingen behoren evenzeer toekomstige loon- en CAO-onderhandelingen die daarop inspelen.

De uitspraak van de kantonrechter is interessant, nu in beginsel eenzijdige wijzigingen van contractuele afspraken niet zijn toegestaan. Bovendien heeft de wetgever bij de invoering van de ZVW bepaald dat oude contractuele afspraken door de invoering van de wet niet komen te vervallen. De kantonrechter Leiden is daarentegen van mening dat de door de invoering van de ZVW een nieuwe situatie is ontstaan en dat op die grond oude afspraken wel komen te vervallen.

Terug naar inhoudsopgave