Arbeidsrecht - mei 2009

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief

  • All-in uurloon toelaatbaar voor parttimers
    Albert Heijn heeft een all-in uurloon voor bepaalde parttimers, zoals oproepkrachten en weekendhulpen, ingevoerd. Dit betekent dat in het uurloon onder meer een vergoeding voor nog te genieten vakantiedagen is opgenomen. In de praktijk gebeurt dit wel vaker, maar de vraag is of dit is toegestaan. De Rechtbank Haarlem heeft deze vraag onlangs bevestigend beantwoord. » lees verder
  • Haken en ogen aan de nieuwe regeling deeltijd-WW
    Met ingang van 1 april 2009 is de nieuwe regeling deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten in werking getreden. Deze regeling treedt in de plaats van de per 21 maart 2009 vervallen (Bijzondere) Regeling Werktijdverkorting. In de praktijk blijken aan de nieuwe regeling de nodige haken en ogen te zitten. » lees verder

  • Wanneer wordt passende arbeid bedongen arbeid?
    Indien een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer andere passende arbeid gaat verrichten dan de 'bedongen arbeid', bestaat het risico dat deze passende arbeid op enig moment (ongewild) wordt aangemerkt als de (nieuwe) bedongen arbeid. Dit heeft als consequentie dat er bij een nieuwe ziekmelding opnieuw een periode van 104 weken gaat lopen. » lees verder

  • Wordt er van een (nagenoeg) kale werkgever toch nog geplukt?
    Uit de toelichting bij de nieuwe kantonrechtersformule blijkt dat kantonrechters bij de toekenning van een ontslagvergoeding rekening kunnen houden met de slechte financiële positie van een werkgever (door middel van de 'C-factor'). Biedt de nieuwe toelichting hiermee een opening voor het 'habe-nichts/habe-wenig'-verweer? De Kantonrechters Zwolle en Breda hebben recent over een beroep op dit verweer geoordeeld. » lees verder

  • Mogelijkheden tot herplaatsing binnen concern?
    Een magazijnmanager wordt op bedrijfseconomische gronden ontslagen. Een zusterbedrijf van de werkgever, gevestigd naast de werkgever, neemt in dezelfde tijd een nieuwe magazijnmedewerker aan. Is er sprake van kennelijk onredelijk ontslag nu de werkgever niet heeft onderzocht of de werknemer in deze functie geplaatst kon worden? Het Hof 's-Hertogenbosch heeft hier onlangs over geoordeeld. » lees verder

  • Concept sociaal plan voldoende
    In een door de Ondernemingsraad (OR) aanhangig gemaakte procedure bij de Ondernemingskamer (OK) oordeelt de OK dat het besluit van de onderneming om de vestiging in Amersfoort te sluiten en alle activiteiten te verhuizen naar de andere vestiging in Amsterdam niet kennelijk onredelijk is. Naar het oordeel van de OK is duidelijk dat de ondernemer in de besprekingen over het sociaal plan op een zorgvuldige manier rekening houdt met de belangen van de werknemers voor wie de verhuizing gevolgen zal hebben. » lees verder

...........................................................................................................................................................................


All-in uurloon toelaatbaar voor parttimers
Albert Heijn heeft een all-in uurloon voor bepaalde parttimers, zoals oproepkrachten en weekendhulpen, ingevoerd. Dit betekent dat in het uurloon onder meer een vergoeding voor nog te genieten vakantiedagen is opgenomen. In de praktijk gebeurt dit wel vaker, maar de vraag is of dit is toegestaan. De Rechtbank Haarlem heeft deze vraag onlangs bevestigend beantwoord.
 
Oproepkrachten en weekendhulpen bouwen net als iedere andere werknemer vakantiedagen op. Zij moeten dan ook in de gelegenheid worden gesteld vakantiedagen op te nemen met behoud van loon. Verder geldt dat voor zover het aantal vakantiedagen het wettelijk minimum niet overschrijdt, vakantiedagen gedurende het dienstverband niet mogen worden uitbetaald. Wanneer een weekendhulp dus nog geen vakantie heeft genoten, mag het opgebouwde vakantierecht niet vervangen worden door uitbetaling in geld.
 
Het door Albert Heijn ingevoerde all-in uurloon houdt in dat naast het basisuurloon tevens de waarde van de vakantietoeslag, de vergoeding van ADV-uren, het vaste deel van de winstuitkering en de loonwaarde van de opgebouwde (nog te genieten) vakantiedagen worden uitbetaald. De vakbonden achten de invoering van een all-in uurloon in strijd met diverse CAO's en wetgeving. Zij hebben vooral bezwaar tegen de (vooruit)betaling van het salaris over (nog te genieten) vakantiedagen, omdat hierdoor aan de werknemer het recht ontvalt om naar eigen keuze vrije dagen op te nemen of dit recht af te dwingen.
 
Albert Heijn heeft daarentegen aangevoerd dat de uitbetaling van vakantiedagen geheel los staat van de opname van vakantiedagen. Zij heeft daarnaast toegezegd dat voor iedere parttimer een vakantieurenregistratie wordt bijgehouden en dat deze werknemers hun rechten behouden om vakantie op te nemen. Bovendien zal Albert Heijn met signaleringslijsten toezicht houden op de daadwerkelijke opname van vakantiedagen.
 
Het verweer van Albert Heijn is door de Rechtbank Haarlem gehonoreerd. De rechtbank oordeelt dat door de vakbonden onvoldoende is gesteld op welke wijze de opname van vakantiedagen conform de wettelijke regeling in gevaar komt door vooruitbetaling van het loon over die vakantiedagen. Het vooruitbetalen is, zeker nu het 'kleine' dienstverbanden betreft, niet in strijd met de wet. De vakantierechten worden immers niet vervangen door een bedrag in geld en er worden geen belemmeringen opgeworpen voor het daadwerkelijk genieten van vakantie. De rechtbank concludeert dat Albert Heijn met de invoering van een all-in uurloon geen wettelijke of CAO-bepaling heeft geschonden. De vordering van de vakbond, inhoudende een verbod tot invoering van een all-in uurloon, wordt dan ook afgewezen.
 
Deze uitspraak is opmerkelijk, omdat in het verleden werd aangenomen dat een dergelijk all-in uurloon niet was toegestaan. Zo heeft de Kantonrechter Den Haag in 1999 geoordeeld dat het all-in uurloon dat supermarktketen Konmar hanteerde in strijd was met de wet en de CAO. Het is dan ook de vraag of het oordeel van de Rechtbank Haarlem in latere uitspraken zal worden gevolgd. 

Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................


Haken en ogen aan de nieuwe regeling deeltijd-WW
Met ingang van 1 april 2009 is de nieuwe regeling deeltijd-WW tot behoud van vakkrachten in werking getreden. Deze regeling treedt in de plaats van de per 21 maart 2009 vervallen (Bijzondere) Regeling Werktijdverkorting. In de praktijk blijken aan de nieuwe regeling de nodige haken en ogen te zitten.
 
Doel van deeltijd-WW is vakkrachten te behouden voor bedrijven die voldoende gezond zijn om door de crisis te komen ondanks een tekort aan orders en omzet. Werkgevers kunnen op basis van de regeling de werktijd van werknemers tijdelijk met maximaal 50% verminderen.
 
Werknemers ontvangen over deze verminderde uren een WW-uitkering (mits zij voldoen aan de daarvoor gestelde voorwaarden), die in mindering komt op hun opgebouwde WW-rechten. Tijdens de deeltijd-WW bouwt de werknemer alleen WW-rechten op over de gewerkte uren.
 
Inmiddels is nogal wat discussie ontstaan over de vraag of de deeltijd-WW door werkgevers tot 100% moet worden aangevuld. De Stichting van de Arbeid - het overlegorgaan van werkgeversorganisaties en vakbonden - heeft onlangs bepaald dat aanvulling van het loon geen voorwaarde voor invoering van de deeltijd-WW is. Werkgevers mogen dus niet meer op voorhand zeggen dat ze het loon van de werknemers niet zullen aanvullen. Aan de andere kant mag een vakbond niet op voorhand zijn medewerking weigeren indien het bedrijf het loon niet wil aanvullen.
 
Als de werknemer (gedeeltelijk) niet kan werken, is van belang vast te stellen in wiens risicosfeer dit ligt. Uit wetgeving en jurisprudentie blijkt dat niet snel wordt aangenomen dat een oorzaak niet in de risicosfeer van de werkgever ligt. Indien een werkgever de werktijd van een aantal werknemers eenzijdig mag verkorten op grond van de regeling deeltijd-WW zou dit echter een aanwijzing kunnen zijn dat de oorzaak (i.c. de economische crisis) van deze werktijdverkorting niet in de risicosfeer van de werkgever ligt. De werkgever is dan niet gehouden de uitkering tot 100% aan te vullen.
 
Eerder heeft de Hoge Raad echter uitgemaakt dat het verkorten van de werktijd op basis van een ontheffing, zoals bij de deeltijd-WW, niet van invloed is op de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer (en dus geen antwoord geeft op de vraag of de werkgever gehouden is het loon te betalen). Werkgever en werknemer moeten dus in feite onderling tot een risicoverdeling komen. Aan de andere kant is voor het verkrijgen van een WW-uitkering vereist dat de werknemer 'het recht op onverminderde loondoorbetaling moet zijn verloren'. Hier ontstaat dus een spagaat: als de werkgever verplicht is het loon door te betalen krijgt de werknemer geen uitkering waardoor het doel van de deeltijd-WW regeling (kostenvermindering) in feite teniet wordt gedaan.
 
Het antwoord op de vraag of een werkgever gehouden is het loon aan te vullen tot 100% is dus niet eenduidig. Er zijn echter voldoende argumenten aan te dragen waarom dit niet het geval zou zijn. Bij onderhandelingen met de vakbonden kan met deze argumenten rekening worden gehouden om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Bij metaalbewerkingsbedrijf Alutech is inmiddels overeenstemming bereikt met de vakbonden over deeltijd-WW zonder aanvulling van het salaris.
 
De regeling deeltijd-WW brengt nog meer onduidelijkheden met zich mee. Zo geldt het afspiegelingsbeginsel niet om te bepalen welke werknemers voor deeltijd-WW in aanmerking komen. Hoe de selectie van werknemers dient plaats te vinden is dus onduidelijk. De regeling spreekt van de wens om vakkrachten te behouden. Onduidelijk is echter wat vakkrachten zijn en daarmee ook wat als uitgangspunt heeft te gelden in de discussie met de vakbonden (of andere werknemersvertegenwoordiging) over welke werknemers dienen te worden voorgedragen voor de deeltijd-WW.
 
Nu aan de deeltijd-WW voor werknemers aanzienlijke nadelen kleven, is de verwachting dat hun vertegenwoordigers daarmee niet zomaar zullen instemmen. Afgezien van het opsnoepen van bestaande WW-rechten en het lagere salaris over de niet-gewerkte uren indien de werkgever het loon niet aanvult tot 100%, is de vraag ook nog hoe het zit met pensioenopbouw gedurende de deeltijd-WW.
 
Het ziet ernaar uit dat de discussie over de exacte invulling van de deeltijd-WW nog niet is beslecht. Wij zullen u uiteraard op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen. 

Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................


Wanneer wordt passende arbeid bedongen arbeid?
Indien een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer andere passende arbeid gaat verrichten dan de 'bedongen arbeid', bestaat het risico dat deze passende arbeid op enig moment (ongewild) wordt aangemerkt als de (nieuwe) bedongen arbeid. Dit heeft als consequentie dat er bij een nieuwe ziekmelding opnieuw een periode van 104 weken gaat lopen.
 
De bedongen arbeid is het werk dat partijen zijn overeengekomen. Indien een werknemer als gevolg van arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet verricht, geldt voor de werkgever gedurende 104 weken de verplichting het loon door te betalen. Daarnaast geldt gedurende deze periode een opzegverbod voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst op te zeggen.
 
Gedurende de eerste twee ziektejaren heeft de werknemer er in de regel geen belang bij dat de arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd in die zin dat de passende arbeid wordt aangemerkt als de bedongen arbeid. De passende arbeid vertegenwoordigt namelijk veelal een lagere loonwaarde. Na de eerste twee ziektejaren heeft de werknemer er daarentegen wel belang bij dat de passende arbeid als de (nieuwe) bedongen arbeid wordt aangemerkt, aangezien de arbeidsongeschiktheid dan eindigt.
 
Wanneer kan nu worden geoordeeld dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden? Daarvan is in ieder geval sprake indien partijen uitdrukkelijk een nieuwe arbeidsovereenkomst zijn aangegaan. Daarnaast kan echter ook stilzwijgend een nieuwe arbeidsovereenkomst zijn ontstaan, indien de passende arbeid na verloop van tijd als de bedongen arbeid kan worden aangemerkt.
 
Tot op heden werd in de jurisprudentie veelal aangenomen dat een (stilzwijgende) wijziging van de bedongen arbeid niet snel mag worden aangenomen, ook niet indien de werknemer al gedurende geruime tijd vanwege (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in andere passende arbeid tewerk is gesteld. Begin 2009 heeft het Hof Den Bosch evenwel geoordeeld dat er een (stilzwijgende) wijziging van de bedongen arbeid heeft plaatsgevonden.
 
In de zaak bij het Hof Den Bosch was de werknemer in dienst bij de werkgever in de functie van fulltime monteur. Voor deze werkzaamheden is de werknemer in 1995 blijvend arbeidsongeschikt geraakt. In 1997 zijn tussen de werkgever en de werknemer afspraken gemaakt over de werkhervatting. De werknemer zou de eigen (op enkele punten aangepaste) arbeid gaan verrichten, afgewisseld met magazijnwerkzaamheden. Aanvankelijk heeft de werknemer de werkzaamheden gedurende vier uur per dag verricht. Met ingang van november 2002 heeft de werknemer het werk volledig hervat. In mei 2004 is de werknemer arbeidsongeschikt geraakt voor de op dat moment door hem verrichte arbeid. De werkgever heeft vervolgens met toestemming van de CWI (thans: UWV WERKbedrijf) de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2006 opgezegd.
 
De werknemer stelde zich op het standpunt dat er een wijziging van de bedongen arbeid heeft plaatsgevonden. Met zijn hervatting in de aangepaste arbeid (na 1997) is een nieuwe invulling gegeven aan de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst. Nu er vanaf mei 2004 nog geen sprake was van een ziekteperiode van twee jaar, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met het opzegverbod. De werknemer heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.
 
De kantonrechter heeft de (loon)vordering van de werknemer afgewezen. Het hof wijst de vordering van de werknemer vervolgens toe.
 
Uit de feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het voor partijen duidelijk was dat er in november 1997 tussen hen afspraken zijn gemaakt over wat voor de werknemer als passende arbeid kon worden aangemerkt. Het hof overweegt dat een arbeidsovereenkomst van een zieke werknemer, die de bedongen arbeid definitief niet meer kan verrichten maar wel andere passende arbeid verricht, in stand blijft als hij die andere passende arbeid gaat verrichten. Die arbeid heeft dan te gelden als de bedongen arbeid. Het hof oordeelt dat de arbeid die de werknemer verrichtte toen hij zich in mei 2004 volledig ziek meldde, op dat moment gold als de bedongen arbeid. Op het moment van de opzegging (eind 2005) was er aldus nog geen sprake van twee jaar ziekte.
 
Uit de uitspraak van het hof blijkt dat er sprake kan zijn van een stilzwijgende wijziging van de bedongen arbeid met alle consequenties van dien. Wij adviseren u dan ook duidelijke afspraken te maken ten aanzien van de status van de passende werkzaamheden die een werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid verricht. Dit verkleint de kans op verrassingen achteraf.

Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................


Wordt er van een (nagenoeg) kale werkgever toch nog geplukt?
Uit de toelichting bij de nieuwe kantonrechtersformule blijkt dat kantonrechters bij de toekenning van een ontslagvergoeding rekening kunnen houden met de slechte financiële positie van een werkgever (door middel van de 'C-factor'). Biedt de nieuwe toelichting hiermee een opening voor het 'habe-nichts/habe-wenig'-verweer? De Kantonrechters Zwolle en Breda hebben recent over een beroep op dit verweer geoordeeld.
 
'Habe-nichts/habe-wenig'
In de toelichting bij de nieuwe kantonrechtersformule, die vanaf 1 januari 2009 geldt, is opgenomen dat een beroep op het 'habe-nichts/habe-wenig'-verweer door een werkgever van invloed kan zijn op de hoogte van de ontslagvergoeding. Het verweer houdt in dat de werkgever zich beroept op de slechte financiële positie van het bedrijf in de hoop dat de kantonrechter hierdoor geen of een geringere ontslagvergoeding aan de werknemer toekent. Ter onderbouwing dienen de balans, de winst- en verliesrekening over de laatste drie boekjaren (voorzien van een duidelijke toelichting) èn de prognoses over de komende zes maanden te worden overgelegd. Hoe gingen de Kantonrechters Zwolle en Breda met een beroep op het verweer om?
 
Kantonrechter Zwolle
De Kantonrechter Zwolle heeft op 17 februari 2009 uitspraak gedaan in een kennelijk onredelijke ontslagprocedure. De werkgever heeft in deze procedure een beroep gedaan op het 'habe-nichts/habe-wenig'-verweer. De werkgever heeft met financiële stukken onderbouwd dat de onderneming in grote financiële problemen was geraakt. Mede om deze reden diende er geen vergoeding aan de werknemer te worden toegekend, aldus de werkgever. De kantonrechter stelde echter vast dat de werkgever nog in 2006 en 2007 hoge dividenduitkeringen aan de moedermaatschappij had gedaan, terwijl er op dat moment al sprake was van een toenemende bedrijfseconomische druk. Door deze forse en recente dividenduitkeringen is onvoldoende aannemelijk geworden dat de werkgever geen enkele mogelijkheid had een beëindigingvergoeding aan de werknemer uit te betalen. Volgens de kantonrechter mocht van de werkgever worden verwacht dat hij in de afgelopen jaren een voorziening had getroffen voor (eventueel) gedwongen af te vloeien werknemers. Dat de werkgever nu niet (meer) over (voldoende) liquide middelen beschikte, kwam voor zijn rekening en risico. De kantonrechter hield bij het bepalen van de hoogte van de ontslagvergoeding dan ook geen rekening met het verweer van de werkgever.
 
Kantonrechter Breda
In tegenstelling tot de Kantonrechter Zwolle, heeft de Kantonrechter Breda wel expliciet rekening gehouden met de slechte financiële situatie van een werkgever. Op 6 april 2009 heeft deze rechter geoordeeld dat het verslechterde bedrijfsresultaat diende te leiden tot toekenning van een aanzienlijk lagere vergoeding aan de werknemer. De vergoeding bedroeg niet meer dan twee bruto maandsalarissen, terwijl een vergoeding op basis van de neutrale kantonrechtersformule (C=1) circa zes maandsalarissen zou bedragen.
 
Ook al zijn de bedrijfsresultaten nog zo slecht, de kans lijkt vooralsnog klein dat een werkgever geen enkele ontslagvergoeding zal behoeven te betalen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de ontslagvergoeding wel naar beneden worden bijgesteld. Nu het 'habe-nichts/habe-wenig'-verweer expliciet in de toelichting van de nieuwe kantonrechtersformule is opgenomen, adviseren wij u in ieder geval een beroep op dit verweer te doen indien de financiële situatie van uw bedrijf slecht is. Niet geschoten is immers altijd mis.
 
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................


Mogelijkheden tot herplaatsing binnen concern?
Een magazijnmanager wordt op bedrijfseconomische gronden ontslagen. Een zusterbedrijf van de werkgever, gevestigd naast de werkgever, neemt in dezelfde tijd een nieuwe magazijnmedewerker aan. Is er sprake van kennelijk onredelijk ontslag nu de werkgever niet heeft onderzocht of de werknemer in deze functie geplaatst kon worden? Het Hof 's-Hertogenbosch heeft hier onlangs over geoordeeld.
 
Feiten
De werknemer is 32 jaar in dienst geweest van de werkgever. De werkgever is een automobielbedrijf dat een dealerschap heeft voor het automerk Nissan. Op dezelfde locatie is een ander automobielbedrijf dat een dealerschap heeft voor het automerk Renault. Beide bedrijven zijn dochtervennootschappen van eenzelfde beheermaatschappij. De werkgever zegt met toestemming van de CWI per 1 november 2004 om bedrijfseconomische redenen de arbeidsovereenkomst met de werknemer op.
 
Naar de rechter
De werknemer stapt naar de rechter omdat hij van mening is dat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Hij vordert een schadevergoeding op basis van de neutrale kantonrechtersformule (107.754,21 euro bruto). De kantonrechter oordeelt dat inderdaad sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, maar kent de werknemer een beduidend lagere vergoeding toe van 22.000 euro bruto.
 
De werknemer vindt dit bedrag niet voldoende en gaat in hoger beroep. Hij voert hierbij onder meer aan dat bij de beoordeling van zijn ontslag rekening had moeten worden gehouden met de situatie bij de andere ondernemingen van het concern waar de werkgever onderdeel van uitmaakt.
 
Het hof is het gedeeltelijk eens met de werknemer. Bij de beoordeling van de vraag of er vanwege bedrijfseconomische redenen gesneden dient te worden in het personeelsbestand is, aldus het hof, in beginsel enkel de situatie van werkgever van belang. De werkgever opereert immers als een afzonderlijke vennootschap. Het hof hecht echter bij de beoordeling van de herplaatsinginspanningen van de werkgever wel belang aan het feit dat de werkgever tot een concern behoort. De werknemer heeft aangegeven dat er in maart 2004 een nieuwe magazijnmedewerker is aangetrokken door de Renaultdealer (het zusterbedrijf van werkgever). Deze magazijnmedewerker is in eerste instantie aangenomen op tijdelijke basis, namelijk ter vervanging tijdens de ziekte van de magazijnmedewerker. Na afloop van de arbeidsovereenkomst is deze werknemer echter een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden. Het hof is van oordeel dat van de werkgever als goed werkgever verwacht mag worden dat zij binnen haar concern onderzoekt of de werknemer - al dan niet tijdelijk - herplaatst kan worden bij een van de andere bedrijven van de groep voordat zij de werknemer voor ontslag voordraagt.
 
Het hof oordeelt, net als eerder de kantonrechter, dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding rekening met het hierboven genoemde verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt en kent de werknemer een vergoeding toe van 36.000 euro bruto. Dit is altijd nog beduidend minder dan het door de werknemer gevorderde bedrag van 107.754,21 euro bruto. Het hof is van mening dat het toegekende bedrag voldoende is om de WW-uitkering van de werknemer gedurende geruime tijd aan te vullen.
 
Tot slot
De werkgever is verplicht zich in te spannen om de werknemer aan een andere passende functie te helpen bij ontslag om bedrijfseconomische redenen. Deze plicht houdt niet op bij de grenzen van de eigen vennootschap, maar strekt verder. Let dus goed op of bij zustervennootschappen passende functies vacant zijn, voordat u een werknemer op bedrijfseconomische gronden ontslaat. 

Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................


Concept sociaal plan voldoende
In een door de Ondernemingsraad (OR) aanhangig gemaakte procedure bij de Ondernemingskamer (OK) oordeelt de OK dat het besluit van de onderneming om de vestiging in Amersfoort te sluiten en alle activiteiten te verhuizen naar de andere vestiging in Amsterdam niet kennelijk onredelijk is. Naar het oordeel van de OK is duidelijk dat de ondernemer in de besprekingen over het sociaal plan op een zorgvuldige manier rekening houdt met de belangen van de werknemers voor wie de verhuizing gevolgen zal hebben.
 
Feiten
Albemarle heeft twee vestigingen in Nederland, één in Amsterdam en één in Amersfoort. De ondernemer verzoekt de OR om advies over het voorgenomen besluit tot sluiting van de vestiging in Amersfoort en verhuizing van alle activiteiten naar Amsterdam. De OR heeft nadere informatie gevraagd die de ondernemer vervolgens heeft verschaft. Tussen de OR en de ondernemer is afgesproken dat er een convenant zou worden gesloten over onder meer het verplaatsen van werkgelegenheid van Amersfoort naar Amsterdam of naar de vestiging in België.
 
De OR heeft vervolgens negatief advies uitgebracht. In zijn advies stelt de OR een alternatief voor, namelijk dat de verhuizing plaatsvindt in 2011, per het einde van de huurtermijn. De ondernemer bericht de OR toch uitvoering te zullen geven aan het voorgenomen besluit tot sluiting van de vestiging in Amersfoort per begin 2009. De ondernemer verwerpt het alternatief, omdat daardoor een kostenbesparing niet kan worden gerealiseerd.
 
Standpunt OR
De OR gaat in beroep bij de OK. Naar de opvatting van de OR is Albemarle tekort geschoten in de naleving van haar motiverings-, overleg- en informatieverplichtingen. De adviesaanvraag is zeer summier en de aan de adviesaanvraag ten grondslag liggende (financiële) gegevens ontbreken in het geheel of worden niet met stukken gestaafd. Dit had des te meer voor de hand gelegen nu Albemarle terugkomt op een eerder door haar in 2006 genomen besluit om niet te verhuizen, aldus de OR. Volgens de OR heeft Albemarle onvoldoende gemotiveerd waarom zij het door de OR geadviseerde alternatief om de samenvoeging van de twee locaties in 2011 te doen plaatsvinden niet heeft overgenomen.
 
De OR stelt ook dat Albemarle bij de afweging van de betrokken belangen ook naar de inhoud genomen niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen: de door Albemarle voorgespiegelde kostenbesparingen ingeval van een verhuizing per begin 2009, kunnen niet worden gerealiseerd en het geringe bedrijfseconomische voordeel van een verhuizing op de door Albemarle voorgestelde korte termijn staat niet in verhouding tot de problemen die voor de werknemers daardoor ontstaan. Tot slot heeft de OR gesteld dat Albemarle de gevolgen van het bestreden besluit voor de werknemers onvoldoende heeft gewogen en dat het concept sociaal plan de werknemers onvoldoende compensatie biedt voor de gevolgen van de verhuizing.
 
Oordeel OK
De OK stelt allereerst vast dat, nu de OR met Albemarle heeft afgesproken dat een convenant wordt gesloten inzake onder meer het verplaatsen van werkgelegenheid van Amersfoort naar onderscheidenlijk Amsterdam en België, deze kwestie geen onderdeel is van het besluit waarop het verzoek van de OR aan de OK betrekking heeft. De OK is van oordeel dat de adviesaanvraag summier is, in het bijzonder wat betreft de kosten-batenanalyse en overige financiële gegevens die aan het voorgenomen besluit ten grondslag zijn gelegd. Die tekortkoming is volgens de OK echter niet van dien aard dat op grond daarvan het besluit bij afweging van de betrokken belangen als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Daarbij neemt de OK in aanmerking dat de bestuurder nadere informatie aan de OR heeft verstrekt en een aanvullende toelichting heeft gegeven op de adviesaanvraag, alsook dat de OR in zijn advies zelf te kennen heeft gegeven dat hij daarmee gelegenheid heeft gekregen zich inhoudelijk een mening te vormen.
 
Wat betreft de door de OR tegen het concept sociaal plan geuite bezwaren, neemt de OK de inhoud van dat concept sociaal plan als uitgangspunt. Gelet op de onder meer in dit concept sociaal plan vervatte procesbeschrijving, verhuiskostenregeling en bepalingen omtrent flexibele arbeidstijden, thuiswerken, reiskostenvergoeding en reiscompensatie, is naar het oordeel van de OK duidelijk dat Albemarle in de besprekingen over dat sociaal plan op een zorgvuldige manier rekening houdt met de belangen van de werknemers voor wie de verhuizing gevolgen zal hebben. Daarbij valt volgens de OK betekenis toe te kennen aan het feit dat de besprekingen over het sociaal plan met instemming van de OR met de vakbonden en niet met de OR worden gevoerd en van bezwaren van de vakbonden niet is gebleken. Verder is van belang dat Albemarle bij verschillende gelegenheden heeft verklaard dat de werkgelegenheid behouden zal blijven. Het besluit tot sluiting van de vestiging Amersfoort is volgens de OK dan ook niet kennelijk onredelijk.
 
Commentaar
Het arrest van de OK laat zien dat een (te) summiere adviesaanvraag kan worden gerepareerd door het (tijdig) verstrekken van nadere informatie aan de OR en het geven van een aanvullende schriftelijke toelichting. Het gaat erom of de OR uiteindelijk voldoende informatie heeft gekregen om zich inhoudelijk een mening te vormen over het voorgenomen besluit. Dit arrest van de OK is vooral interessant, omdat de OK daarin expliciet een overweging wijdt aan de rol van de vakbonden bij de onderhandelingen over een sociaal plan. Indien de ondernemer die onderlinge onderhandelingen over het sociaal plan voert met de vakbonden, is er geen speelveld voor de OR. De OR kan bij zijn advisering wel rekening houden met het oordeel van de vakbonden. De OR kan echter niet tot een negatief advies komen uitsluitend op de grond dat het (concept) sociaal plan onvoldoende wordt geacht.
 
Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen en relevante uitspraken op het gebied van medezeggenschap? Lees dan onze nieuwsbrief met actuele artikelen. 

Inhoudsopgave