Arbeidsrecht - mei 2007

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief:

  • Een dronken werknemer: een kater voor de werkgever
    Een werkgever kan gehouden zijn de schade, die een onder invloed van alcohol rijdende werknemer aan een lease-auto veroorzaakt, aan de leasemaatschappij te vergoeden. De Hoge Raad heeft dit op 12 januari 2007 bepaald. Lees verder »

  • Pas op met proeftijdontslag!
    In een recent gepubliceerde uitspraak oordeelde het Hof Den Bosch dat de opzegging door de werkgever tijdens de proeftijd in strijd was met het goed werkgeverschap. De werkgever werd door het Hof veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de werknemer. Lees    verder »

  • Beleidsregels ontslagtaak CWI gewijzigd
    Met ingang van 1 maart 2007 zijn de Beleidsregels Ontslagtaak CWI op twee punten gewijzigd. Allereerst heeft de CWI het uitvoeringsbeleid bij de vaststelling van uitwisselbare functies geactualiseerd. Daarnaast is het beleid over de 26-weken-clausule aangepast. Lees verder »

  • Uw werknemer in de gevangenis: reden voor ontslag?
    Uw werknemer verschijnt van de ene op de andere dag ineens niet meer op zijn werk. Bij navraag blijkt dat hij in de gevangenis zit op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Waarschijnlijk zult u de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk willen beëindigen, maar is dit wel mogelijk?  Lees verder »

  • Overgang van onderneming: recente ontwikkelingen
    In de wet is een bepaling opgenomen die het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van onderneming regelt. Door de jaren heen is gebleken dat overgang van onderneming een complex leerstuk is met uitgebreide en sterk casuïstische jurisprudentie. Onlangs zijn er opnieuw twee interessante uitspraken gedaan, waarop in dit artikel verder zal worden ingegaan. Lees verder »

  • Identiteit van de werknemer
    Hoe ver reikt de onderzoeksplicht van de werkgever?
    De werkgever heeft in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen een onderzoeksplicht naar de identiteit van zijn werknemers. Hoever reikt deze onderzoeksplicht nu eigenlijk? Lees verder »

............................................................................................................................................................................

Een dronken werknemer: een kater voor de werkgever

Een werkgever kan gehouden zijn de schade, die een onder invloed van alcohol rijdende werknemer aan een lease-auto veroorzaakt, aan de leasemaatschappij te vergoeden. De Hoge Raad heeft dit op 12 januari 2007 bepaald.

In deze zaak was een werknemer, onder invloed van alcohol, betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij zijn lease-auto ernstig beschadigd raakte. Negen maanden na het ongeval kwam vast te staan dat de verzekeraar niet tot vergoeding van de schade aan de lease-auto zou overgaan, omdat de werknemer ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol was. De leasemaatschappij stelde hierop de werkgever aansprakelijk voor de schade aan de lease-auto, waarna de werkgever op zijn beurt de werknemer voor deze schade aansprakelijk stelde.

De werknemer beriep zich op een artikel uit de toepasselijke CAO, waarin was bepaald dat de werkgever binnen één maand na het constateren van de schade schriftelijk zijn voornemen tot het verhalen van de schade aan de werknemer kenbaar moet maken. De werknemer betoogde dat de werkgever jegens hem geen aanspraak (meer) kon maken op vergoeding van de schade, omdat hij dit voornemen indertijd niet tijdig kenbaar had gemaakt. De werkgever stelde daarentegen dat hij pas zes maanden na het ongeval bekend werd met het feit dat de werknemer dronken was ten tijde van het incident en dat hij pas echt schade leed op het moment dat het hem kenbaar werd dat de verzekeraar niet tot uitbetaling van de schade zou overgaan.

In hoogste instantie gaf de Hoge Raad een oordeel over de uitleg van de genoemde bepaling uit de CAO. De Hoge Raad overwoog dat voor het ingaan van de vervaltermijn van één maand niet bepalend is het tijdstip waarop de werkgever ermee bekend is dat hijzelf de schade dient te dragen. Daarentegen besliste de Hoge Raad dat bepalend is het tijdstip waarop de werkgever bekend is met:

1) het verlies of de beschadiging van de auto, waaruit voor hem rechtstreeks schade voortvloeit of waarvoor hij door de eigenaar van de auto aansprakelijk kan worden gehouden, én;

2) omstandigheden op grond waarvan hij kan aannemen dat dit verlies of die beschadiging het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Gezien het feit dat de werkgever, voordat hij vernam dat de verzekeraar de schade niet zou vergoeden, al langer dan een maand bekend was met de schade aan de lease-auto en de dronkenschap van de werknemer ten tijde van het ongeval, oordeelde de Hoge Raad dat de vervaltermijn van één maand reeds was verstreken. De werkgever bleef derhalve met lege handen achter.

Oplettendheid is dus geboden als u bent gebonden aan een bepaling in een CAO waarin een termijn wordt gesteld waarbinnen u de werknemer aansprakelijk moet stellen voor schade die de werknemer u of een derde door opzet of bewuste roekeloosheid heeft toegebracht. In dat geval raden wij u aan om de werknemer direct na het schadegeval een brief toe te zenden waarin u de werknemer aansprakelijk stelt voor het geval dat uit onderzoek volgt dat de schade door zijn opzet of bewuste roekeloosheid is ontstaan.

Voor meer informatie en advies kunt u contact opnemen met de nieuwsbriefredactie.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Pas op met proeftijdontslag!

In een recent gepubliceerde uitspraak oordeelde het Hof Den Bosch dat de opzegging door de werkgever tijdens de proeftijd in strijd was met het goed werkgeverschap. De werkgever werd door het Hof veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de werknemer.

In de Bossche zaak ging het om een werknemer die voor onbepaalde tijd in dienst was getreden bij de werkgever, waarbij een rechtsgeldige proeftijd van twee maanden overeengekomen was. Nadat de werknemer slechts voor één uur door de werkgever te werk was gesteld, ontsloeg de werkgever de werknemer met een beroep op het proeftijdbeding. De werknemer stelde zich vervolgens op het standpunt dat de werkgever in strijd handelde met het beginsel van goed werkgeverschap en vorderde een schadevergoeding. Het hof oordeelde dat een proeftijd bedoeld is om de werkgever in staat te stellen inzicht te krijgen in de hoedanigheden van een werknemer en zijn geschiktheid voor de bedongen arbeid. Nu de werkgever de werknemer slechts één uur te werk had gesteld én de werkgever voorts geen steekhoudende argumenten voor de opzegging had gegeven, had de werkgever volgens het hof in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld. Het hof veroordeelde de werkgever tot betaling van een schadevergoeding aan de werknemer wegens gederfde inkomsten. Een onderbouwing van de hoogte van deze schadevergoeding ontbreekt in de publicatie.

De uitspraak van het Hof Den Bosch is opmerkelijk nu de hoofdregel ten aanzien van een proeftijdbeding inhoudt dat het partijen vrijstaat de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd op te zeggen. De wet geeft geen regels omtrent de omstandigheden waaronder een opzegging tijdens de proeftijd kan plaatsvinden. Zelfs indien wordt opgezegd nog voordat de werkzaamheden feitelijk zijn aangevangen of nadat de werknemer slechts zeer kort te werk is gesteld, levert een opzegging tijdens de proeftijd in beginsel een rechtsgeldige beëindiging op. Dat partijen nog geen dag met elkaar hebben gewerkt en dus aan het doel waarvoor de proeftijd werd overeengekomen nog niet zijn toegekomen, maakt dat niet anders.

Uit de rechtspraak volgt echter dat in dergelijke gevallen van "prematuur" proeftijdontslag de opzeggende partij regelmatig veroordeeld wordt tot het betalen van een schadevergoeding wegens schending van de beginselen van goed werkgever-/werknemerschap, misbruik van bevoegdheid of onrechtmatige daad. Voorts kan uit de rechtspraak worden opgemaakt dat in de meeste van deze gevallen het een belangrijke rol speelde dat de redenen voor de opzegging uitsluitend die partij zelf betroffen en niet de kwaliteiten van de andere partij. Als voorbeeld kan worden genoemd dat de werkgever opzegt tijdens de proeftijd op grond van bedrijfseconomische of -organisatorische omstandigheden. De vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding wordt vaak "met een natte vinger" gedaan en een dergelijke opzegging komt werkgevers in de regel al gauw op een schadevergoeding van enkele maandsalarissen te staan. Overigens kan ook de werkgever een beroep doen op misbruik van de proeftijd door de werknemer. Daarbij kan de werkgever de geleden schade (vaak bestaande uit kosten voor een medische keuring, psychologische test, wervingskosten) proberen te verhalen op de werknemer. Op de werkgever rust in dat geval een zware bewijslast. Helaas hebben nog maar weinig werkgevers met succes een beroep kunnen doen op misbruik van de proeftijd door de werknemer.

Als werkgever doet u er verstandig aan om feitelijk enige tijd met de werknemer te werken, alvorens de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd op te zeggen. Hoe meer tijd de werknemer bij de werkgever heeft gewerkt, hoe kleiner de kans is dat de werknemer met succes kan betogen dat de werkgever hem feitelijk niet in staat heeft gesteld om zich te bewijzen. Wordt toch "prematuur" opgezegd, dan lijkt het verstandig om in voorkomende gevallen op het moment van opzegging direct al een bescheiden vergoeding aan te bieden, om zo de werknemer de wind uit de zeilen te nemen.

Klik hier indien u op eenvoudige wijze de lengte van de proeftijd wilt vaststellen. Voor meer informatie en advies kunt u contact opnemen met de nieuwsbriefredactie.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Beleidsregels ontslagtaak CWI gewijzigd

Met ingang van 1 maart 2007 zijn de Beleidsregels Ontslagtaak CWI op twee punten gewijzigd. Allereerst heeft de CWI het uitvoeringsbeleid bij de vaststelling van uitwisselbare functies geactualiseerd. Daarnaast is het beleid over de 26-weken-clausule aangepast.

Uitwisselbare functies
Sinds 1 maart 2006 vindt de selectie van voor ontslag voor te dragen werknemers bij bedrijfseconomische redenen plaats op basis van het afspiegelingsbeginsel. Voorheen gebeurde deze selectie in de regel op basis van het anciënniteitsbeginsel. Het afspiegelingsbeginsel houdt kort gezegd in dat werknemers met gelijke of vergelijkbare functies worden ingedeeld in vijf leeftijdsgroepen. Binnen deze leeftijdsgroepen wordt de werknemer met het kortste dienstverband het eerst voorgedragen voor ontslag. Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies van een bedrijfsvestiging. De CWI stelt bij de beoordeling van de ontslagaanvraag vast of de werkgever de categorieën uitwisselbare functies juist heeft aangegeven. Zij beoordeelt daarbij welke functies uitwisselbaar zijn en welke niet. De CWI doet dit aan de hand van het in de beleidsregels omschreven begrip "uitwisselbare functies". Dit begrip werd tot 1 maart 2007 uitsluitend gedefinieerd als "functies die naar functie-inhoud, vereiste kennis en vaardigheden, niveau en beloning gelijkwaardig zijn".

Naar aanleiding van het feit dat bedrijven in hun HRM-beleid steeds meer rekening zijn gaan houden met competenties (gedragskenmerken) maken competenties sinds 1 maart 2007 deel uit van de omschrijving van het begrip "uitwisselbare functies". Onder competenties wordt verstaan het "waarneembaar effectief gedrag" van de werknemer. Als voorbeelden noemen de beleidsregels onder meer communiceren, klantgerichtheid en aanpassingsvermogen.

Naast bovengenoemde wijziging is sinds 1 maart 2007 in de beleidsregels bepaald dat de functiebeschrijving in beginsel uitgangspunt is voor de vaststelling van de uitwisselbaarheid van functies.

Nu functiebeschrijvingen belangrijker zijn geworden bij bedrijfseconomische ontslagen, is het van belang te controleren of uw functiebeschrijvingen in orde zijn vóórdat u een ontslagaanvraag doet op bedrijfseconomische gronden. Het is overigens niet onverstandig om nu al eens kritisch te kijken naar de functiebeschrijvingen in uw bedrijf.

26-weken-clausule
Vanaf 1 maart 2007 gaat de CWI standaard de 26-weken-clausule opnemen in een wegens bedrijfseconomische omstandigheden verleende ontslagvergunning. De 26-weken-clausule houdt in dat de werkgever binnen 26 weken na de afgifte van de ontslagvergunning geen nieuwe werknemer in dienst mag nemen voor de werkzaamheden die de ontslagen werknemer verrichtte, zonder deze werkzaamheden eerst aan de ontslagen werknemer aan te bieden. Wanneer de werkgever zich niet houdt aan de clausule komt de ontslagvergunning met terugwerkende kracht te vervallen, zodat het gegeven ontslag vernietigbaar is (artikel 4:5 Ontslagbesluit). Tot 1 maart 2007 moest de werknemer de CWI verzoeken een 26-weken-clausule op te nemen, dan wel verbond de CWI slechts sporadisch de clausule ambtshalve aan de ontslagvergunning.

Reden voor de beleidswijziging is dat naar verwachting de stroom migranten uit de Midden- en Oost-Europese landen, waaronder Polen, vanaf 1 mei 2007 toe zal nemen omdat op dat moment de grenzen zijn opengegaan voor deze werknemers. De vrees bestaat dat deze stroom kan leiden tot verdringing van autochtone werknemers, omdat het voor werkgevers gunstig kan zijn de goedkopere werknemers uit deze landen in dienst te nemen in plaats van de duurdere Nederlandse werknemers.

Hoewel deze beleidswijziging geen ingrijpende wijziging betreft, omdat de 26-weken-clausule al bestond vóór 1 maart 2007, moet over deze wijziging niet te lichtvaardig worden gedacht. De gevolgen van overtreding van de clausule kunnen namelijk verstrekkend zijn, te weten geen beëindiging van het dienstverband, waardoor een loondoorbetalingsverplichting aan de werknemer kan bestaan vanaf de datum van het ontslag tot aan het (nog te bewerkstelligen) einde van de arbeidsovereenkomst.

Voor meer informatie en advies kunt u contact opnemen met de nieuwsbriefredactie.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Uw werknemer in de gevangenis: reden voor ontslag?

Uw werknemer verschijnt van de ene op de andere dag ineens niet meer op zijn werk. Bij navraag blijkt dat hij in de gevangenis zit op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Waarschijnlijk zult u de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk willen beëindigen, maar is dit wel mogelijk?

In maart 2007 heeft de Kantonrechter Amsterdam geoordeeld over de navolgende kwestie. Een werknemer verbleef in voorlopige hechtenis op verdenking van een drugsdelict. De werkgever ontsloeg de werknemer vervolgens op staande voet op grond van ongeoorloofde afwezigheid. In de (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure die volgde stelde de werkgever zich daarnaast op het standpunt dat de werknemer geen contact had opgenomen met de werkgever en dat het drugsdelict was gepleegd met een bedrijfsauto.

De kantonrechter wees het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek af en oordeelde dat het feit dat de werknemer wegens detentie ongeoorloofd afwezig was niet zonder meer een reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst oplevert. De kantonrechter overwoog daarbij dat het feit dat het delict was gepleegd met een bedrijfsauto geen verband opleverde tussen de werkzaamheden van werknemer en het drugsdelict. Hierbij achtte de kantonrechter van belang dat de drugs waren gevonden op een vrije dag van de werknemer en dat de werknemer ook gerechtigd was de bedrijfsauto in zijn vrije tijd te gebruiken.

Uit eerdere rechtspraak blijkt dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de situatie waarbij het gepleegde strafbaar feit samenhangt met de werkzaamheden en de situatie waarbij dat niet het geval is. Indien er géén verband bestaat tussen het strafbaar feit en de werkzaamheden, wordt in de rechtspraak in beginsel geen reden aangenomen voor ontslag. Detentie ligt wel in de risicosfeer van de werknemer, zodat de werkgever over de periode van het verzuim geen loon verschuldigd is. De kosten van de maatregelen die moeten worden getroffen om het verzuim te ondervangen (zoals de kosten van een uitzendkracht), komen echter wel voor rekening van de werkgever.

Onder uitzonderlijke omstandigheden is een beëindiging van het dienstverband wel mogelijk in de situatie dat het strafbaar feit niet samenhangt met de werkzaamheden. Relevant hierbij zijn onder meer de duur van de detentie, de organisatorische problemen die bij de werkgever ontstaan, het functioneren van de werknemer en de duur van het dienstverband. Er zal een afweging moeten worden gemaakt tussen de belangen van de werkgever en de werknemer.

Indien er wél een verband bestaat tussen het strafbaar feit en de werkzaamheden (bijvoorbeeld een docent die een zedendelict begaat of daarvan verdacht wordt), dan zal de arbeidsovereenkomst in het algemeen beëindigd kunnen worden. Dit is te meer het geval als het strafbare feit een concreet gevaar voor (de werkzaamheden van) de werkgever oplevert.

Hoewel gevoelsmatig wellicht onterecht, kan het als werkgever dus vrij lastig zijn om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die een strafbaar feit heeft begaan (of hiervan wordt beschuldigd) te beëindigen. U zult heel goed moeten onderbouwen waarom de arbeidsovereenkomst dient te worden beëindigd. De enkele stelling dat de aard van het delict de terugkeer van de werknemer op de werkvloer in de weg staat, of dat u het vertrouwen in de werknemer volledig bent verloren, is hiervoor (helaas) onvoldoende.

Voor meer informatie en advies kunt u contact opnemen met de nieuwsbriefredactie.

Terug naar inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Overgang van onderneming: recente ontwikkelingen

In de wet is een bepaling opgenomen die het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van onderneming regelt. Door de jaren heen is gebleken dat overgang van onderneming een complex leerstuk is met uitgebreide en sterk casuïstische jurisprudentie. Onlangs zijn er opnieuw twee interessante uitspraken gedaan, waarop in dit artikel verder zal worden ingegaan.

Indien er sprake is van een overgang van onderneming, dan gaan in beginsel de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten met de bij de overdrager werkzame werknemers van rechtswege eveneens mee over naar de verkrijger. Ook indien slechts een onderdeel van een onderneming wordt overgenomen door een andere onderneming, kan deze regel van toepassing zijn. In de jurisprudentie wordt deze regel strikt toegepast. Onlangs heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Bosch echter bepaald dat er een grens bestaat voor het overnemen van de arbeidsvoorwaarden.

Gaan alle arbeidsvoorwaarden mee over?
Volgens de Bossche Voorzieningenrechter kan met name de aard van de beide betrokken ondernemingen zich verzetten tegen een onverkorte overname van de arbeidsvoorwaarden. In onderhavige kwestie werd een onderdeel van ING overgenomen door het bedrijf Astron, dat zich richt op document management services. Een grote groep werknemers stelde dat de arbeidsvoorwaarde(n) die bij ING golden onverkort door Astron dienden te worden gerespecteerd. De ING kon, als bankbedrijf, haar werknemers een aantal financiële voordelen bieden, zoals korting op een hypotheek, die Astron haar werknemers niet kon bieden. In een dergelijke situatie dienen de werknemers normaliter te worden gecompenseerd, bijvoorbeeld middels een afkoop van de betreffende arbeidsvoorwaarden. In onderhavig geval vond de rechter evenwel dat dit niet van Astron kon worden verlangd. De redelijkheid en billijkheid zouden zich hier tegen verzetten. Waar de precieze grens ligt tussen de wel en niet over te nemen arbeidsvoorwaarden zou volgens de rechter echter niet in een kort geding procedure, maar in een bodemprocedure dienen te worden bepaald. Vastgesteld werd slechts dat er een grens is. Dat de nieuwe werkgever in redelijkheid arbeidsvoorwaarden zou mogen aanpassen, is geheel in strijd met Europese en nationale wet- en regelgeving. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat de uitspraak in een bodemprocedure stand zal houden.

Een "daar werkzame" werknemer
De Kantonrechter Alkmaar heeft geoordeeld dat een arbeidsongeschikte werknemer niet behoefde te worden overgenomen, nu de werknemer op het moment van de overgang niet kon worden beschouwd als een "daar werkzame werknemer". Als gevolg van ziekte had de werknemer immers al gedurende een ruime periode geen feitelijke werkzaamheden meer verricht. In hoger beroep oordeelde het Hof Amsterdam op 22 februari 2007 echter anders. Volgens het hof bieden de regels betreffende overgang van onderneming bescherming aan werknemers met een arbeidsovereenkomst. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst is doorslaggevend voor de vraag of een werknemer in aanmerking komt voor deze bescherming. Met andere woorden: niet van belang is of deze werknemer wel of niet feitelijk werkzaam was.

De uitspraak van het hof is opmerkelijk nu de Hoge Raad op 11 februari 2005 juist geoordeeld heeft dat een (definitief) geschorste werknemer niet van rechtswege mee overging. Het ging hier om een werknemer die van een bepaald project was afgehaald en waarvan vaststond dat hij niet meer terug zou komen. Deze werknemer was voorheen werkzaam voor het bedrijfsonderdeel dat overging. De Hoge Raad was in dat geval van mening dat de werknemer niet mee overging nu de verhindering niet van tijdelijke aard was. De betrokken werknemer heeft dan niet langer als "bij het desbetreffende bedrijfsonderdeel werkzaam" te gelden.

Zoals gesteld is overgang van onderneming een complex leerstuk waarbij alles afhangt van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De informatie van dit artikel is derhalve beknopt en toegespitst op de hoofdlijnen van dit onderwerp. Om onaangename verrassingen te voorkomen is een goede voorbereiding en tijdige arbeidsrechtelijke analyse van de voorgenomen overdracht c.q. overname geboden. Met andere woorden: bezint eer gij begint!

Voor meer informatie en advies kunt u contact opnemen met de nieuwsbriefredactie.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Identiteit van de werknemer

Hoe ver reikt de onderzoeksplicht van de werkgever?
De werkgever heeft in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen een onderzoeksplicht naar de identiteit van zijn werknemers. Hoever reikt deze onderzoeksplicht nu eigenlijk?

De werkgever is wettelijk verplicht om de identiteit van zijn werknemers te controleren. Dit voorschrift strekt ertoe om te voorkomen dat illegale werknemers in dienst worden genomen. De identiteit van de werknemer kan worden gecontroleerd door zijn uiterlijk te vergelijken met de pasfoto in zijn identiteitsbewijs en de hierop vermelde kenmerken (zoals lengte en leeftijd). Daarnaast kan de werkgever controleren of er verschillen zijn tussen de handtekening in de arbeidsovereenkomst en de handtekening in het identiteitsbewijs.

De Arbeidsinspectie is belast met de controle van de identiteit van werknemers. Tijdens een controle eind vorig jaar van de Arbeidsinspectie bij een werkgever werd door de dienstdoende ambtenaren vastgesteld dat het uiterlijk van de werknemer niet overeenkwam met de pasfoto op zijn paspoort. Daarnaast werd vastgesteld dat de handtekening in het paspoort afweek van de handtekening in de arbeidsovereenkomst. De werkgever kreeg daarom een boete opgelegd.

De werkgever kwam tegen deze sanctie op en werd op 8 december 2006 door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het gelijk gesteld: de werknemer was weliswaar illegaal, maar het verschil tussen de handtekeningen was onvoldoende om de werkgever een boete te kunnen opleggen, aldus de staatssecretaris. Hierbij speelde mee dat de Koninklijke Marechaussee een kopie van het paspoort van de werknemer reeds op verzoek van de werkgever op echtheid had gecontroleerd. Daarnaast werd ook gewicht toegekend aan het feit dat het verschil in uiterlijk van de werknemer bij een eerdere controle door de Arbeidsinspectie niet was opgemerkt.

Hoewel uit het bovenstaande volgt dat u als werkgever geen handtekeningenexpert hoeft te zijn, laat dit onverlet dat een nauwgezette controle van de identiteit van uw werknemers door u geboden is.

Bovengenoemd artikel is op 1 mei 2007 gepubliceerd in de gratis e-mail nieuwsbrief van P&O Actueel (zie http://www.penoactueel.nl/).

Terug naar inhoudsopgave