Arbeidsrecht - juli 2008

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief

  • Hoge bomen vangen veel wind
    Voor werknemers in hoge functies gelden andere maatstaven voor het vaststellen van de verwijtbaarheid aan een bepaalde situatie. Immers: hoge bomen vangen veel wind! Dit blijkt uit een uitspraak van de Kantonrechter 's-Hertogenbosch van 18 februari 2008.» lees verder
  • Seksuele intimidatie: zorgvuldigheid is geboden
    Op 31 maart 2008 heeft de Kantonrechter Groningen op verzoek van de werkneemster de arbeidsovereenkomst met haar werkgever ontbonden en heeft daarbij aan de werkneemster een substantiële vergoeding toegekend. Bij zijn oordeel heeft de kantonrechter gewicht toegekend aan de onzorgvuldige wijze waarop de werkgever is omgegaan met een klacht van de werkneemster over seksuele intimidatie.» lees verder
  • Ontslag op staande voet: onmiddellijk geven?
    Een van de formele vereisten van een ontslag op staande voet is dat de arbeidsovereenkomst 'onverwijld' moet worden opgezegd. Op 16 januari 2008 heeft de Kantonrechter te Utrecht geoordeeld dat niet te lichtvaardig met dit vereiste dient te worden omgegaan.» lees verder

  • Re-integratiekosten verhaalbaar op derde
    De Eerste Kamer heeft op 20 mei 2008 ingestemd met het wetsvoorstel 'Regresrecht (overheids)werkgever en UWV.' Door deze wet wordt het mogelijk om als werkgever de kosten van (verplichte) re-integratiemaatregelen te verhalen op de aansprakelijke derde.» lees verder

  • Schaf preventieve toets ontslag af
    'Bakker' lijkt te pleiten voor een al dan niet beoogde uitbreiding van een preventieve ontslagbescherming. Letterlijk staat in de samenvatting van het rapport van de Commissie Bakker over arbeidsparticipatie de navolgende zin: 'Uiteraard blijven bescherming van de werknemer tegen onrechtmatig ontslag bestaan.'» lees verder

............................................................................................................................................................................


Hoge bomen vangen veel wind
Voor werknemers in hoge functies gelden andere maatstaven voor het vaststellen van de verwijtbaarheid aan een bepaalde situatie. Immers: hoge bomen vangen veel wind! Dit blijkt uit een uitspraak van de Kantonrechter 's-Hertogenbosch van 18 februari 2008.

In de betreffende zaak werkte een werknemer al ongeveer twintig jaar binnen het concern van zijn werkgever. Vanaf 2004 bekleedde hij een hoge managementfunctie. Sinds het voorjaar van 2006 was de werkgever van mening dat de werknemer onvoldoende functioneerde. Hierover is tussen partijen in alle openheid gesproken. Uiteindelijk werd afgesproken dat de werknemer een tijdelijke functie zou aanvaarden en tegelijkertijd op zoek zou gaan naar een andere passende functie binnen óf buiten het concern van de werkgever. Het lukte de werknemer echter niet een alternatieve functie te vinden, zelfs niet met ondersteuning en begeleiding van een outplacementbureau. Partijen traden vervolgens langdurig in overleg over een vertrekregeling, maar kwamen niet tot overeenstemming. Uiteindelijk diende de werkgever een ontbindingsverzoek in.

De werknemer gaf tijdens de ontbindingsprocedure een geheel andere lezing van de feiten. Volgens hem was er in het geheel geen sprake van disfunctioneren. Hij zou juist een andere functie aanvaarden om daarna door te stromen naar een nog hogere functie binnen het concern van de werkgever. Het outplacementbureau was dan ook naar zijn zeggen ingeschakeld om hem te begeleiden bij zijn carrièreverloop binnen de organisatie.

De Kantonrechter 's-Hertogenbosch ontbindt de arbeidsovereenkomst aangezien hij van oordeel is dat er geen sprake meer is van onderling vertrouwen. Bij de vaststelling van de beëindigingsvergoeding houdt hij rekening met de hoge functie van de werknemer. Om te beginnen vindt de kantonrechter een onverkorte toepassing van de kantonrechtersformule niet op zijn plaats. Vanwege de aard van de functie en de daarbij behorende hoge beloningen zal de kantonrechtersformule slechts als leidraad gebruikt worden. De Kantonrechter overweegt daarbij dat hoge bomen nu eenmaal veel wind vangen, waarmee hij tot uitdrukking wil brengen dat tegenover een hoge beloning een zware verantwoordelijkheid voor de werknemer staat. Al naar gelang de hoogte van de positie van de werknemer mag hij eerder op zijn verantwoordelijkheden worden afgerekend. De werkgever kreeg daarbij nog wel het verwijt dat hij het vermeende disfunctioneren van de werknemer niet schriftelijk had vastgelegd en schijnbaar niet aan de werknemer had medegedeeld. Hierdoor waren er voor de werknemer onduidelijkheden ontstaan.

De kantonrechter oordeelde in dit geval dat de werkgever iets meer schuld had aan de ontstane situatie dan de werknemer en kende op basis hiervan aan de werknemer toch nog een aanzienlijke vergoeding toe.

Uit bovengenoemde uitspraak blijkt dat de werknemer en de werkgever zich dienen te realiseren dat hoe hoger de positie van de werknemer binnen de onderneming is, hoe eerder de werknemer kan worden aangesproken op zijn verantwoordelijkheden en hierop kan worden afgerekend.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Seksuele intimidatie: zorgvuldigheid is geboden
Op 31 maart 2008 heeft de Kantonrechter Groningen op verzoek van de werkneemster de arbeidsovereenkomst met haar werkgever ontbonden en heeft daarbij aan de werkneemster een substantiële vergoeding toegekend. Bij zijn oordeel heeft de kantonrechter gewicht toegekend aan de onzorgvuldige wijze waarop de werkgever is omgegaan met een klacht van de werkneemster over seksuele intimidatie.

Feiten
De werkneemster - sales en marketing manager - heeft zich medio 2007 bij zowel de manager finance & staff als de vice-president beklaagd over de negatieve en intimiderende manier waarop haar direct leidinggevende - marketing director - haar bejegende. De marketing director zou bij meerdere aangelegenheden seksueel getinte opmerkingen in de richting van de werkneemster hebben gemaakt, zelfs in de aanwezigheid van collega's en klanten. De marketing director heeft daardoor in strijd gehandeld met de bij de werkgever geldende gedragscode.

De manager finance & staff en de vice-president hebben niets gedaan met de klacht van de werkneemster. Ook de vertrouwenspersoon en de bedrijfsarts, tot wie de werkneemster zich nadien heeft gewend, zijn niet serieus in actie gekomen naar aanleiding van de klacht van de werkneemster. Daarop heeft de werkneemster haar klacht schriftelijk bij de CEO ingediend. Korte tijd daarna heeft de werkgever een klachtencommissie geformeerd, die de klacht van de werkneemster in behandeling heeft genomen. De commissie heeft de klacht van de werkneemster - nadat zij zowel de werkneemster als de marketing director buiten elkaars aanwezigheid had gehoord - afgewezen. Nadat de werkgever de werkneemster te kennen had gegeven dat hij het oordeel van de klachtencommissie zou volgen, heeft de werkneemster de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een vergoeding.

Oordeel kantonrechter
In essentie verwijt de kantonrechter de werkgever dat de vertrouwenspersoon en de bedrijfsarts, noch de manager finance & staff en de vice-president (adequate) actie hebben ondernomen naar aanleiding van de klacht van de werkneemster. Pas nadat de werkneemster zich tot de CEO had gewend, heeft de werkgever in allerhaast een klachtencommissie geformeerd, waarbij - naar het oordeel van de kantonrechter - meerdere procedurele onzorgvuldigheden zijn begaan. Alles afwegende ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen en kent hij aan de werkneemster een vergoeding toe met een correctiefactor van maar liefst 2,5.

Advies
Indien u wordt geconfronteerd met een klacht van een werknemer over seksuele intimidatie, zult u hier - binnen de wettelijke kaders - zorgvuldig en adequaat mee moeten omgaan. Verzuimt u dit, dan riskeert u ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een substantiële vergoeding aan de werknemer.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Ontslag op staande voet: onmiddellijk geven?
Een van de formele vereisten van een ontslag op staande voet is dat de arbeidsovereenkomst 'onverwijld' moet worden opgezegd. Op 16 januari 2008 heeft de Kantonrechter te Utrecht geoordeeld dat niet te lichtvaardig met dit vereiste dient te worden omgegaan.

Uit de wet volgt dat een werkgever bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdig mededeling van die reden aan de werknemer. Onverwijld houdt in dit verband in dat de werkgever, nadat hij kennis heeft genomen van het bestaan van een dringende reden, onmiddellijk actie moet ondernemen, bijvoorbeeld door de arbeidsovereenkomst op te zeggen of tot schorsing of non-actief stelling over te gaan.

Wanneer wordt nu precies voldaan aan de eis van onverwijldheid? Heeft de werkgever wel enige speelruimte? Volgens de Hoge Raad is het tijdstip waarop de dringende reden ter kennis is gekomen van degene die bij de werkgever tot ontslagverlening bevoegd is beslissend. Indien er geen bevoegd persoon aanwezig is, mag er worden gewacht, mits men hierbij voortvarend handelt. Ook heeft de werkgever enige tijd om de werknemer te horen, overleg te plegen, bewijsmateriaal te verzamelen en juridisch advies in te winnen. Dit kan nodig zijn om de juistheid van het vermoeden van het bestaan van een dringende reden te onderzoeken. Ook hierbij dient de werkgever echter voortvarend te werk te gaan.

Uit het bovenstaande volgt dat de werkgever wel enige speelruimte heeft. Uit de uitspraak van de Kantonrechter Utrecht blijkt echter dat er ook omstandigheden kunnen zijn die deze speelruimte beperken. In onderhavige kwestie had de werknemer meerdere malen het bedrijfsreglement overtreden. De werkgever had de werknemer tweemaal per aangetekende brief gewaarschuwd dat bij een volgende overtreding ontslag op staande voet zou volgen. Nadat de werknemer het reglement wederom had overtreden, werd hij acht dagen later op staande voet ontslagen. De werknemer is vervolgens een procedure gestart waarin hij stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven. De werkgever stelde zich, in lijn met de jurisprudentie, op het standpunt dat voor de beoordeling van het wettelijk vereiste van onverwijldheid van belang is op welk moment de bevoegde persoon, in onderhavig geval de directie, kennis heeft genomen van de dringende rede. Ook voerde de werkgever aan dat een werkgever enig respijt mag worden gegund om de werknemer te horen en juridisch advies in te winnen. De werkgever stelde met de nodige voortvarendheid gehandeld te hebben.

De kantonrechter kon het standpunt van de werkgever wel volgen, maar gaf hem in onderhavig geval geen gelijk. De kantonrechter wees op de twee aangetekende brieven waarin de werkgever het ontslag op staande voet al had aangekondigd voor het geval de werknemer het bedrijfsreglement opnieuw zou overtreden. Volgens de kantonrechter had de werkgever, voordat die overtreding zich voordeed, voldoende tijd gehad om zich met betrekking tot de uitvoering van het voorgenomen ontslag op staande voet van juridisch advies te voorzien. Die tijd had de werkgever daarom niet meer nodig nadat hij kennis had genomen van de overtreding. De kantonrechter concludeerde dat het ontslag op staande voet, acht dagen na de kennisneming van de dringende reden, niet onverwijld was gegeven.

Bovenstaande uitspraak benadrukt weer eens hoe belangrijk het is om als werkgever voortvarend te handelen bij een ontslag op staande voet. Zijn er al meerdere officiële waarschuwingen aan de werknemer gegeven, dan dient de werkgever na een volgende overtreding van de werknemer (mits deze uiteraard een dringende reden oplevert) ook daadwerkelijk onmiddellijk tot actie over te gaan. De speelruimte die een werkgever in een dergelijke situatie heeft, is zeer beperkt.

Omdat naast de inhoudelijke ook de formele eisen bij een ontslag op staande voet zeer nauw luisteren, raden wij u aan om direct contact met ons op te nemen indien zich een ontslag op staande voet situatie in uw organisatie voordoet. Wij kunnen dan beoordelen of het voorgenomen ontslag aan alle criteria voldoet en u behoeden voor eventuele valkuilen.
Inhoudsopgave

...........................................................................................................................................................................


Re-integratiekosten verhaalbaar op derde
De Eerste Kamer heeft op 20 mei 2008 ingestemd met het wetsvoorstel 'Regresrecht (overheids)werkgever en UWV.' Door deze wet wordt het mogelijk om als werkgever de kosten van (verplichte) re-integratiemaatregelen te verhalen op de aansprakelijke derde.

Stel, één van uw werknemers wordt arbeidsongeschikt naar aanleiding van een ongeval veroorzaakt door een derde. Een zeer vervelend voorval voor alle betrokkenen. Als werkgever komt u dan automatisch voor een behoorlijk aantal kostenposten te staan. Ten eerste bent u verplicht om op basis van de arbeidsovereenkomst het loon door te betalen. Daarnaast komen de onvermijdelijke kosten ter vervanging van de arbeidsongeschikte werknemer en de eventuele re-integratiekosten om de hoek kijken. Een eventuele omzetderving als gevolg van de uitgevallen werknemer is in veel scenario's ook niet denkbeeldig.

Reeds bestaande mogelijkheden voor werkgever
Er bestaat reeds in deze situatie naar huidig recht de mogelijkheid voor de werkgever om de loonschade te verhalen op de (verzekeraar van de) aansprakelijke derde. Dit vorderingsrecht is echter wel beperkt aangezien de derde in beginsel enkel het door de werkgever door te betalen netto loon aan de arbeidsongeschikte werknemer dient te vergoeden.

Mogelijkheden naar aanleiding van nieuwe wet
De werkgever ziet zich in een dergelijke situatie, buiten de loonkosten, ook geconfronteerd met andere kosten die gemoeid zijn met (de uitval van) de arbeidsongeschikte werknemer. Deze kosten vallen niet onder het bovengenoemd vorderingsrecht van de werkgever met alle (onredelijke) gevolgen van dien. Immers, de werkgever draait op voor (een deel van de) kosten die door schuld van een derde zijn ontstaan.

De nieuwe wet geeft de werkgever en het UWV de mogelijkheid om ook de kosten van (verplichte) re-integratiemaatregelen te verhalen op de aansprakelijke derde. De kosten van de re-integratiemaatregelen moeten in dat geval wel redelijk zijn. Wat hieronder dient te worden verstaan zal nog nader in de praktijk moeten worden ingevuld.

De gedachte achter deze wet is dat door deze (betere) verhaalsmogelijkheid werkgevers naar verwachting meer aan re-integratie willen doen. Daardoor wordt ook het inkomensverlies van de betrokken werknemer aanzienlijk beperkt. Een goede ontwikkeling, aangezien een snellere re-integratie voor alle betrokken partijen - ook de aansprakelijke derde -  immers van (financieel) belang is.
De wet zal op korte termijn in werking treden. De exacte datum van de inwerkingtreding is nog niet bekend.

Tip
Als werkgever is het derhalve van belang dat u iedere arbeidsongeschikte werknemer laat controleren door een bedrijfsarts. Spreek met uw bedrijfsarts af dat deze nagaat of er sprake is van arbeidsongeschiktheid die is veroorzaakt door een derde. Indien er inderdaad sprake is van een aansprakelijke derde, is de kans aanmerkelijk dat u als werkgever niet alleen de directe loonschade kunt vorderen, maar tevens de redelijk gemaakte re-integratiekosten.
Inhoudsopgave

............................................................................................................................................................................

Schaf preventieve toets ontslag af
'Bakker' lijkt te pleiten voor een al dan niet beoogde uitbreiding van een preventieve ontslagbescherming. Letterlijk staat in de samenvatting van het rapport van de Commissie Bakker over arbeidsparticipatie de navolgende zin: 'Uiteraard blijven bescherming van de werknemer tegen onrechtmatig ontslag bestaan.'

Deze zin nodigt een arbeidsjurist welhaast automatisch uit tot een reactie. Niet alleen vanwege de grammaticale fout - dat zou wat flauw zijn - maar vanwege het ontslagrechtelijke element, dat het ergste deed vrezen aangaande de ontslagrechtelijke merites van het rapport.

Het Nederlandse ontslagrecht kent immers geen 'onrechtmatig ontslag' en niet te hopen valt dat een dergelijk ontslag er in ons ontslagrecht naast het reeds bestaande onregelmatige, kennelijk onredelijke en/of vernietigbare ontslag zal bijkomen.

Vorenbedoelde vrees had overigens reeds kunnen ontstaan bij het lezen van een eerdere zin, waarin 'Bakker' stelt dat belangrijke elementen van de huidige ontslagregulering overbodig worden. Een belangrijk element van die regulering is immers al overbodig en had op z'n laatst naar aanleiding van het rapport van de zogenoemde Commissie Rood uit het jaar 2000 moeten worden afgeschaft.

Het betreft hierbij artikel 6 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA), dat een werkgever in de regel voorschrijft CWI-toestemming te verkrijgen alvorens een arbeidscontract te mogen opzeggen. Deze preventieve ontslagtoets wordt reeds lang (inter)nationaal bekritiseerd, omdat hij menig werkgever ervan weerhoudt een werknemer 'vast' aan te nemen. In de praktijk wordt het vereiste overigens eenvoudig omzeild door het volgen van de 'ontbindingsroute' via de kantonrechter of door het met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan - sedert de WW-versoepeling van 2006 een tamelijk eenvoudig begaanbare weg.

Afschaffing van artikel 6 BBA ligt met andere woorden reeds lang in de rede. In plaats daarvan lijkt 'Bakker' te pleiten voor een - al dan niet beoogde - uitbreiding van een preventieve ontslagbescherming. De commissie stelt immers na een opzegtermijn van een maand een periode van zes maanden voor waarin werkgevers met hun werknemer een nieuwe werkkring moeten trachten te vinden.

Technisch-juridisch beschouwd - de commissie laat zich er niet expliciet over uit - lijkt er daaraan voorafgaand ogenschijnlijk nog steeds sprake te zijn van een BBA-ontslagverbod. En dat zou nu precies de richting zijn, die men met het ontslagrecht niet uit moet en tot nu toe ook niet uit wil. Zie bijvoorbeeld de vervanging van anciënniteit door afspiegeling als selectiecriterium bij bedrijfseconomisch ontslag.

Gezien het voorgaande, maar evenzeer gezien de visie van 'Bakker' dat er jaarlijks hoge kosten gemoeid zijn met reorganisatie-ontslagen en er daarbij veel energie en kosten verloren gaan aan procedures, vergoedingen en advocaten, is het jammer dat er in het rapport een expliciet geformuleerd zesde voorstel ontbreekt.

Dit voorstel had moeten luiden: 'Schaf - desgewenst vooruitlopend op de wettelijke implementatie van onze voorstellen - zo spoedig mogelijk artikel 6 BBA af. zie nader Adviescommissie Duaal Ontslagstelsel, Afscheid van het duale ontslagrecht, Den Haag 2000.'

Bovenstaand artikel van Jan Heinsius is donderdag 3 juli jl. in het Financieele Dagblad verschenen. Jan Heinsius is universitair docent sociaal recht Universiteit Leiden en verbonden aan het Wetenschappelijk Bureau van AKD Prinsen Van Wijmen.
Inhoudsopgave