In deze
nieuwsbrief:
- Privésurfen tijdens werk: tijd voor
actie!
Uit recent onderzoek van Ernst & Young volgt dat privésurfen
door werknemers onder werktijd het afgelopen jaar met maar liefst
67% is gegroeid. De roep om hier paal en perk aan te stellen neemt
aan werkgeverszijde in hoge mate toe. Maatregelen zijn
onvermijdelijk. Lees
verder >>
- Personeelsuitje? Laat de leidinggevende
thuis!
De aanwezigheid van een leidinggevende bij een bedrijfsuitje kan
leiden tot het oordeel dat de werkgever aansprakelijk is voor de
schade die zijn werknemers tijdens dit uitje aan derden toebrengen,
zo blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2007.
Lees verder >>
- Ontslag op staande voet bij verzwijgen
overspannenheid
Onlangs heeft de Voorzieningenrechter Haarlem bepaald dat een
werknemer terecht op staande voet was ontslagen omdat hij zijn
werkgever tijdens de sollicitatieprocedure niet had geïnformeerd
over zijn vroegere arbeidsongeschiktheid.
Lees verder >>
- Zorgplicht werkgever voor rookvrije werkplek
Werkgevers zijn sinds 1 januari 2004 verplicht ervoor te
zorgen dat werknemers op hun werkplek geen hinder of overlast van
roken ondervinden. Tijd om te bekijken hoe met deze verplichting in
de praktijk wordt omgegaan.
Lees verder >>
- CWI behandelt werknemer oneerlijk
De Nationale Ombudsman publiceerde onlangs een rapport over de
ontslagprocedure bij de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen
(CWI). Zijn conclusie is dat de ontslagprocedure niet eerlijk
verloopt. Lees
verder >>
............................................................................................................................................................................
Privésurfen
tijdens werk: tijd voor actie!
Uit recent onderzoek van Ernst & Young volgt dat privésurfen
door werknemers onder werktijd het afgelopen jaar met maar liefst
67% is gegroeid. De roep om hier paal en perk aan te stellen neemt
aan werkgeverszijde in hoge mate toe. Maatregelen zijn
onvermijdelijk.
Uit het onderzoek van Ernst & Young komt naar voren dat
werknemers in 2007 zo'n vijf uur per week (!) aan privé
internetten, persoonlijke telefoontjes en privé e-mails besteedden.
Slechts 2,4 uur hiervan compenseerden de werknemers door in de
avonden en tijdens de weekenden werkmails te lezen en zakelijke
websites te bezoeken, aldus Ernst & Young.
Ernst & Young verklaart dit "wangedrag op de werkvloer" door
de huidige krapte op de arbeidsmarkt. Werknemers menen zich meer te
kunnen permitteren. Dit geldt met name voor werknemers jonger dan
35 jaar, die driemaal zoveel mailen, surfen en bellen onder
werktijd als hun oudere collega's.
Om deze tendens een halt toe te roepen, ontkomen werkgevers er
niet aan om maatregelen te treffen. Hoewel veel werkgevers bepaalde
websites blokkeren door het gebruik van webfilters, hetgeen veelal
is ingegeven om virussen buiten de deur te houden, is deze
maatregel onvoldoende om het grote verlies aan
arbeidsproductiviteit te voorkomen. Om werknemers die hun tijd
verdoen op sociale netwerken tot de orde te kunnen roepen, is het
noodzakelijk dat werkgevers duidelijke, schriftelijke regels
stellen met betrekking tot het gebruik van zakelijke
communicatiemiddelen. Alleen met dergelijke voorschriften en een
deugdelijke controle hierop kan het toenemende oneigenlijke gebruik
door werknemers van internet, e-mail en telefoon worden
tegengegaan.
Hebt u behoefte aan meer informatie, een reglement over het
gebruik van zakelijke communicatiemiddelen of stelt u het op prijs
dat wij uw huidige voorschriften toetsen, aarzel dan niet om onze
redactie te benaderen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Personeelsuitje?
Laat de leidinggevende thuis!
De aanwezigheid van een leidinggevende bij een bedrijfsuitje kan
leiden tot het oordeel dat de werkgever aansprakelijk is voor de
schade die zijn werknemers tijdens dit uitje aan derden toebrengen,
zo blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 9 november
2007.
Op grond van artikel 6:170 BW kan een werkgever aansprakelijk
worden gesteld voor schade die door een fout van zijn werknemer is
toegebracht aan derden. Voorwaarde daarvoor is dat de kans op deze
fout van de werknemer door het verrichten van zijn werkzaamheden is
vergroot en dat de werkgever zeggenschap had over de foutieve
gedraging van de werknemer. Niet van belang is of de werkgever ter
zake ook een verwijt kan worden gemaakt.
Tijdens het jaarlijkse personeelsuitje van de werkgever werd in
een van de zalen van een partycentrum een barbecue gehouden. Na de
maaltijd hebben twee of meer personeelsleden van de werkgever
lampolie op het nog hete barbecuerooster gegooid. Direct daarna is
brand ontstaan. Als gevolg daarvan is zeer grote schade ontstaan
aan de gebouwen en inrichting van het partycentrum. Het
partycentrum heeft de werkgever voor deze schade aansprakelijk
gesteld.
De onderhavige fout van de personeelsleden hield geen verband
met de bedrijfsuitoefening van de werkgever. Het gooien van
lampolie op de barbecue had immers niets van doen met de eigenlijke
werkzaamheden van de werknemers (hoofdzakelijk hoveniers- en
timmerwerkzaamheden). Bovendien vond deze gedraging buiten werktijd
plaats, op een andere locatie dan waar de werknemers hun taak
gewoonlijk verrichten en hadden de werknemers geen opdracht of
morele plicht om bij het bedrijfsuitje aanwezig te zijn.
Toch oordeelde de Hoge Raad dat de werkgever aansprakelijk was
voor de schade. De Hoge Raad hechtte waarde aan het feit dat het
ging om een door de werkgever georganiseerd en betaald
bedrijfsuitje, dat mede in het belang was van de saamhorigheid
binnen het bedrijf en de motivatie van de daar werkzame personen.
De werknemers waren bij het uitje aanwezig vanwege hun hoedanigheid
als werknemer en vormden samen met hun leidinggevenden een eenheid.
De Hoge Raad kende daarbij nog aparte betekenis toe aan het feit
dat er een leidinggevende aanwezig was die had kunnen ingrijpen,
ook al ging het niet om de eigenlijke werkzaamheden van de
werknemers.
Werkgevers zijn dus gewaarschuwd. Aansprakelijkheid voor de door
werknemers veroorzaakte schade tijdens een bedrijfsuitje wordt door
de Hoge Raad al snel aangenomen. Dat deelname aan het bedrijfsuitje
op basis van vrijwilligheid is, doet daarbij niet ter zake. De
werkgever, of feitelijke leidinggevende, ontkomt er dus niet aan in
te grijpen tijdens een bedrijfsuitje. Een alternatief zou wellicht
kunnen zijn de leidinggevende thuis te laten, het bedrijfuitje niet
op naam van de werkgever te reserveren, de werknemers zelf te laten
betalen en de kosten te laten declareren.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Ontslag op staande voet bij verzwijgen
overspannenheid
Onlangs heeft de Voorzieningenrechter Haarlem bepaald dat een
werknemer terecht op staande voet was ontslagen omdat hij zijn
werkgever tijdens de sollicitatieprocedure niet had geïnformeerd
over zijn vroegere arbeidsongeschiktheid.
Op 1 januari 2007 is de werknemer in dienst getreden als
vmbo-docent vliegtuigonderhoud. Een functievereiste is onder meer
het goed overweg kunnen met een lastige groep leerlingen. De
werkgever was dan ook op zoek naar een stressbestendige docent,
hetgeen de werkgever tijdens de sollicitatieprocedure ook heeft
aangegeven. Daarnaast is in de arbeidsovereenkomst expliciet
opgenomen dat de werknemer heeft verklaard dat hij ten tijde van de
ondertekening van zijn arbeidsovereenkomst naar beste weten geheel
gezond is en dat er geen omstandigheden zijn die tijdelijke of
blijvende arbeidsongeschiktheid teweeg zouden kunnen brengen.
Reeds in februari 2007 meldt de werknemer zich ziek. Uit het
rapport van de bedrijfsarts blijkt dat de werknemer structurele
functionele beperkingen heeft in de zin van de WAO/WIA. De
werknemer was in het verleden ook al eens als docent uitgevallen
wegens overspannenheid en slikte daarvoor antidepressiva.
De werkgever heeft de werknemer daarop op staande voet
ontslagen. Volgens de werkgever heeft de werknemer zijn
informatieplicht tijdens de sollicitatieprocedure geschonden, omdat
hij heeft gezwegen over zijn arbeidsongeschiktheidsverleden. Hij
zou de werkgever bewust hebben misleid omtrent zijn geschiktheid
als docent vliegtuigonderhoud.
De werknemer betwist dit en stelt bij kort geding een
loonvordering in. De werknemer stelt dat zijn overspannenheid in
het verleden geen verband hield met doceren, maar was gelegen in
privé-omstandigheden. Daarom hoefde hij er niet van uit te gaan dat
deze klachten hem ongeschikt maakten voor de functie.
De voorzieningenrechter stelt de werknemer echter in het
ongelijk. De werknemer had moeten beseffen dat zijn vroegere
arbeidsongeschiktheid een risico inhield voor het uitoefenen van de
functie waarop hij solliciteerde. Volgens de rechter diende de
werknemer zijn werkgever te informeren over zijn ziekteverleden
indien hij wist of behoorde te weten dat deze informatie, gelet op
de functie waarnaar hij solliciteerde, voor de werkgever van
wezenlijk belang was. De rechter is dan ook van mening dat het
ontslag op staande voet terecht is gegeven en wijst de
loonvordering van de werknemer af.
Betekent het bovenstaande dat een werkgever van een sollicitant
altijd mag verwachten dat hij tijdens de sollicitatieprocedure
opening van zaken geeft over zijn medisch verleden? In beginsel
heeft een sollicitant het recht om te zwijgen over zijn medische
beperkingen. De werkgever mag ook geen vragen stellen over de
gezondheidstoestand van de sollicitant of over zijn ziekteverzuim
en hierover geen informatie inwinnen. Dit is echter anders als de
beperkingen voor het uitoefenen van de desbetreffende functie van
rechtstreeks belang zijn. Indien de werknemer van tevoren weet dat
hij medische beperkingen heeft die hem ongeschikt maken voor een
goede uitoefening van de functie, dan moet hij de werkgever
hierover tijdens de sollicitatieprocedure informeren, ongeacht of
de werkgever hiernaar gevraagd heeft. Laat de werknemer dit na, dan
is een werkgever bij ziekte van de werknemer geen loon verschuldigd
en mag hij in voorkomende gevallen zelfs overgaan tot een ontslag
op staande voet.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Zorgplicht
werkgever voor rookvrije werkplek
Werkgevers zijn sinds 1 januari 2004 verplicht ervoor te zorgen dat
werknemers op hun werkplek geen hinder of overlast van roken
ondervinden. Tijd om te bekijken hoe met deze verplichting in de
praktijk wordt omgegaan.
Werkgevers zijn op grond van de Tabakswet verplicht zodanige
maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun
werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van
roken door anderen te ondervinden. Op dit moment zijn enkele
branches nog uitgezonderd van deze verplichting (bijvoorbeeld de
horeca, de tabaksspeciaalzaken en het internationaal
personenvervoer), maar per 1 juli 2008 geldt de verplichting voor
alle werkgevers. Werkgevers die tekortschieten in hun zorgplicht
voor een rookvrije werkplek riskeren ingevolge de Tabakswet een
boete van € 300 voor de eerste overtreding tot € 2.400 bij
herhaling.
Werkgevers zijn niet gehouden een algeheel rookverbod in te
stellen, maar dienen enkel voor een rookvrije werkplek te zorgen.
Een algeheel rookverbod is echter wel het meest geschikte middel om
aan de verplichting te voldoen. De verplichting is namelijk niet
beperkt tot de "gewone" werkomgeving van de werknemer (bijvoorbeeld
zijn kantoor), maar strekt zich uit over de hele werkomgeving van
de werknemer. De kantine, het trappenhuis en de toiletten vallen
bijvoorbeeld ook onder de werkplek van de werknemer.
Bovengenoemde verplichting geldt niet ten aanzien van ruimtes
waar werkgevers geen zeggenschap hebben over de gebruiksregels.
Hierbij kan gedacht worden aan detachering waarbij de formele
werkgever niet dezelfde is als de feitelijke werkgever die de
zeggenschap heeft.
Een werkgever heeft echter ook een algemene zorgplicht ten
aanzien van de gezondheid van zijn werknemers. Deze algemene
zorgplicht geldt tevens voor werknemers die elders gedetacheerd
zijn en houdt in dat een formele werkgever dient te bewerkstelligen
dat de feitelijke werkgever passende maatregelen neemt om te zorgen
dat een werknemer niet in een rokerige omgeving hoeft te werken.
Dit kwam aan de orde in een recente uitspraak van de Kantonrechter
Alkmaar. De kantonrechter oordeelde wel dat deze inspanningen van
de formele werkgever enige tijd kosten. De werknemer kan daarom
niet verwachten dat de formele werkgever van de ene op de andere
dag een ander rookbeleid realiseert bij de feitelijke werkgever. De
werknemer had volgens de kantonrechter de werkgever in dit geval
niet voldoende tijd gegund. De vordering van de werknemer tot
betaling van loon over de periode dat hij niet kon werken omdat de
werkgever niet voor een rookvrije werkplek had gezorgd werd dan ook
afgewezen.
Een werknemer kan het recht op een rookvrije werkplek in rechte
proberen af te dwingen. Dat hebben verschillende werknemers
recentelijk geprobeerd, met wisselend succes. De rechter blijkt
begrip te kunnen opbrengen voor het feit dat het voor werkgevers in
bepaalde branches vrijwel ondoenlijk is om voor een rookvrije
werkplek te zorgen. Zo heeft de Kantonrechter Amsterdam de
vordering van een werknemer van een opvanghuis voor dak- en
thuislozen om zijn werkgever te veroordelen om een rookvrije
werkplek te creëren afgewezen. Het opvanghuis had geen mogelijkheid
om een aparte rookruimte te creëren en bij een algeheel rookverbod
zouden vele dak- en thuislozen geen gebruik meer maken van het
opvanghuis.
De wetgeving ten aanzien van roken op de werkplek lijkt helder.
Toch is uit recent onderzoek gebleken dat maar liefst 20% van de
gecontroleerde bedrijven de voorschriften uit de Tabakswet niet
voldoende naleeft.
Als u zich als werkgever niet voldoende aan deze voorschriften
houdt, loopt u op twee fronten risico. Ten eerste kunnen uw
werknemers een rookvrije werkplek in rechte proberen af te dwingen,
waarbij tevens de kans bestaat dat u aansprakelijk wordt gesteld
voor de ontstane gezondheidsschade van uw werknemers. Ten tweede
kunt u een bestuurlijke boete opgelegd krijgen. Eventuele
niet-naleving van de voorschriften ten aanzien van een rookvrije
werkplek kunt u als werkgever dus flink in uw portemonnee voelen.
Met dit in het achterhoofd is het verstandig uw rookbeleid nog eens
goed onder de loep te nemen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
CWI behandelt
werknemer oneerlijk
De Nationale Ombudsman publiceerde onlangs een rapport over de
ontslagprocedure bij de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen
(CWI). Zijn conclusie is dat de ontslagprocedure niet eerlijk
verloopt.
Dat lijkt koren op de molen van werkgeversorganisaties, die al
geruime tijd proberen om de preventieve ontslagtoets bij de CWI
opgeheven te krijgen. De vraag is of dat zo slim is: de
ontslagprocedure blijkt immers zeer werkgeversvriendelijk te zijn.
De directeur van Bavaria haalde onlangs de voorpagina's van de
kranten omdat hij volledige opheffing van de CWI bepleitte. Hij
vindt de CWI "een geldverslindende, volstrekt overbodige,
organisatie". Deze uitlatingen deed hij in het kader van de
discussie over de arbeidsmarktkrapte, waarbij ook het nieuwe
ontslagrecht uitvoerig ter sprake kwam. De CNV-voorzitter
verdedigde te vuur en te zwaard het preventieve ontslagstelsel,
daar waar werkgevers juist aangaven dat zij eerder extra personeel
zullen aannemen, indien zij werknemers eenvoudiger kunnen ontslaan.
Nog daargelaten de vraag of die redenering klopt, blijkt nu uit het
rapport van de Nationale Ombudsman dat de CWI voornamelijk oog
heeft voor het belang van de werkgever en dat de werknemer daar de
dupe van is.
De Nationale Ombudsman constateert dat de CWI-ontslagprocedure
niet eerlijk verloopt. De CWI ziet de werkgever als zijn klant (en
niet de werknemer) en houdt regelmatig onder werkgevers
"klanttevredenheidsonderzoeken". Alles is erop gericht om de
ontslagprocedure zo snel mogelijk te laten verlopen.
Als een werkgever vooraf hulp bij een ontslagaanvraag nodig
heeft, dan krijgt hij van een consulent van de CWI alle tijd en
begeleiding. Een werknemer krijgt echter maar twee weken om op zo'n
aanvraag te reageren.
Dient een werkgever een onduidelijk of onvolledig verzoek in,
dan krijgt hij tijd om dat aan te vullen. De werknemer daarentegen
krijgt vrijwel nooit uitstel voor zijn verweer en als zijn reactie
(vaak door onkunde) onvolledig of onduidelijk is, dan krijgt hij
geen gelegenheid om deze aan te vullen.
Als een werknemer verweer heeft gevoerd moet hij maar afwachten
wat er verder gebeurt. De werkgever daarentegen krijgt bericht
wanneer een beslissing tegemoet gezien kan worden. Een mondelinge
behandeling waarin de werknemer zijn standpunt zou kunnen
verduidelijken wordt vrijwel nooit gehouden. De Nationale Ombudsman
heeft hier ernstige kritiek op omdat vaak pas bij een zitting de
standpunten toch wat genuanceerder blijken te zijn.
Ook is er kritiek ten aanzien van de Ontslagadviescommissie
(OAC). Het districtshoofd van de CWI beslist of er een
ontslagvergunning wordt verleend en de OAC adviseert hem daarin. De
OAC is zeer belangrijk en bestaat uit een werknemerslid, een
werkgeverslid en een medewerker van de CWI die als technisch
voorzitter fungeert. Voor werknemer en werkgever is niet bekend wie
in de OAC zitten. In theorie is het mogelijk dat een lid van de OAC
niet onpartijdig is omdat dat lid met een van partijen banden
heeft.
De procesgang bij de CWI is aantoonbaar oneerlijk gebleken,
aldus de Nationale Ombudsman. Met name de werknemer is daar de dupe
van. Wellicht dat de werkgeversorganisaties in de verdere discussie
over het nieuwe ontslagrecht er een onverwachte bondgenoot bij
zullen krijgen en tezamen met de vakbonden afschaffing van de CWI
kunnen bepleiten?
Inhoudsopgave