Arbeidsrecht - januari 2007

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief:

  • De vereenvoudiging van de Arbeidstijdenwet en de nieuwe Arbowet
    Op 28 en 29 november 2006 heeft de Eerste Kamer ingestemd met wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Arbowet. De wetswijzigingen beogen de werkgever meer mogelijkheden te verschaffen om zijn arbeidstijden- en arbeidsomstandighedenbeleid beter op zijn bedrijfsvoering af te stemmen.  Lees verder >>

  • Wijziging kinderopvangregeling
    Per 1 januari 2007 is de financiering van kinderopvang gewijzigd. Vanaf die datum hebben werkende ouders, naast een kinderopvangtoeslag, recht op een vaste toeslag voor kinderopvang. Deze vaste toeslag komt in de plaats van de huidige vrijwillige werkgeversbijdrage. Lees verder >>

  • Het nieuwe loonsanctiesysteem
    Mede naar aanleiding van kritiek op het oude loonsanctiesysteem is een nieuw systeem ontwikkeld. Het nieuwe loonsanctiesysteem kent geen minimum sanctieduur van vier maanden meer, maar komt neer op een sanctieduur "op maat". Lees verder >>

  • Werknemer draait voor studiekosten op
    Het Hof Den Haag heeft op 13 oktober 2006 een opmerkelijke uitspraak gedaan. Zij heeft een vordering van een werkgever tot terugbetaling van studiekosten toegewezen terwijl niet aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig studiekostenbeding was voldaan. Hoewel voorheen vrijwel steeds de werknemer aan het langste eind trok, is het Hof de werkgever nu met een grote stap tegemoet gekomen. Lees verder >>

  • Verplichting tot handenschudden: ongerechtvaardigd onderscheid
    Op 7 november 2006 heeft de Commissie Gelijke Behandeling wederom een spraakmakende uitspraak gedaan over de vraag of een werknemer zich uit geloofsovertuiging op een bepaalde wijze mag gedragen op de werkvloer. Lees verder >>

  • Einde van de verkorte CWI-procedure
    Met ingang van 1 januari 2007 is de zogenaamde "verkorte procedure" uit het Ontslagbesluit vervallen. Door de werknemer een verklaring van geen bezwaar te laten ondertekenen, kon tot voor kort bij een bedrijfseconomisch ontslag de gewoonlijk vier tot zes weken durende ontslagprocedure aanzienlijk worden verkort. Lees verder >>

............................................................................................................................................................................

De vereenvoudiging van de Arbeidstijdenwet en de nieuwe Arbowet

Op 28 en 29 november 2006 heeft de Eerste Kamer ingestemd met wijziging van de Arbeidstijdenwet en de Arbowet. De wetswijzigingen beogen de werkgever meer mogelijkheden te verschaffen om zijn arbeidstijden- en arbeidsomstandighedenbeleid beter op zijn bedrijfsvoering af te stemmen.

De Arbeidstijdenwet
De wijzigingen in de Arbeidstijdenwet per 1 april 2007 zijn erop gericht de bestaande bepalingen te vereenvoudigen en te versoepelen. Zo wordt het aantal regels teruggebracht van twaalf naar vier. De nieuwe wet beperkt zich zoveel mogelijk tot regels die nodig zijn voor de bescherming van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers.

De maximale duur van de arbeidstijd is gewijzigd: de nieuwe wet schrijft voor dat de maximumduur per dienst 12 uur bedraagt en maximaal 60 uur per week. Per 4 weken mag een werknemer maximaal 55 uur gemiddeld per week werken en per 16 weken geldt een gemiddelde arbeidsduur van maximaal 48 uur. Werkgevers en werknemers krijgen hierdoor meer ruimte om in onderling overleg te treden over de arbeidstijd per dag en per week.

Verder krijgen werkgevers en werknemers meer onderhandelingsvrijheid over pauzes, zowel voor wat betreft het aantal als ten aanzien van de tijdstippen van de pauzes. Wel is het zo dat er bij een dienst van 5,5 uur of langer een pauze moet worden gehouden.

De bepaling ten aanzien van het werken op zondag blijft inhoudelijk hetzelfde: het verbod op zondagsarbeid blijft in stand evenals de wettelijk geregelde afwijkingsmogelijkheden hiervan (een voorbeeld van een afwijkingsmogelijkheid is het werken op zondag in de horeca). Echter, als gevolg van de wetswijziging kunnen werkgevers en werknemers hier in de toekomst bij CAO van afwijken. Indien in een CAO zondagsarbeid is overeengekomen voor een situatie die niet in de wet is opgenomen, dan mag de werknemer vanaf 1 april 2007 wel weigeren om aan deze in de CAO opgenomen verplichting te voldoen.

Tot slot komt er meer ruimte bij nachtarbeid: een nachtdienst mag in de regel niet langer zijn dan 10 uur, terwijl de werkweek per 16 weken niet meer mag omvatten dan 40 uur. Het maximum aantal nachtdiensten per 16 weken is vastgesteld op 36.

Bovengenoemde wijzigingen strekken er uiteindelijk toe om de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere landen te verbeteren. Dit zal met name voor de industriële bedrijven gelden, omdat deze vaak met ploegendiensten werken.

De Arbowet
De wijzigingen in de Arbowet brengen met zich mee dat meer mogelijkheden worden geboden aan werkgevers en werknemers om samen afspraken te maken over hoe werknemers zo veilig en gezond mogelijk hun werk kunnen doen. Het doel is om het arbobeleid binnen bedrijven te verbeteren. Sociale partners wordt ruimte geboden om het arbobeleid goed te laten aansluiten bij de specifieke werksituaties in de verschillende sectoren en bedrijven. Daarbij dient men zich wel te houden aan zogenaamde "doelvoorschriften", waarin is bepaald wat het (minimale) beschermingsniveau moet zijn bij verschillende werkzaamheden (bijvoorbeeld: als de werknemer wordt blootgesteld aan een geluid van 85 decibel of meer, dan dient de werkgever voldoende beschermende maatregelen te treffen teneinde beschadiging van het gehoor te voorkomen). Per sector kunnen werkgevers en werknemers onderling afspreken op welke wijze zij uitvoering en invulling aan deze doelvoorschriften zullen geven.

Vakbonden en werkgeversorganisaties leggen de gemaakte afspraken per sector vast in de zogenaamde "arbocatalogi". In deze catalogi kunnen bedrijven opzoeken op welke wijze en met welke middelen zij hun werknemers afdoende kunnen beschermen binnen hun specifieke branche. De nieuwe Arbowet is op 1 januari 2007 in werking getreden en zal mogelijk voordelige financiële consequenties voor werkgevers hebben aangezien zij aan minder wettelijke regels zijn gebonden.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Wijziging kinderopvangregeling


Per 1 januari 2007 is de financiering van kinderopvang gewijzigd. Vanaf die datum hebben werkende ouders, naast een kinderopvangtoeslag, recht op een vaste toeslag voor kinderopvang. Deze vaste toeslag komt in de plaats van de huidige vrijwillige werkgeversbijdrage. 

Voor 1 januari 2007 waren werkende ouders voor de bekostiging van de kinderopvang voornamelijk afhankelijk van de bijdrage van hun werkgevers. Het feit dat dit een vrijwillige bijdrage betrof, had tot gevolg dat veel werkende ouders geen (volwaardige) bijdrage ontvingen.

Onder de nieuwe regeling zijn werkgevers verplicht om bij te dragen in de kosten voor de kinderopvang in de vorm van een wettelijke opslag op het werkgeversaandeel van de WW-premie. De werknemer ontvangt daardoor, middels een hogere overheidsbijdrage, een vaste toeslag voor kinderopvang. Deze vaste toeslag zal voortaan, samen met de reeds bestaande inkomensafhankelijke toeslag, als één bedrag door de belastingdienst aan de werknemer worden uitgekeerd.

De opslag op het werkgeversaandeel van de WW-premie, zal naar schatting 0,28 procent van de loonsom bedragen. Daar staat tegenover dat voor de werkgever die nu een kinderopvangregeling heeft, de kosten daarvan wegvallen. Indien werknemers op grond van een geldende CAO of bedrijfsregeling per 1 januari 2007 recht hebben op een toeslag voor kinderopvang, is de werkgever verplicht de afgesproken bijdrage te betalen voor het gedeelte van de bijdrage dat uitstijgt boven de vaste toeslag die de overheid verstrekt. Deze verplichting geldt zolang de CAO of bedrijfsregeling op dit punt niet is gewijzigd. Dit dient ter voorkoming van de situatie dat werkgevers tweemaal kosten zouden moeten maken. Het is dus raadzaam een eventuele (CAO- of bedrijfs)regeling tijdig aan te passen en de werknemers op zorgvuldige wijze te informeren dat de bijdrage voortaan door de overheid wordt uitbetaald.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Het nieuwe loonsanctiesysteem


Mede naar aanleiding van kritiek op het oude loonsanctiesysteem is een nieuw systeem ontwikkeld. Het nieuwe loonsanctiesysteem kent geen minimum sanctieduur van vier maanden meer, maar komt neer op een sanctieduur "op maat".

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) beoordeelt aan het eind van de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid of de werkgever voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Dit wordt ook wel de zogenaamde "Poortwachterstoets" genoemd. Wanneer de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen, legt het UWV de werkgever een loonsanctie op. De loondoorbetalingsperiode wordt dan verlengd, zodat de werkgever de vereiste reïntegratie-inspanningen alsnog kan verrichten.

Tot voor kort hanteerde het UWV bij de beoordeling de "beleidsregels verlenging loondoorbetaling Poortwachter". Deze beleidsregels kenden vier categorieën van verzuim: beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid. Indien het verzuim van de werkgever werd aangemerkt als beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid, werd de loondoorbetalingsperiode verlengd met respectievelijk 4, 6, 9 of 12 maanden. Door de Centrale Raad van Beroep is uitgemaakt dat een minimum sanctieduur, zoals die door het UWV werd gehanteerd, strijdig is met de wettelijke verplichting om de sanctieduur af te stemmen op de periode die de werkgever nodig heeft om alsnog aan zijn reïntegratieverplichtingen te voldoen.

Het nieuwe loonsanctiesysteem kent geen minimum sanctieduur meer. De duur wordt in het nieuwe loonsanctiesysteem namelijk afgestemd op de periode die de werkgever nodig heeft om alsnog zijn reïntegratieverplichtingen na te komen met een maximumduur van 52 weken. Indien de werkgever op een gegeven moment meent dat hij zijn tekortkoming heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV. Het UWV geeft vervolgens binnen drie weken na ontvangst van deze melding een beschikking af waarin is vastgesteld of de werkgever alsnog aan zijn reïntegratieverplichtingen heeft voldaan. Indien dit het geval is, eindigt de verlenging van de loondoorbetalingsperiode zes weken na eerdergenoemde beschikking. Het gewijzigde systeem geldt voor personen die op of na 15 augustus 2004 ziek zijn geworden.

Inmiddels heeft het UWV bij nieuwe WIA-aanvragen vanaf medio mei 2006 een aanvang gemaakt met de implementatie van het nieuwe loonsanctiesysteem. Vanaf die tijd worden WIA-aanvragen van personen die op of na 15 augustus 2004 ziek zijn geworden, beoordeeld volgens het nieuwe loonsanctiesysteem.

Tot slot nog het volgende. Indien een werkgever het reïntegratieproces en (het verloop van) de WIA-aanvraag niet nauwgezet in de gaten houdt, bestaat het risico op aanzienlijke financiële schade. Het verdient voor een werkgever dan ook aanbeveling de door hem ingeschakelde dienstverleners, in het bijzonder de arbodienst/bedrijfsarts, en de werknemer duidelijk aan te spreken op hun verantwoordelijkheden in het reïntegratieproces.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Werknemer draait voor studiekosten op


Het Hof Den Haag heeft op 13 oktober 2006 een opmerkelijke uitspraak gedaan. Zij heeft een vordering van een werkgever tot terugbetaling van studiekosten toegewezen terwijl niet aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig studiekostenbeding was voldaan. Hoewel voorheen vrijwel steeds de werknemer aan het langste eind trok, is het Hof de werkgever nu met een grote stap tegemoet gekomen.

In 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met de werknemer kan worden overeengekomen dat studiekosten aan het einde van het dienstverband dienen te worden terugbetaald. Dat studiekostenbeding moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet het beding schriftelijk en helder geformuleerd zijn. Verder moet uit de afspraken blijken hoe lang de werkgever baat denkt te hebben bij de opleiding. Ten slotte moet de terugbetalingsverplichting tijdens de vastgestelde periode evenredig afnemen, de zogenaamde "glijdende schaal".

Ruim twintig jaar na formulering van deze voorwaarden heeft het Hof Den Haag nu geoordeeld dat de werknemer verplicht was tot terugbetaling van studiekosten, terwijl er geen sprake was van een glijdende schaal. De feiten waren als volgt.

Partijen waren een studiekostenbeding overeengekomen. Hierin was bepaald dat bij beëindiging van het dienstverband de werknemer de door de werkgever vergoede studiekosten zou moeten terugbetalen. Afhankelijk van de vraag of de werknemer een diploma zou hebben behaald, zou hij de in de drie danwel vier voorafgaande jaren ontvangen vergoedingen moeten terugbetalen.

Na twee jaar heeft de werknemer zijn dienstverband beëindigd. De werkgever heeft ten behoeve van de werknemer circa 6300 euro aan studiekosten gemaakt. Van dit bedrag heeft de werkgever bij het einde van het dienstverband ruim 5000 euro bij de werknemer in rekening gebracht. De werknemer vordert terugbetaling van dit bedrag. Volgens hem vertoont de studiekostenregeling geen glijdende schaal en mag daarom niet worden toegepast. Nadat de kantonrechter de vordering van de werknemer heeft afgewezen, gaat de werknemer in hoger beroep bij het Hof.

Het Hof geeft de werknemer (gedeeltelijk) gelijk. Het Hof oordeelt namelijk dat er door toepassing van de "alles-of-niets-termijn" van drie of vier jaar geen sprake is van een glijdende schaal voor de terugbetaling. Strikt genomen is er dus geen sprake van een geldig studiekostenbeding. Dit mag de werknemer echter niet baten. Geheel tegen de verwachtingen in oordeelt het Hof namelijk dat het terugvorderen van de studiekosten door de werkgever niet in strijd is met goed werkgeverschap en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is.

Het Hof achtte onder meer van belang dat de werkgever een gedeelte van de schuld had kwijtgescholden. Daarnaast had de werkgever nog geen profijt gehad van de opleiding omdat een aantal cursusperioden nog (ruimschoots) niet verstreken was. Ten slotte was er sprake van een relatief korte periode tussen de declaraties en het einde van het dienstverband.

Genoemde uitspraak van het Hof is opvallend omdat er niet aan de door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden van een rechtsgeldig studiekostenbeding was voldaan. Ook indien een glijdende schaal ontbreekt in het studiekostenbeding, is het voor een werkgever onder omstandigheden mogelijk om studiekosten terug te vorderen. Wel betreft het hier slechts een uitspraak waarbij de specifieke feiten en omstandigheden een grote rol hebben gespeeld. Het is dus nog steeds voor de werkgever aan te bevelen om (zekerheidshalve) een glijdende schaal in het studiekostenbeding op te nemen.

Bovengenoemd artikel is op 21 december 2006 gepubliceerd in het Financieel Dagblad.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Verplichting tot handenschudden: ongerechtvaardigd onderscheid


Op 7 november 2006 heeft de Commissie Gelijke Behandeling wederom een spraakmakende uitspraak gedaan over de vraag of een werknemer zich uit geloofsovertuiging op een bepaalde wijze mag gedragen op de werkvloer.

Openbare scholen mogen van hun docenten niet eisen dat zij personen van het andere geslacht de hand schudden, als zij daar vanwege hun geloofsovertuiging moeite mee hebben. Dit levert een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van godsdienst op. Docenten mogen daarbij echter geen onderscheid maken tussen het begroeten van mannen en vrouwen.

Het bovenstaande volgt uit een recent oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in een zaak tussen het Utrechtse Vader Rijn College en één van haar docentes economie. De docente in kwestie had tijdens haar zomervakantie besloten dat zij mannen voortaan geen hand meer wenste te geven, nu de koran dit volgens haar verbiedt. Nadat zij de schoolleiding over haar besluit had geïnformeerd, werd de docente geschorst. Daarop stapten beide partijen naar de CGB.

De CGB oordeelde dat de school in strijd met de Algemene Wet Gelijke Behandeling heeft gehandeld. Hierin is bepaald dat direct of indirect onderscheid op grond van godsdienst niet is toegestaan, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd kan worden. Er is sprake van een objectieve rechtvaardiging indien gebruik wordt gemaakt van een noodzakelijk middel om een legitiem doel te bereiken. In casu gaf de school aan dat een verplichting tot handenschudden een noodzakelijk middel is om het doel te bereiken dat haar leerlingen de noodzakelijke omgangsvormen bijgebracht krijgen. De CGB deelt deze visie niet, nu er volgens haar ook andere respectvolle vormen van begroeten denkbaar zijn, die geen indirect onderscheid op grond van godsdienst tot gevolg hebben. Het doel tot het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen is derhalve wel legitiem, echter het door de school gehanteerde middel is niet noodzakelijk.

De CGB is een onafhankelijk college dat advies en voorlichting geeft over de Nederlandse wetgeving met betrekking tot gelijke behandeling. Het oordeel van de CGB is niet juridisch bindend. Voor een juridisch bindende uitspraak dient een beroep op de rechter te worden gedaan. In de praktijk wordt echter veel waarde gehecht aan de oordelen van de CGB, hetgeen betekent dat ook het hiervoor beschreven oordeel naar verwachting door werkgevers zal worden opgevolgd. De CGB blijft met de hiervoor beschreven uitspraak, ondanks veel kritische geluiden, op dezelfde lijn zitten als in twee soortgelijke kwesties eerder dit jaar.

Terug naar inhoudsopgave..

............................................................................................................................................................................

Einde van de verkorte CWI-procedure


Met ingang van 1 januari 2007 is de zogenaamde "verkorte procedure" uit het Ontslagbesluit vervallen. Door de werknemer een verklaring van geen bezwaar te laten ondertekenen, kon tot voor kort bij een bedrijfseconomisch ontslag de gewoonlijk vier tot zes weken durende ontslagprocedure aanzienlijk worden verkort.

De reden van het afschaffen van de verkorte procedure houdt verband met de sinds 1 oktober 2006 gewijzigde Werkloosheidswet (WW). De in de WW opgenomen verwijtbaarheidstoets om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering is per genoemde datum versoepeld. Er is alleen nog sprake van verwijtbare werkloosheid als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer heeft plaatsgevonden of als er sprake is van een dringende reden waarvan de werknemer een verwijt kan worden gemaakt. Een en ander heeft tot gevolg dat een regulier bedrijfseconomisch ontslag niet leidt tot verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De noodzaak voor de werkgever en de werknemer om een verkorte procedure bij het Centrum voor Werk en Inkomen te voeren, teneinde de WW-rechten van de werknemer te waarborgen, is hierdoor komen te vervallen. De werkgever en de werknemer kunnen nu volstaan met het sluiten van een beëindigingsovereenkomst, zonder dat de WW-uitkering van de werknemer in gevaar komt.

Terug naar inhoudsopgave.