Arbeidsrecht - augustus 2006

De digitale nieuwsbrief van de vakgroep Arbeidsrecht van AKD verschijnt eens in de twee maanden en biedt u een overzicht van recente en belangrijke ontwikkelingen in de praktijk.

In deze nieuwsbrief:

  • Wijzigingen in de WW
    In 2006 wijzigt de Werkloosheidswet ("WW") op een aantal belangrijke punten. Naast de al aangescherpte wekeneis uit de WW wordt de verwijtbaarheidstoets voor werkloosheid per 1 oktober a.s. versoepeld. Bovendien wordt de maximale duur van de WW-uitkering verkort. De verwachting is dat deze wijziging(en), maar ook andere aankomende veranderingen in de WW, grote gevolgen hebben voor de ontslagpraktijk. Lees verder >>

  • Regeling Vervroegd Uittreden: nieuwe ontwikkelingen
    Met ingang van 1 januari jl. kan een werkgever met een extra belastingheffing worden geconfronteerd indien sprake is van een beëindiging van het dienstverband met een oudere werknemer, wanneer de Inspecteur van de Belastingdienst van mening is dat de beëindiging in feite een verkapte VUT-regeling is. Dit wordt een Regeling Vervroegd Uittreden genoemd (RVU). Lees verder >>

  • Afkoop vakantiedagen
    Op 6 april 2006 heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat wettelijk verplichte vakantiedagen die aan het einde van het jaar overblijven, niet door de werkgever mogen worden afgekocht. Lees verder >>

  • Wijziging concurrentiebeding van de baan
    De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel tot herziening van het concurrentiebeding op 13 juni jl. verworpen. Lees verder >>

  • Korting op salaris wegens ziekte door eigen schuld
    Het Hof te Arnhem heeft op 27 juni jl. geoordeeld dat, indien een werknemer door eigen schuld of toedoen arbeidsongeschikt raakt, de werkgever onder omstandigheden op het salaris mag korten. Lees verder >>

  • Schorsing / non-actiefstelling
    Indien een werkgever besluit een werknemer te schorsen of op non-actief te stellen, dient er direct een uitgebreid feitenonderzoek plaats te vinden, alvorens de werkgever besluit tot het treffen van verdere maatregelen. Lees verder >>

  • Verborgen cameratoezicht op de werkplek
    Iedere werkgever heeft het recht om toezicht op haar werknemers uit te oefenen. De werkgever zou daarvoor een (verborgen) camera kunnen ophangen. Het is echter de vraag of dat zomaar is toegestaan. Lees verder >>

  • Objectieve grond vereist bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
    Het Hof van Justitie van de EG heeft een noemenswaardige uitspraak gedaan in een Griekse zaak waarbij het veelvuldige gebruik van (opeenvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op grond van een nationaal voorschrift ter discussie is gesteld. Lees verder >>

............................................................................................................................................................................

Wijzigingen in de WW

Waar de werkloze voorheen nog recht had op een WW-uitkering indien hij 26 van de 39 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid had gewerkt, geldt sinds 1 april 2006 dat 26 van de 36 weken moet zijn gewerkt. De belangrijkste wijzigingen gelden echter per 1 oktober a.s. Werklozen behouden dan minder lang recht op een loongerelateerde WW-uitkering. De maximale duur van de uitkering wordt verkort van 5 jaar naar 3 jaar en 2 maanden. De wijze van berekening van de duur wordt gewijzigd. Zo heeft bijvoorbeeld een werknemer van 18 jaar onder de nieuwe WW gedurende 18 maanden recht op een uitkering. U kunt zelf de duur van de WW-uitkering onder de nieuwe WW uitrekenen met de op onze website.

Tegenover de verkorting van de maximale duur van de WW-uitkering staat dat werklozen met ingang van 1 oktober a.s. de eerste 2 maanden van werkloosheid een iets hogere loongerelateerde uitkering ontvangen. De uitkering bedraagt dan niet langer ten hoogste 70%, maar 75% van het maximum dagloon (per 1 juli jl. € 170,33 bruto per dag).

De kortdurende WW-uitkering zoals deze nu geldt voor de (maximale) duur van 6 maanden en die is gebaseerd op 70% van het minimumloon, wordt omgezet in een inkomensafhankelijke uitkering van (maximaal) 3 maanden, waarbij de werkloze gedurende de eerste 2 maanden van werkloosheid recht heeft op ten hoogste 75% van het maximum dagloon en gedurende de derde maand op ten hoogste 70% van het maximum dagloon.

Voor werkgevers is het verder van belang te weten dat de ontslagpraktijk versoepelt. Nu is het zo dat een werknemer die instemt met zijn ontslag, zonder dat hiervoor enige reden is, in beginsel geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat hij verwijtbaar werkloos wordt geacht. Een werknemer zal na 1 oktober a.s. alleen nog maar verwijtbaar werkloos zijn, indien hij op staande voet is ontslagen en hem hiervoor een verwijt kan worden gemaakt of in het geval dat het dienstverband door of op verzoek van de werknemer wordt beëindigd, terwijl er geen beletsel is de arbeidsrelatie te laten voortduren. Het doel van deze wijziging is om werkgevers, werknemers en de rechtelijke macht te ontlasten. De versoepeling van de ontslagpraktijk zal vermoedelijk gevolgen hebben voor de pro forma ontbindingspraktijk, die er (veelal) toe strekt om de WW-rechten van een werknemer zoveel als mogelijk te waarborgen. Immers, per
1 oktober a.s. zouden partijen de arbeidsovereenkomst strikt genomen met wederzijds goedvinden kunnen beëindigen, zonder dat daardoor de WW-rechten van de werknemer in het gedrang komen.
Wel bestaat in dat geval het risico dat een werknemer na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst hierop terug komt, stellende dat hij de gevolgen daarvan niet goed heeft kunnen overzien. Of het UWV in dat geval daadwerkelijk niet meer toetst wat de werkelijke reden voor de beëindiging van de arbeidsverhouding is om te bepalen of een werknemer verwijtbaar werkloos is, is nog maar zeer de vraag en zal de toekomst moeten uitwijzen. De zekerheid van een pro forma ontbindingsprocedure blijft tegen de achtergrond van deze risico's altijd aantrekkelijk. Een bijkomend voordeel van een pro forma ontbindingsprocedure is dat, in tegenstelling tot een beëindiging met wederzijds goedvinden, de fictieve opzegtermijn (wachtperiode voor de WW) kan worden verkort met 1 maand.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Regeling Vervroegd Uittreden: nieuwe ontwikkelingen

Wanneer is sprake van een RVU? Om deze vraag te beantwoorden zijn zowel kwalitatieve als kwantitatieve handvatten gegeven. De kwalitatieve regels zien op de reden die wordt gegeven voor de beëindiging van het dienstverband. Als het ontslag het gevolg is van een reorganisatie of indien het een individueel ontslag betreft wegens disfunctioneren of verschil van inzicht, dan zal de vergoeding doorgaans niet worden aangemerkt als een RVU. Daarentegen vormt de bekende ouderenregeling, die oudere werknemers in staat stelt eerder uit dienst te treden en die vaak in een sociaal plan wordt opgenomen, onder omstandigheden een risico. Valt men op basis van de kwalitatieve toets onder de RVU dan komt men toe aan de kwantitatieve toets. Indien ook aan de hand van de kwantitatieve toets sprake is van een RVU (bijvoorbeeld wanneer de periodieke uitkeringen vanaf datum ontslag tot 55-jarige leeftijd meer dan 100% van het laatstgenoten jaarloon bedragen) dan wordt de werkgever geconfronteerd met een extra heffing van 26% over de ontslagvergoeding (oplopend tot 52% in 2011). Dit betreft een eindheffing, die de werkgever niet kan verhalen op de werknemer. Uiteraard is het wel mogelijk om hierover met de werknemer andersluidende afspraken te maken, bijvoorbeeld dat ieder de helft betaalt of dat het bedrag toch voor rekening van de werknemer komt.

Het is niet altijd duidelijk of een bepaalde ontslagvergoeding door de Belastingdienst wordt aangemerkt als een RVU of niet. Teneinde een lange periode van onzekerheid te voorkomen, is het mogelijk de Belastingdienst de vraag voor te leggen of er wel of geen sprake is van een RVU. De praktijk heeft inmiddels geleerd dat de Belastingdienst een dergelijke vraag binnen enkele weken beantwoordt.

Mocht de Belastingdienst daadwerkelijk van mening zijn dat er sprake is van een RVU, dan is ook het volgende nog van belang. Ingeval de ontslagvergoeding wordt aangewend voor een stamrechtpolis dan kan in tweede instantie ook de verzekeraar met de strafheffing van 26% worden geconfronteerd.

De verzekeraar is eindheffing verschuldigd over het rendement dat wordt gemaakt in de stamrechtpolis, oftewel zodra het bedrag van de door de verzekeraar gedane uitkeringen hoger is dan het bedrag van de ontvangen premie (lees: ontslagvergoeding). Uiteindelijk komt dit bedrag - indirect - voor rekening van de verzekerde doordat verzekeraars in hun voorwaarden opnemen dat zij een eventueel voor hen komende extra eindheffing zullen verrekenen met de uitkeringen aan de verzekerde.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Afkoop vakantiedagen

In artikel 7:634 BW is opgenomen dat een werknemer met een fulltime dienstverband jaarlijks recht heeft op minimaal 20 vakantiedagen. Op 6 april jl. heeft het Europese Hof van Justitie beslist dat, indien de werknemer aan het einde van het vakantiejaar nog dagen over heeft, deze dagen niet meer door de werkgever mogen worden afgekocht. Dit om de werknemer in de gelegenheid te stellen deze dagen alsnog op te nemen. Deze uitspraak ziet alleen op het aantal wettelijke vakantiedagen. Ten aanzien van extra (de zogenaamde bovenwettelijke) vakantiedagen kunnen wel afwijkende afspraken worden gemaakt.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Wijziging concurrentiebeding van de baan

De plannen tot wijziging van de regelgeving omtrent het concurrentiebeding liggen al geruime tijd op de plank. Na een eerder unaniem negatief advies van de SER, heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel uiteindelijk na jaren verworpen. Dit ondanks een dringend verzoek van Minister van Justitie Donner het wetsvoorstel aan te nemen.

Een concurrentiebeding is een beding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn vrijheid om na het einde van het dienstverband op een bepaalde wijze werkzaam te zijn. De kern van het wetsvoorstel was dat de werkgever verplicht wordt aan de werknemer een vergoeding te betalen voor de duur van het beding en dat het beding niet langer dan 1 jaar zou mogen duren. De Eerste Kamer is het met de SER eens dat het wetsvoorstel op een aantal essentiële onderdelen in juridische zin onvoldoende duidelijkheid biedt, waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt. Gezien het standpunt van de Eerste Kamer blijft de huidige regeling met betrekking tot het concurrentiebeding vooralsnog onverkort van kracht. Klik hier voor een praktische flowchart over het concurrentiebeding.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Korting op salaris wegens ziekte door eigen schuld

De zaak had betrekking op een werknemer die in zijn vrije tijd aan (zaal)voetbal deed. Als gevolg van het (zaal)voetballen is hij meerdere keren arbeidsongeschikt geraakt, onder andere vanwege een blessure aan zijn knie.

Zoals in vele CAO's, is in de toepasselijke CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen bepaald dat de werkgever het salaris tijdens ziekte dient aan te vullen tot 100% van het laatstverdiende salaris. In de CAO is tevens bepaald dat de werkgever van het voorgaande mag afwijken indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door schuld of toedoen van de werknemer. Naar het oordeel van het Hof is vereist dat de werknemer "een (rechtens) relevant verwijt van het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid kan worden gemaakt". Gezien de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat:

a) de werkgever de werknemer meerdere keren heeft verzocht te kiezen voor een minder blessuregevoelige sport, wat de werknemer weigerde;
b) de werkgever de werknemer heeft gewezen op de nadelige financiële consequenties indien hij weer als gevolg van het (zaal)voetbal arbeidsongeschikt zou raken;
c) de werknemer al meerdere keren langdurige arbeidsongeschikt is geraakt als gevolg van het (zaal)voetbal,
heeft het Hof in dit geval geoordeeld dat de werkgever niet verplicht is het salaris aan te vullen tot 100% zoals de CAO voorschrijft.

Aan het wettelijke vereiste van 'opzet' wordt echter niet voldaan, aldus het Hof. Daarom behoudt de werknemer (zijn) (minimale) recht op 70% van zijn laatstverdiende salaris. Het Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van 'opzet' indien een werknemer willens en wetens de ziekte heeft veroorzaakt. In dit geval nam de werknemer alleen het risico om een blessure op te lopen en dat is onvoldoende om 'opzet' te kunnen aannemen.

Deze uitspraak doet terecht veel stof opwaaien nu bij werkgevers, na de privatisering van de loondoorbetaling bij ziekte, al langere tijd onvrede bestaat over het feit dat zij ook verplicht zijn het salaris door te betalen indien de werknemer door een cosmetische ingreep of een medisch niet-noodzakelijke operatie arbeidsongeschikt is geraakt. De vraag is of de uitspraak van het Hof ook voor dit soort gevallen de deur op een kier zet. Gezien de specifieke omstandigheden van dit geval, zoals de tekst van de toepasselijke CAO, is dat niet aannemelijk.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Schorsing / non-actiefstelling

Schorsing en non-actiefstelling worden vaak door elkaar gebruikt. Een schorsing wordt meestal opgelegd als disciplinaire maatregel voor ontoelaatbaar gedrag van de werknemer. Een non-actiefstelling wordt eerder gebruikt als ordemaatregel. De vereisten voor een geldige schorsing of non-actiefstelling zijn echter gelijk.

Een schorsing of een non-actiefstelling ligt - aldus de rechtspraak van de Hoge Raad - in de risicosfeer van de werkgever en komt in redelijkheid voor rekening van de werkgever, ongeacht of de maatregel aan de werkgever of de werknemer valt te verwijten. Een werkgever is om die reden ook tijdens een schorsing of non-actiefstelling verplicht tot doorbetaling van het loon aan de werknemer. Slechts indien bij schriftelijke overeenkomst of CAO van deze hoofdregel is afgeweken, is inhouding van loon mogelijk.

Een werkgever mag niet zomaar overgaan tot het schorsen of op non-actief stellen van een werknemer. Deze verstrekkende maatregelen zijn alleen geoorloofd indien de ernst van de situatie dit rechtvaardigt en worden door de rechter beoordeeld binnen het kader van het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW). Onlangs heeft de Kantonrechter te Dordrecht benadrukt dat van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij een non-actiefstelling benut om datgene te doen wat onder die omstandigheden gepast en geboden is, namelijk het instellen van een onderzoek om vervolgens het resultaat hiervan als leidraad voor eventuele verdere maatregelen te hanteren.

Eerder werden in de rechtspraak al criteria geformuleerd waaraan een feitenonderzoek moet voldoen om een basis te vormen voor een disciplinaire maatregel. Zo moet de werknemer in kennis worden gesteld van de door anderen gemelde feiten en omstandigheden en moet hij de gelegenheid krijgen hierop zijn reactie te geven. Daarnaast mag de werknemer aangeven wie hij van zijn kant nog wil laten horen. De interviews moeten op schrift worden gesteld en ondertekend worden en zo mogelijk getoetst worden op het waarheidsgehalte. Ook moet de werknemer van tevoren worden geïnformeerd over de aard van het gesprek zodat hij zich kan voorbereiden en zich desgewenst van (rechts)bijstand kan laten voorzien.

Kortom, indien een werkgever tot schorsing of tot een non-actiefstelling van een werknemer besluit, dient hij zeer zorgvuldig te werk te gaan. Indien een werkgever geen onderzoek laat plaatsvinden naar de gedragingen van de werknemer die aanleiding vormden voor de maatregel, dan loopt hij immers het risico dat de rechter een later ontbindingsverzoek van de werkgever niet zal inwilligen of de werknemer bij de ontbinding een hogere ontbindingsvergoeding zal toekennen.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Verborgen cameratoezicht op de werkplek

Sinds de invoering van de Wet uitbreiding strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht op 1 januari 2004 is het verborgen cameratoezicht op de werkvloer onder bepaalde omstandigheden strafbaar gesteld. Ook is in dit kader de Wet bescherming persoonsgegevens van belang.

De wet is ontstaan met in het achterhoofd het grondrecht van de werknemer op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De werkgever dient dit recht op privacy ook op de werkvloer te respecteren.

Wel kan de werkgever in bepaalde situaties een inbreuk maken op de grondrechten van de werknemer. Er moet dan aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo dient de werkgever een gerechtvaardigd belang te hebben, zoals een concreet vermoeden van strafbare feiten. Dit belang moet worden afgewogen tegen de belangen en de rechten van de werknemers.

Het instellen van cameratoezicht moet daarnaast de toets van proportionaliteit én subsidiariteit kunnen doorstaan. Dat wil zeggen dat de inbreuk in verhouding dient te staan tot het doel van het cameratoezicht. Ook moet de werkgever nagaan of er geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn.

Een laatste - zeer belangrijke - voorwaarde is het zogenaamde kenbaarheidsvereiste. Hiermee wordt bedoeld dat de werknemers vooraf duidelijk geïnformeerd dienen te worden over de mogelijkheid dat de werkgever (onder bijzondere omstandigheden) gebruik kan maken van verborgen camera's. Deze informatieplicht is vrij eenvoudig maar wordt in de praktijk vaak (ten onrechte) achterwege gelaten. Met een opmerking in de arbeidsovereenkomst of een personeelscirculaire zouden de werknemers al geïnformeerd kunnen worden. Ook is het mogelijk dit vooraf mee te delen aan de Ondernemingsraad. Er is overigens geen instemming vereist van de Ondernemingsraad. Slechts het informeren van de Ondernemingsraad is voldoende. Het is daarbij niet noodzakelijk om de Ondernemingsraad en/of de werknemers te informeren over de exacte plaats van de camera's.

Indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is het toelaatbaar verborgen camera's te plaatsen op de werkvloer.

Terug naar inhoudsopgave.

............................................................................................................................................................................

Objectieve grond vereist bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Op 4 juli 2006 heeft het Hof van Justitie van de EG een uitspraak gedaan, die tevens relevant kan zijn voor de Nederlandse arbeidsrechtpraktijk. Bovengenoemde zaak had betrekking op een groep Griekse werknemers die in dienst waren geweest van een Griekse werkgever op grond van een aantal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de periode tussen mei 2001 en juni/september 2003.

De betreffende werknemers waren van mening dat de reeks van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aangemerkt diende te worden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever stelde dat zij gerechtigd was tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
 
Op grond van de Europese Richtlijn 1999/70/EG en de Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarop de Richtlijn1999/70/EG berust, mag een werkgever een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vernieuwen voor wederom een bepaalde tijd indien daartoe 'objectieve redenen' bestaan. Deze bepaling is in de Richtlijn 1999/70/EG opgenomen om misbruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen. In bovengenoemde uitspraak licht het Hof het begrip 'objectieve redenen' toe:
"Het begrip 'objectieve redenen' vereist dat het gebruik van tijdelijke contracten wordt gerechtvaardigd door concrete elementen die met name verband houden met de betrokken activiteit en de uitoefeningsvoorwaarden ervan (…) Die omstandigheden kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor dergelijke overeenkomsten zijn gesloten en uit de inherente kenmerken ervan, of eventueel, uit het nastreven van een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat."

Het enkele feit dat een nationaal of ander formeel voorschrift bepaalt dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ongelimiteerd kunnen worden aangegaan, brengt niet met zich mee dat er sprake is van een 'objectieve grond'. Een dergelijke regeling zou het namelijk mogelijk maken om werknemers jarenlang in onzekerheid over hun arbeidssituatie te laten werken. De gang van zaken bij het Griekse bedrijf werd om die reden als strijdig met de Europese Richtlijn geacht door het Hof van Justitie. Zowel de Europese Richtlijn, als de Raamovereenkomst, is ook van toepassing op Nederlandse arbeidsovereenkomsten. Verder kan een en ander ook gevolgen hebben voor CAO-bepalingen waarin de mogelijkheid van het aangaan van bepaalde tijd contracten wordt verruimd.

Het is echter maar de vraag of werknemers in Nederland aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na een reeks van bepaalde tijd contracten, stellende dat er geen sprake zou zijn van een objectieve grond. Het is namelijk in Nederland zo dat het aantal contracten voor bepaalde tijd bij wet of CAO is gelimiteerd zodat in geen geval sprake zal zijn van een ongelimiteerd gebruik.

Terug naar inhoudsopgave.