- Home
- Diensten
- Expertisegebieden:
- Arbeidsrecht
- Nieuwsbrief Medezeggenschap
Nieuwsbrief Medezeggenschap
In tijden van onzekerheid, bezuinigingen en reorganisaties hechten werknemers steeds sterker aan hun medezeggenschapsrechten.
In tijden van onzekerheid, bezuinigingen en reorganisaties hechten werknemers steeds sterker aan hun medezeggenschapsrechten.
Om ervoor te zorgen dat impopulaire maar noodzakelijke besluiten
over voldoende draagvlak beschikken en om vertraging in de
besluitvorming en juridische procedures te voorkomen, is het van
belang goed van deze medezeggenschapsrechten op de hoogte te
zijn.
Graag houden wij u voortaan, in eerste instantie als vast onderdeel
van de Nieuwsbrief Arbeidsrecht, op de hoogte van de laatste
ontwikkelingen en van relevante uitspraken op het gebied van
medezeggenschap. Voor meer informatie kunt u contact opnemen
met de redactie. Zij kunnen u zowel in de adviserende sfeer als in
die van het voeren van procedures van dienst zijn.
Artikelen
over recente ontwikkelingen en uitspraken
............................................................................................................................................................................
Vergoeding van de kosten van deskundige ondersteuning van de ondernemingsraad
Van de zaken over medezeggenschap die in de afgelopen jaren voor de rechter kwamen had een relatief niet onbelangrijk aantal betrekking op de vergoeding van de kosten van de rechtsbijstandverlener voor het adviseren van de OR. In de praktijk gaat op dit punt dus nog wel eens iets mis. Reden om in deze bijdrage aandacht te besteden aan de vergoeding van de kosten van de door de OR ingeschakelde deskundige en vooral in te gaan op een aantal praktische tips.
Juridisch kader
De Wet op de ondernemingsraden (WOR) bepaalt dat alle kosten die de OR en zijn commissies redelijkerwijze noodzakelijk moeten maken om de taak van de OR(-commissie) te kunnen vervullen, voor rekening van de ondernemer komen. Het betreft niet alleen de kosten van vakliteratuur en de doorgaans geringe vergaderkosten, maar ook de wat omvangrijkere kosten van secretariële ondersteuning.
Ten aanzien van de kosten van het raadplegen van deskundigen en de kosten verbonden aan het voeren van rechtsgedingen stelt de WOR een extra voorwaarde: deze komen alleen voor rekening van de ondernemer indien deze kosten vooraf aan hem zijn meegedeeld. De kosten verbonden aan het voeren van rechtsgedingen vallen in drie soorten uiteen: (1) de kosten van rechtsbijstand, (2) zuivere proceskosten als griffierechten en de kosten van het horen van getuigen en deskundigen en (3) de proceskosten van de wederpartij. De WOR ziet uitsluitend op de eerste twee categorieën. Indien van de kosten van een door de OR(-commissie) in te schakelen deskundige van tevoren geen nauwkeurige opgave kan worden verkregen, zal (de deskundige van) de OR(-commissie) een voorlopige schatting van de kosten aan de ondernemer moeten geven. De bedoeling van de voorafgaande mededeling is dat de ondernemer - vanwege de hoogte van de kosten die daaraan doorgaans verbonden zijn - vooraf zowel bezwaar kan maken tegen de noodzaak van het inschakelen van een deskundige en/of het voeren van een rechtsgeding, als tegen de omvang van de daaraan verbonden (geschatte) kosten. De WOR stelt geen vormvereisten aan deze mededeling. Vanuit bewijsoogpunt is het verstandig dit schriftelijk te doen.
Indien de ondernemer bezwaar heeft tegen de inschakeling van de deskundige of het voeren van een rechtsgeding, dient hij dit tijdig aan de OR kenbaar te maken. In een poging de OR(-commissie) over te halen af te zien van het maken van de kosten, verdient het aanbeveling dat de ondernemer zijn bezwaar goed motiveert. Komen de ondernemer en de OR(-commissie) er desondanks niet uit, dan kan de OR het geschil, nadat bemiddeling door de bedrijfscommissie heeft plaatsgevonden, voorleggen aan de kantonrechter. De kosten van die procedure komen altijd voor rekening van de ondernemer. De kantonrechter zal dit geschil vervolgens beslechten aan de hand van de vraag of de inschakeling van de deskundige redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de OR(-commissie). Daarbij zullen onder meer in aanmerking moeten worden genomen: (1) de aard en het belang van het onderwerp waarvoor de deskundige dient te worden ingeschakeld, (2) de hoogte van de daaraan verbonden kosten en (3) de financiële draagkracht van de ondernemer.
De gang naar de kantonrechter - en de daaraan voorafgaande bemiddeling door de bedrijfscommissie - kost tijd. De verleiding bestaat dan om de deskundige toch maar alvast met zijn of haar werkzaamheden te laten beginnen, maar dat is niet zonder risico's. Acht de kantonrechter het bezwaar van de ondernemer gegrond, dan hoeft deze de kosten van de deskundige namelijk niet te betalen. De deskundige kan de leden van de OR(-commissie) in dat geval persoonlijk aansprakelijk stellen voor de betaling van zijn factuur (tenzij de OR vooraf met de deskundige heeft afgesproken dat de deskundige dit risico zelf zal dragen). Hetzelfde geldt in de situatie waarin de (deskundige van de) OR(-commissie) in het geheel geen kostenopgave op voorhand heeft gedaan. De ondernemer hoeft deze kosten dan in beginsel - ongeacht of zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn gemaakt - niet te betalen. Ook in dat geval kunnen de OR-leden door de deskundige in privé worden aangesproken om tot betaling van de factuur over te gaan. Heeft de ondernemer naar aanleiding van de mededeling van de OR(-commissie) geen (tijdig) bezwaar gemaakt, dan kan de OR hem in beginsel tot betaling van de kosten aanspreken. Als belanghebbende kan de deskundige ook zelf rechtstreeks betaling trachten af te dwingen.
De kosten verbonden aan het raadplegen van een deskundige door de OR, om te adviseren naar aanleiding van de vraag of een bepaalde adviesbevoegdheid toekomt aan de Centrale Ondernemingsraad ('COR') of de OR, worden in de jurisprudentie tot slot aangemerkt als voor de uitoefening van de taak van de OR redelijkerwijze noodzakelijk gemaakte kosten en dienen daarom door de ondernemer in beginsel te worden vergoed, ook indien de ondernemer daartegen tijdig bezwaar heeft gemaakt.
In sommige gevallen kent de ondernemer zijn OR jaarlijks een vast budget toe op basis waarvan de OR naar eigen inzicht zijn uitgavenpatroon kan bepalen. De WOR biedt de ondernemer en de OR de mogelijkheid om zo'n eigen budget samen af te spreken. Het voordeel daarvan is dat het de OR in financieel opzicht een meer onafhankelijke positie ten opzichte van de ondernemer geeft. Zo hoeft de OR geen voorafgaande mededeling meer te doen van de kosten verbonden aan het inschakelen van een deskundige en/of het voeren van een rechtsgeding. Toch kan men zich afvragen of de OR er verstandig aan doet om ten aanzien van deze kosten een vast budget met de ondernemer af te spreken. Het risico dat de redelijkerwijs te maken kosten het budget overschrijden, rust dan namelijk op de OR. Indien de OR kosten moet maken waardoor het jaarlijkse budget wordt overschreden, dan kan de OR aan de ondernemer weliswaar een aanvullend budget vragen (of de ondernemer vragen om deze specifieke extra kosten voor zijn rekening te nemen), maar de ondernemer is niet verplicht om positief op dat verzoek te reageren. Naarmate er meer onzekerheid bestaat over het aantal en de aard van de adviesaanvragen en/of instemmingsverzoeken die de OR in een bepaald jaar van de ondernemer kan verwachten, is het risico verbonden aan het afspreken van een vast budget voor de OR logischerwijs navenant groter.
Praktische tips
Wij sluiten af met een aantal praktische tips voor de OR, de door de OR ingeschakelde deskundige en de ondernemer, gebaseerd op de uitspraken van rechters in de afgelopen jaren.
Tips voor de OR
Tips voor de ingeschakelde deskundige
Tips voor de ondernemer
............................................................................................................................................................................
De Centrale Cliëntenraad (CCR) van de Stichting Zorgcentra De
Betuwe (ZDB) is met de Raad van Bestuur (RvB) van deze stichting in
conflict geraakt over de vaststelling van de cliëntgebonden
tarieven. De RvB schakelde daarop een mediator in en schortte het
recht op overleg en informatie, als ook de adviesrechten van de
CCR, voor onbepaalde tijd op. De CCR beklaagde zich hierover bij de
Raad van Toezicht (RvT). Toen bleek dat dit geen effect had, diende
de CCR een verzoek in bij de Ondernemingskamer (OK) van het Hof
Amsterdam, tot het houden van een enquêteonderzoek naar het
(wan)beleid van deze zorgaanbieder.
Het enquêterecht kwam de CCR toe op grond van artikel 18 van de
statuten van ZDB. Zorgaanbieders zijn op grond van artikel 6 lid 2
van het Uitvoeringsbesluit WTZi namelijk verplicht om hun
cliëntenraad - dan wel een ander orgaan dat de cliënten van de
instelling vertegenwoordigt - dit recht in hun statuten toe te
kennen. Een verplichting waaraan de meeste van hen - waaronder ZDB
- hebben voldaan. Anders dan (verreweg de meeste)
ondernemingsraden, kunnen (de meeste) cliëntenraden bij
zorginstellingen daardoor beschikken over dit bijzonder sterke
medezeggenschapsrecht.
Indien de OK het verzoek om een enquêteonderzoek naar mogelijk
wanbeleid binnen onderneming of, in dit geval, een zorginstelling,
toewijst, dan kunnen vergaande tijdelijke voorzieningen worden
getroffen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
tijdelijke schorsing van een besluit, maar ook aan de schorsing van
een of meer leden van de raad van bestuur en/of van het
toezichthoudende orgaan. Blijkt uit het enquêteonderzoek dat
daadwerkelijk sprake was van een onjuist beleid, dan kunnen nog
verdergaande maatregelen worden genomen, waaronder het ontslag van
leden van de raad van bestuur en/of van het toezichthoudende
orgaan.
In het onderhavige geval kwam de OK tot het oordeel dat de
handelwijze van de RvB - die de medezeggenschapsrechten van de CCR
stelselmatig frustreerde - klemmende vragen opriep. De daardoor
ontstane patstelling tussen de RvB en de CCR, in combinatie met de
ogenschijnlijke inactiviteit van de RvT, leverde naar het oordeel
van de OK gegronde reden op om te twijfelen aan een juist beleid.
Het verzoek van de CCR werd daarom toegewezen. Tevens benoemde de
OK, bij wijze van onmiddellijke voorziening, tijdelijk, namelijk
voor de duur van het enquêteonderzoek, een nieuwe voorzitter voor
de RvT.
Kortom
Het is oppassen geblazen voor zorgaanbieders. Cliëntenraden aan wie op grond van de statuten een enquêterecht toekomt, hebben een geducht wapen in handen, waarmee zij krachtig kunnen optreden tegen een stelselmatige niet-naleving van de hen op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) toekomende medezeggenschapsbevoegdheden.
............................................................................................................................................................................
Grensoverschrijdende juridische fusies en de rol van
werknemers: een kennismaking
Juridische fusie
Bij een juridische fusie treedt de verkrijgende
vennootschap van rechtswege in de rechten en verplichtingen van de
overgenomen rechtspersoon en deze laatste houdt op te bestaan. Alle
rechten en verplichtingen van de verdwijnende vennootschap gaan
onder algemene titel over naar de verkrijgende vennootschap; er
zijn dus geen specifieke overdrachtsvereisten. Verder heeft een
juridische fusie tot gevolg dat de werknemers van de verdwijnende
vennootschap van rechtswege overgaan naar de verkrijgende
vennootschap. Vanaf 15 juli 2008 hebben deze voordelen niet alleen
te gelden bij juridische fusies op nationaal niveau, maar ook bij
de grensoverschrijdende equivalenten hiervan.
Medezeggenschap (in enge zin)
Alvorens een juridische fusie tot stand komt, dient aan
alle vormvoorschriften te zijn voldaan. Dat betekent dat ook aan
alle verplichtingen op het gebied van de medezeggenschap moet zijn
voldaan. Onder medezeggenschap wordt in dit verband verstaan het
recht van de werknemersvertegenwoordigers (OR) om (een aantal)
leden van het toezichthoudend orgaan of het bestuursorgaan van de
vennootschap te benoemen of hierop invloed uit te oefenen. (Het
uitoefenen van invloed op) de benoeming van de personen die de
hoogste zeggenschap uitoefenen bij de leiding van de arbeid valt
niet onder het bereik van het medezeggenschap als hiervoor bedoeld.
In Nederland komt deze vorm van medezeggenschap - die dus afwijkt
van de medezeggenschap krachtens de Wet op de ondernemingsraden -
neer op de (versterkte) aanbevelingsrechten die de OR - bij
toepassing van het structuurregime - ten aanzien van de benoeming
van de leden van de Raad van Commissarissen heeft (ook wel: 'de
structuurregeling').
Hoofdregel en uitzonderingen
De hoofdregel bij grensoverschrijdende fusies, daar waar
het de rol van de werknemers betreft, is dat de nationale regels
van medezeggenschap (in voormelde zin) van toepassing zijn op de
Nederlandse fusiepartner. Dit leidt alleen dan uitzondering:
Wirwar
Indien zich een van de hiervoor opgesomde twee
uitzonderingen voordoet, dient er een grensoverschrijdend systeem
van medezeggenschap te worden ingevoerd. De eerlijkheid gebiedt te
zeggen dat het bepaald geen sinecure is te achterhalen hoe hieraan
invulling moet worden gegeven, omdat de toepasselijke wet- en
regelgeving een groot aantal verwijzingen bevat en de gebruikte
terminologie bovendien niet altijd even consistent is. Uit de
wirwar van regels en bepalingen vallen desalniettemin de volgende
contouren te ontdekken.
Bijzondere Onderhandelingsgroep
Bij het invullen van een multinationaal
medezeggenschapsstelsel, zullen de fuserende vennootschappen om te
beginnen een Bijzondere Onderhandelingsgroep ('BOG') moeten
formeren. De BOG heeft de taak om met het management van de
fuserende vennootschappen te onderhandelen over een overeenkomst
betrekkelijk tot medezeggenschap in de verkrijgende vennootschap.
Deze onderhandelingen worden beheerst door het recht van de
lidstaat waar de verkrijgende vennootschap de statutaire zetel
heeft. Worden partijen eenstemmig over een grensoverschrijdend
medezeggenschapssysteem, dan dient dit in de statuten van de
verkrijgende vennootschap te worden opgenomen.
De BOG bestaat niet alleen uit werknemers van de fuserende
vennootschappen, maar ook uit die van de betrokken
dochterondernemingen respectievelijk vestigingen hiervan. De wet-
en regelgeving voorziet niet in verkiezings- en
benoemingsvoorschriften, anders dan dat hierin wordt bepaald wie
verantwoordelijk is voor de verkiezing en benoeming van de leden
van de BOG. In de literatuur wordt wel aangegeven dat het voor de
hand ligt dat de BOG-leden worden gekozen uit de lokale OR-leden,
gezien hun ervaringen op het gebied van de medezeggenschap (in
brede zin).
Voor de onderhandelingen tussen de BOG en het management van de
betrokken vennootschappen staat een termijn van zes maanden (met
een mogelijkheid tot verlenging van nog eens zes maanden).
Referentievoorschriften
Indien partijen er binnen deze termijn niet in slagen om
overeenstemming te bereiken over de medezeggenschap in de
verkrijgende vennootschap, dan worden de zogenoemde
'referentievoorschriften' van toepassing. De
referentievoorschriften behelzen minimumvoorschriften met
betrekking tot de wijze waarop de medezeggenschap binnen de
verkrijgende vennootschap moet worden vormgegeven. Vaak dienen deze
voorschriften als leidraad voor de onderhandelingen tussen de BOG
en de managementleden.
De toepasselijke wet- en regelgeving maakt het voor de betrokken
organen (voor Nederland is dat de algemene vergadering van
aandeelhouders) mogelijk om af te zien van de onderhandelingen met
de BOG en toepassing te geven aan de referentievoorschriften. Dat
de werknemers mogelijk andere wensen hebben doet aan deze
mogelijkheid niets af. Indien de BOG afziet van de
onderhandelingen, dan worden de medezeggenschapsregels van
toepassing zoals die hebben te gelden in de lidstaat waar de
verkrijgende vennootschap zijn zetel heeft.
Impressie
Met het vorenstaande is geen poging gedaan om u een
allesomvattend beeld te geven van de medezeggenschapsregels die van
toepassing zijn ingeval van een grensoverschrijdende juridische
fusie. Daarvoor is de materie te complex en de nieuwsbrief niet het
juiste platvorm. Wel is getracht om u een globale impressie te
geven van deze regels. Mocht u meer over deze materie willen weten,
neemt u dan gerust contact op met een van onze redactieleden.
............................................................................................................................................................................
Duidelijkheid voor alles!
De feiten en het geschil
De directie van het Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen ('CBR') vraagt de ondernemingsraad in
november 2008 om advies met betrekking tot het voornemen de
regionale indeling te wijzigen in een indeling per proces, waarbij
de verschillende processen voortaan landelijk aangestuurd gaan
worden. De reorganisatie zal gepaard gaan met een inkrimping van de
organisatie, onder meer omdat zogenaamde dubbelfuncties ten dele
komen te vervallen, zo staat te lezen in de adviesaanvrage. Na een
adviestraject dat maanden duurt, en waarin zelfs een aanvullende
adviesaanvrage bij de ondernemingsraad wordt ingediend, neemt de
directie op 18 juni 2009 een definitief besluit. De directie
besluit definitief te gaan reorganiseren op de eerder voorgenomen
wijze. De reorganisatie zal gepaard gaan met een inkrimping van de
organisatie van het CBR van 1.039 fte tot 1.003 fte, zo blijkt uit
een bijlage bij het definitieve besluit.
De kern van het geschil
Gedurende het hele adviestraject, en ook nadat het
definitieve besluit was genomen, bestond onduidelijkheid met
betrekking tot de vraag hoe groot de organisatie van het CBR nu
eigenlijk was: 1.045 fte, zoals stond in de adviesaanvrage, 1.059
zoals stond in de aanvullende adviesaanvrage, of 1.039 fte, zoals
de directie in zijn definitieve besluit aangaf? Of was, zo vreesde
de ondernemingsraad, de organisatie in de huidige vorm wellicht nog
enige tientallen fte's groter?
De onduidelijkheid hield onder meer verband met het grote aantal
uitzendkrachten dat binnen het CBR werkzaam was. Voor de
ondernemingsraad stond niet vast of deze uitzendkrachten functies
bekleedden die onderdeel uitmaakten van de 1.045/1.059/1.039 fte
waarvan de directie sprak, of dat die uitzendkrachten, of op zijn
minst een deel daarvan, daar nog bovenop kwam. Zou dit laatste het
geval zijn, zo was de gedachte bij de ondernemingsraad, dan zou een
inkrimping tot 1.003 fte een veel zwaardere wissel trekken op de
arbeidsorganisatie dan door de directie was voorgeschoteld.
De ondernemingsraad stelde de directie na afronding van het
adviestraject nogmaals de vraag duidelijkheid te verschaffen. Uit
de antwoorden die de directie gaf, trok de ondernemingsraad de
conclusie dat de organisatie van het CBR niet uit 1.039 fte, maar
uit maar liefst 1.089 fte bestond. Er zou dus geen sprake zijn van
een inkrimping met 36 fte, maar met 86 fte, hetgeen tot een grotere
verzwaring van werkdruk zou leiden dan de ondernemingsraad bij het
uitbrengen van zijn advies voorzag. De ondernemingsraad ging bij de
Ondernemingskamer (OK) in beroep tegen het besluit van 18
juni.
Oordeel OK en commentaar
In de kern genomen, zo stelde de OK vast, betrof
het geschil tussen het CBR en de ondernemingsraad de vraag of en in
hoeverre uitzendkrachten die binnen het CBR werkzaam waren
behoorden tot de vaste formatie of dat zij 'extra' functies
vervulden. De door de directie gepresenteerde cijfers gaven
onvoldoende inzicht in wat die uitzendkrachten nu precies deden,
vond ook de OK. Door die onduidelijkheid had de ondernemingsraad
niet de zeggenschap uit kunnen oefenen, die hij op grond van de WOR
had moeten kunnen uitoefenen. De OK verplichtte de directie
dan ook zijn besluit in te trekken.
De OK zal niet snel op de stoel van de ondernemer gaan zitten. In
juridische termen, de OK zal een besluit inhoudelijk
slechts marginaal (d.w.z. zeer terughoudend) toetsen. De
procedure die aan de totstandkoming van een besluit vooraf
gaat, wordt echter door de OK in volle omvang getoetst. De
ondernemer doet er dan ook verstandig aan geen 'formele fouten' te
maken, zo blijkt ook uit de onderhavige uitspraak van de OK. Een
voorbeeld van zo'n 'formele fout' is het laten bestaan van
onduidelijkheid. Onduidelijkheid die gedurende een adviestraject
ontstaat of blijft bestaan komt in het algemeen voor risico van de
ondernemer. De ondernemer is 'leading' en beschikt als geen ander
over mogelijkheden om onduidelijkheid te voorkomen, en in ieder
geval om daaraan aan eind te maken. De ondernemer doet er dan ook
verstandig aan de ondernemingsraad eenduidige, volledige en niet
voor meerdere uitleg vatbare informatie te verschaffen, dat
voorkomt in een later stadium vertraging, zo blijkt ook maar weer
uit de onderhavige OK-uitspraak.
........................................................................................................................................................................
Bevoegdheden
van de Ondernemingsraad: een overzicht
Procedures over
nakoming
Het komt niet zelden voor dat de OR en de ondernemer
afspraken met elkaar maken danwel dat de ondernemer aan de OR
toezeggingen doet. Wanneer dergelijke afspraken en/of toezeggingen
niet worden nagekomen kan de OR in een procedure nakoming vorderen.
Niet zelden zal er verschil van mening bestaan over de gemaakte
afspraken danwel de gedane toezegging. De OR kan hier tegen een
bewijsprobleem aanlopen. In dat geval heeft de OR de mogelijkheid
om door middel van een voorlopig getuigenverhoor te bewijzen dat de
ondernemer wel degelijk toezeggingen heeft gedaan. Hiermee heeft de
OR een middel in handen om bewijsmateriaal te vergaren voor een
eventuele procedure tot nakoming.
Naast het vorderen van nakoming van gemaakte afspraken met de
onderneming, kan de OR (na bemiddeling bij de Bedrijfscommissie)
bij de Kantonrechter nakoming vorderen van aan hem toegekende
rechten op grond van de WOR. Daarbij kan gedacht worden aan het
recht op informatie zoals verstrekking van de jaarrekening en het
recht om advies te geven over het voorgenomen ontslag van een
bestuurder.
Uitstel van de termijn
Wanneer de OR van mening is dat de door de ondernemer
gestelde deadline om advies te geven niet haalbaar is, heeft de OR
de mogelijkheid in kort geding uitstel te vorderen.
Het recht van enquête
Aan de OR kan het recht van enquête toekomen als dat volgt
uit de statuten of uit een tussen de OR en een bestuurder gesloten
overeenkomst.
Benoeming van RvC
De OR is betrokken bij de benoeming van de Raad van
Commissarissen (RvC) bij een structuurvennootschap. De OR heeft een
niet-bindend aanbevelingsrecht ten aanzien van alle voordrachten
voor de RvC. Voorts heeft de OR een versterkt aanbevelingsrecht
voor een derde deel van de RvC.
Procedure over het bestaan van de OR
Zoals wij in eerdere nieuwsbrieven reeds hebben
geschreven, speelt bij overgang van onderneming de vraag of een OR
mee overgaat. Het uitgangspunt van de WOR is dat de onderneming en
de OR een ongedeelde eenheid vormen. Wanneer de onderneming na de
overgang blijft bestaan, blijft ook de OR bestaan. Deze vraag is
niet altijd eenduidig te beantwoorden. De OR kan (in een
onduidelijke) situatie in een procedure een verklaring vorderen dat
hij nog bestaat.
Klagen
De OR kan bij diverse instanties een klacht
indienen. Allereerst heeft de OR het recht om bij de
Arbeidsinspectie te klagen over de arbeidsomstandigheden. De OR kan
tevens een klacht indienen bij het College Bescherming
Persoonsgegevens als er sprake is van schending van privacyrechten.
Op grond van de Algemene Wet Gelijke Behandeling kan de OR eveneens
de Commissie Gelijke Behandeling verzoeken om een onderzoek in te
stellen naar ongelijke behandeling.
Tot slot
Met het bovenstaande proberen wij een (niet uitputtend)
overzicht te bieden van de bevoegdheden die de OR heeft. Voor de OR
is het van belang zich bewust te zijn van deze bevoegdheden, daar
waar het voor de ondernemer zeer zeker ook van belang is erop
bedacht te zijn dat hij geconfronteerd kan worden met de hiervoor
genoemde bevoegdheden.
Het bovenstaande betreft een kort overzicht van de bevoegdheden.
Voor vragen of nadere uitleg over een van genoemde bevoegdheden
kunt u contact opnemen met onze redactie.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
(Bovenwettelijke) instemmingsrecht bij invoering van
kledingvoorschriften?
De Ondernemingsraad van NSR onthield aan het
voorgenomen besluit de gevraagde instemming, omdat de Raad het
ongewenst vond dat medewerkers die samen in één ploeg dienst doen
verschillende uniformen zouden dragen en vooral omdat aan de
betreffende medewerkers het dragen van de cap/dop in ieder geval op
het station verplicht werd gesteld.
NSR en OR konden het ook daarna niet eens worden, waarop NSR heeft besloten tot invoering van het kledingpakket zoals voorgenomen. Daarbij heeft NSR zich op het standpunt gesteld, dat het betreffende besluit niet was aan te merken als een (instemmingsplichtig) besluit in de zin van artikel 27 lid 1 WOR en dat het binnen haar algemene instructierecht viel om bedrijfskleding in te voeren. De OR verzette zich en beriep zich op de nietigheid van dat besluit. NSR hield voet bij stuk, waarop de OR een kort geding begon.
Aan zijn vordering gaf de OR mee, dat NSR de OR ex artikel 32 lid 2 WOR een bovenwettelijk instemmingsrecht heeft toegekend door schriftelijk en zonder enig voorbehoud om instemming met het voorgenomen besluit te vragen. NSR wierp tegen, dat sprake was geweest van een misverstand dat er terzake kledingvoorschriften een instemmingsrecht zou zijn en dat NSR met andere woorden nooit de bedoeling heeft gehad om een bovenwettelijk instemmingsrecht bij wijze van ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR te verlenen. Evenmin was voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste voor zo'n overeenkomst, aldus de NSR.
De kantonrechter te Utrecht ging te rade bij de parlementaire geschiedenis rondom de invoering van artikel 32 WOR. Daaruit viel af te leiden dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen creëren om de medezeggenschap in de eigen onderneming op maat te snijden en daar dus afspraken over te maken. Noch de tekst van de wet noch de totstandkomingsgeschiedenis geven aanleiding om te veronderstellen dat andere eisen gelden voor een bovenwettelijk adviesrecht dan voor een bovenwettelijk instemmingsrecht.
Of met andere woorden: dat in het ene geval het vereiste van een schriftelijke overeenkomst heeft te gelden en in het andere geval niet. Daar doet niet aan af, dat het instemmingsrecht een ingrijpender bevoegdheid impliceert, aldus de kantonrechter. Als een ondernemer derhalve zonder voorbehoud instemming heeft gevraagd en de OR op goede gronden aan heeft mogen nemen dat daarmee een instemming in de zin van artikel 27 WOR werd bedoeld, mag uit worden gegaan van overeenstemming en wordt het daarmee een instemmingsplichtig besluit.
De kantonrechter honoreerde evenmin het verweer van NSR, dat ze niet de bedoeling heeft gehad om zo'n bovenwettelijk instemmingsrecht te geven. De OR heeft het heldere en ondubbelzinnige instemmingsverzoek van de NSR met daarin een verwijzing naar artikel 27 WOR redelijkerwijs op mogen vatten als het toekennen aan de OR van een instemmingsrecht, zodat NSR zich er niet op kon beroepen dat dat eigenlijk niet de bedoeling was geweest. Tot slot overweegt de kantonrechter nog dat het op gespannen voet staat met de eisen van goed ondernemerschap om nadat het gegeven recht door de OR is uitgeoefend met een voor de NSR onwelgevallige uitkomst, vervolgens het standpunt te betrekken dat van een dergelijk instemmingsrecht geen sprake is. Om al deze redenen stelt de kantonrechter de OR in het gelijk en verbiedt NSR om gedurende vier maanden na het vonnis uitvoering te geven aan de beoogde introductie van het kledingvoorschrift, zodat de OR in de tussentijd gelegenheid heeft om zich tot de bedrijfscommissie te wenden en zo nodig een bodemprocedure aanhangig te maken.
De moraal is helder.
Het is alleszins aan te raden om, indien uitgebreidere
bevoegdheden van de OR wenselijk worden geacht, die ter voorkoming
van misverstand of misvatting duidelijk met zoveel woorden in een
schriftelijke ondernemingsovereenkomst vast te leggen en daar
strikt aan vast te houden, zodat het uitgangspunt de schriftelijke
overeenkomst blijft en niet een uitlegredenering zoals in casu die
van de kantonrechter. Dat deze ten aanzien van het
schriftelijkheidsvereiste tot de onderhavige beslissing komt, is in
die zin niet nieuw, dat al langer door gezaghebbende juristen wordt
betoogd en ook in rechte is uitgemaakt, dat een redelijke uitleg
van het schriftelijkheidsvereiste meebrengt dat een mondelinge
afspraak die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, ook als geldige
ondernemingsovereenkomst is te beschouwen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
'Vertrek'-regeling instemmingsplichtig volgens artikel 27 lid 1
WOR?
De Raad van Commissarissen (RvC) van Connexxion vreesde in
het licht van een aankomende privatisering voor vertrek van een
aantal sleutelfiguren. Om die te behouden, stelde de RvC een
regeling op voor het geval de betreffende persoon zou worden
opgezegd binnen 24 maanden na een change of control,
uiteraard tenzij die opzegging zou zijn gebaseerd op ernstig
verwijtbare handelingen of nalatigheden van de betrokken
persoon.
Curieuze bijzonderheid was nog, dat de Staat als gewezen
aandeelhouder kort voordien een bezoldigingsbeleid had gedicteerd,
inhoudende dat een afvloeiingsregeling voor een bestuurder in
overeenstemming moest zijn met de Code Tabaksblat. De regeling
waarmee de RvC de 18 sleutelfiguren aan zich wilde binden hield in,
dat bovenop de bestaande vertrekregeling een additioneel bedrag van
2 bruto jaarsalarissen betaald zou worden, als zich de
bovenbedoelde opzegging binnen 24 maanden na een change of
control zou voordoen.
Dat laatste deed zich voor bij een sleutelfunctionaris, die aldus
bij zijn vertrek ruim € 800.000 ontving. Een bedrag dat de grenzen
van het redelijke ruimschoots overschreed in de ogen van de
COR.
Beloningsregeling c.q.
ontslagbeleid in de zin van de WOR?
In een poging de regeling ongedaan te maken, beriep
de COR zich op nietigheid van die regeling. Het zou volgens de COR
gaan om een beloningsregeling, althans een regeling op het gebied
van het ontslagbeleid, en daarvoor had Connexxion instemming moeten
vragen, aldus de COR. Immers betrof het een groep van 18 in de
onderneming werkzame personen en ontstonden tussen groepen
werknemers binnen Connexxion nieuwe verhoudingen. Gezien de tekst
was de regeling voor herhaling vatbaar, immers vielen onder
change of control bijvoorbeeld ook te verstaan een fusie
of de komst van een nieuwe (minderheids)aandeelhouder. Tot slot
bleek onvoldoende uit de regeling, op grond van welke criteria wie
als sleutelfunctionaris viel aan te merken?
Connexxion bestreed, dat het een regeling in de zin van artikel 27
WOR was.
Geen besluit van algemene strekking dat voor herhaalde toepassing
vatbaar was, maar een arbeidsrechtelijke afspraak met individuele
werknemers. De regeling ontbeerde structurele continuïteit en
betrof geen bestaand systeem of bestaand beleid. Evenmin was de
regeling bedoeld voor een homogene groep werknemers c.q. categorie
werknemers met overeenkomstige functionele kenmerken. Integendeel
ging het om 3 leden van de Raad van Bestuur (RvB), een aantal
functionarissen uit de managementlaag eronder en een aantal
personen uit de managementlaag dááronder. Geen omlijnde groep dus.
Last but not least wees Connexxion erop, dat doel en strekking van
deze regeling - namelijk behoud van bijzondere functionarissen
onder de unieke omstandigheid van een aanstaande privatisering -
dit besluit tot een ander besluit maakte dan waarvoor artikel 27
WOR geschreven is.
Kantonrechter Haarlem 16 november
2009
De Kantonrechter in Haarlem is het met Connexxion
eens.
Het betreft geen beloningsregeling als bedoeld in artikel 27 lid 1
onder c. WOR. Evenmin impliceert de regeling een vorm van
arbeidstoeslag. Kortom gaat het niet om een tegenprestatie voor
verrichte arbeid, aldus de kantonrechter. Ook ziet de kantonrechter
in de regeling geen besluit betreffende ontslagbeleid. Immers geeft
de regeling niet aan, wie in welk geval voor ontslag in aanmerking
komt en geldt die bovendien niet voor iedere werknemer of voor
iedere werknemer uit een bepaalde categorie.
Bij dit laatste speelt ook de vraag, of het om een min of meer
omlijnde groep van personen ging. Immers vallen onder de werking
van artikel 27 lid 1 WOR niet die besluiten die betrekking hebben
op een zeer beperkt aantal in de onderneming werkzame personen. Ook
daarvan acht de kantonrechter geen sprake, mede niet omdat tot elk
van de managementlagen ook personen behoorden op wie de regeling
niet van toepassing was.
Aldus kwam de kantonrechter tot de conclusie, dat de COR zich met
onder verwijzing naar de WOR ten onrechte beriep op nietigheid van
de regeling c.q. dat die regeling volgens de WOR geen voorafgaande
instemming van de COR behoefde.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Deskundige, de
ondernemer betaalt?
Het komt nogal eens voor dat een ondernemingsraad een
deskundige inschakelt. De vraag is echter in hoeverre de kosten van
deze deskundige voor rekening van de ondernemer komen. Hierover
liet het Hof 's-Hertogenbosch (JAR 2008/69) zich in 2007 al uit en
in april 2009 oordeelde ook de Rechtbank 's-Gravenhage (LJN BI9263)
over dit onderwerp.
Wettelijk kader
Artikel 22 van de Wet op de ondernemingsraden bepaalt dat
kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van
de taak van de ondernemingsraad voor rekening van de ondernemer
komen indien hij van de te maken kosten vooraf in kennis is
gesteld. Daarbij speelt volgens de parlementaire stukken een
rol:
1) het belang en de aard van het onderwerp waarvoor de deskundige
wordt uitgenodigd;
2) de hoogte van de kosten;
3) de financiële draagkracht van de ondernemer.
Dit kunnen kosten zijn die in het kader van een adviesaanvraag
worden gemaakt maar ook de kosten van de deskundigen die door de OR
worden uitgenodigd om overlegvergaderingen bij te wonen.
Hof 's-Hertogenbosch
In de zaak die speelde bij het hof was een advocaat van
AKD als deskundige ingeschakeld door de ondernemingsraad. Alvorens
zijn werkzaamheden te verrichten stelde de advocaat de ondernemer
op de hoogte van zijn uurtarief. Achteraf liet de ondernemer pas
blijken het niet eens te zijn met de hoogte van de uiteindelijke
factuur. Het hof oordeelde dat uit de parlementaire stukken volgt
dat het gaat om "het waar mogelijk schattenderwijs aangeven van de
hoogte van de kosten". Het hof was van mening dat het aan de
ondernemer was om vooraf bezwaar te maken tegen kennisgeving van de
kostenopgave van de deskundige. Aangezien reactie uitbleef mocht
worden uitgegaan van de redelijkheid van de te maken kosten.
Rechtbank 's-Gravenhage
Net als bij het hof in 's Hertogenbosch ging het bij de
rechtbank in 's Gravenhage om de vraag of een ondernemer met succes
kon weigeren te betalen voor werkzaamheden die waren verricht door
de door de ondernemingsraad ingeschakelde deskundige. Op verzoek
van de ondernemingsraad startte op 2 april 2008 een deskundige met
het verrichten van diverse werkzaamheden en het geven van advies en
ondersteuning aan de ondernemingsraad. Een week later stuurde de
deskundige een offerte naar de ondernemingsraad en later die maand
stelde hij de advocaat van het bedrijf op de hoogte van zijn reeds
bestede en nog te besteden tijd met het daaraan gekoppelde
uurtarief. Toen in oktober de eindfactuur werd toegezonden betaalde
het bedrijf, ondanks diverse aanmaningen en sommaties, slechts een
deel van de rekening. De deskundige dagvaardde vervolgens de
ondernemer. De rechtbank stelde in deze zaak dat de
ondernemingsraad niet geheel volgens de bedoeling van de Wet op de
ondernemingsraden had gehandeld aangezien zij er niet voor had
gezorgd dat de ondernemer van de naar verwachting gemoeide kosten
op de hoogte was voordat de werkzaamheden van de deskundige
aanvingen. Toch wees de rechtbank de vordering van deskundige toe.
Onder de omstandigheden van dit geval kon de ondernemer de
deskundige niet tegenwerpen dat de ondernemer niet tijdig op de
hoogte was gesteld van de naar verwachting gemoeide kosten. De
omstandigheden die de rechter hierbij aanhaalde waren:
Conclusie
Het is voor een ondernemer zeer belangrijk om goed te
informeren naar de kosten die gepaard gaan met het inschakelen van
een deskundige. Daarnaast is het van groot belang voor de
ondernemer om zelf aan de bel te trekken en op tijd duidelijk te
maken wanneer hij het niet eens is met de hoogte van de te
verwachten kosten. Ook wanneer de ondernemingsraad of de deskundige
de ondernemer niet vooraf op de hoogte stellen van de mogelijk te
maken kosten, kunnen de omstandigheden ertoe leiden dat de
ondernemer de rekening van de deskundige gewoon dient te
betalen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
We
tsvoorstel tot wijziging van de pensioenwet met betrekking
tot de medezeggenschap van pensioengerechtigden in
pensioenbesturen
Op 2 september 2009 heeft de plenaire behandeling in de
Tweede Kamer plaatsgevonden van het wetsvoorstel tot wijziging van
de pensioenwet ("PW") over de medezeggenschap van
pensioengerechtigden in pensioenbesturen.
Tijdens de plenaire behandeling is een motie ingediend, waarin het
kabinet is verzocht te bevorderen dat de sociale partners en de
ouderenorganisaties binnen 10 weken een voorstel formuleren waarin
de medezeggenschap van alle betrokkenen (dus niet alleen de
pensioengerechtigden) is verankerd en waarin de diversiteit van de
bestuurders is gewaarborgd door middel van zelfregulering van de
betrokken partijen. Deze motie is op 8 september 2009 aangenomen
als gevolg waarvan de behandeling van het wetsvoorstel met 10 weken
is uitgesteld.
Het wetsvoorstel heeft als doel de invloed van pensioengerechtigden
op het bestuur van pensioenfondsen te versterken. Daartoe zijn een
aantal voorstellen gedaan:
De pensioenkoepels Vereniging van Bedrijfstak Pensioenfondsen en de
Stichting voor OndernemingsPensioenfondsen hebben in een position
paper van 27 maart 2009 ernstige bezwaren tegen dit wetsvoorstel
geuit. Het wetsvoorstel heeft volgens de pensioenkoepels
schadelijke effecten op het goed kunnen functioneren van
pensioenfondsen door onnodige verzwaring van de bestuurlijke en
administratieve lasten. Een ander belangrijk bezwaar is dat het
wetsvoorstel zorgt voor dubbele medezeggenschap voor
pensioengerechtigden (zowel in het bestuur als in de
deelnemersraad) welke dubbele medezeggenschap niet nodig is en niet
wenselijk is. Ook geven de pensioenkoepels aan dat het wetsvoorstel
de wettelijke taak van een bestuur miskent om bij de besluitvorming
op evenwichtige wijze rekening te houden met alle bij het
pensioenfonds betrokken belangen.
Uiteraard houden wij u via deze nieuwsbrief op de hoogte van
verdere ontwikkelingen met betrekking tot het
wetsvoorstel.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Hof Den
Haag bevestigt dat wijziging targets van bonusregeling niet
instemmingsplichtig is
Eerder in onze nieuwsbrief hebben wij u bericht dat de
Kantonrechter Den Haag de vraag of de wijziging van targets van een
bonusregeling instemmingsplichtig is negatief heeft beantwoord.
Onlangs bevestigde het Hof Den Haag deze uitspraak.
Feiten
Waar ging het in deze kwestie ook alweer om? Om voor een
prestatiebonus in aanmerking te komen, dienden de werknemers van
KPN Telecom Retail tenminste 75% van de vastgestelde targetpunten
te behalen. De directie van KPN Telecom Retail had haar OR op enig
moment in kennis gesteld van haar besluit om voormeld percentage te
verhogen tot 85. De OR was de mening toegedaan dat het besluit zijn
instemming behoefde, omdat dit betrekking had op een
beloningssysteem (als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub c van de Wet
op de ondernemingsraden, afgekort: WOR). KPN Telecom Retail stelde
zich daarentegen op het standpunt dat haar besluit niet ziet op een
beloningssysteem, maar slechts op de hoogte van de bonus. De OR
legde de zaak - in kort geding - aan de kantonrechter voor. Hij
vorderde de veroordeling van KPN Telecom Retail om elke uitvoering
van het bestreden besluit te staken en gestaakt te houden totdat
aan zijn instemmingsrecht zou zijn voldaan, een en ander op straffe
van een dwangsom.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter overwoog dat de OR alleen een wettelijk
instemmingsrecht heeft, indien en voor zover het gaat om een
wijziging betrekkelijk tot de systematiek of methodiek van een
beloningsregeling. In het geval de wijziging alleen betrekking
heeft op de hoogte van de bonus, ontbeert de OR een dergelijk
instemmingsrecht, aldus de kantonrechter.
Volgens de kantonrechter had de wijziging van het percentage in dit
geval wel gevolgen voor de hoogte van de bonus - als gevolg van de
gewijzigde ondergrens komen de werknemers van KPN Telecom Retail
minder snel in aanmerking voor een bonus -, maar leidde deze op
zichzelf niet tot een wijziging van de systematiek van de binnen
KPN Telecom Retail geldende bonusregeling. Op grond hiervan wees de
kantonrechter de vorderingen van de OR af.
Uitspraak hof
De OR gaat in hoger beroep. Het Hof Den Haag stelt vast dat de
targets nog steeds haalbaar zijn en dat KPN Telecom Retail niet
anders heeft beoogd dan het verhogen van de verkoopinspanningen
door de werknemers. Het hof overweegt vervolgens dat de
mogelijkheid dat de verhoogde drempel resulteert in het niet
behalen daarvan door individuele werknemers, onvoldoende is om te
oordelen dat sprake is van een wijziging van een beloningssysteem
als bedoeld in 27 lid 1 sub c WOR. Het hof wijst de vorderingen van
de OR dan ook af.
Conclusie
Indien u uw bonusregeling (of enige andere regeling in de zin van
artikel 27 WOR) wenst te wijzigen, is het van groot belang dat u
vaststelt of de voorgenomen wijziging betrekking heeft op de hoogte
van de beloning of op de systematiek c.q. methodiek van de
bonusregeling. Gaat het alleen om de hoogte van de beloning, dan
heeft uw OR geen instemmingsrecht. Gaat het daarentegen om
wijziging van de systematiek van de beloning, dan heeft uw OR wel
een instemmingsrecht.
De ervaring leert dat de scheidslijn tussen het wijzigen van de
beloningssystematiek of -methodiek en het wijzigen van de hoogte
van de beloning niet altijd (even) scherp te trekken is. Mocht u
twijfelen of uw OR een instemmingsrecht heeft wanneer u overweegt
uw bonusregeling (of enige andere regeling als bedoeld in artikel
27 WOR) te wijzigen, aarzelt u dan niet om (een van) onze
redactie(leden) te raadplegen.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Regelmatig verschijnen er uitspraken van rechters waarin
de vraag centraal staat wat de gevolgen voor de medezeggenschap
zijn, indien een onderneming wordt vervreemd. Blijft de
ondernemingsraad van de overgedragen onderneming na de overname bij
de verkrijgende onderneming als ondernemingsraad bestaan? Onlangs
speelde die vraag bij een fusie van twee zorginstellingen in
Friesland.
De feiten
De stichting Skewiel houdt in Oentsjerk een onderneming in stand
die een combinatie van thuiszorg, verzorgings- en verpleeghuiszorg
aanbiedt. Bij Skewiel zijn 250 mensen werkzaam, er is een OR
ingesteld waarvan de zittingstermijn in mei 2010 verloopt. In
verband met de zorgwekkende financiële situatie, vat de directie
van Skewiel begin 2009 het voornemen op te fuseren met de stichting
Tellens, die verspreid over Friesland 22 vestigingen heeft waar
zorg wordt aangeboden. Tellens heeft voor al die vestigingen samen
één ondernemingsraad ingesteld.
De OR van Skewiel, op grond van artikel 25 WOR om advies gevraagd,
adviseert positief ten aanzien van de fusie, maar verbindt daaraan
wel de voorwaarde dat hij na de fusie tot het eind van zijn
zittingstermijn als zelfstandige OR blijft voortbestaan. De
directie van Skewiel stemt niet met de voorwaarde in: na de fusie
zal Skewiel, ook wat medezeggenschap betreft, onder Tellens vallen
en dus houdt de eigen OR op te bestaan. Voor de OR van Tellens, die
zal worden uitgebreid van 13 naar 15 leden, vinden in januari 2010
verkiezingen plaats, waarbij de 2 nieuwe plaatsen worden
gereserveerd voor werknemers van Skewiel. De OR laat het er niet
bij zitten, en vordert in kort geding dat hij zijn rechten uit
hoofde van de WOR kan blijven uitoefenen.
Oordeel voorzieningenrechter en commentaar
Bij de beantwoording van de vraag of de OR mee is
overgegaan naar Tellens, staat voorop dat onderneming en
ondernemingsraad onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn.
Uitgangspunt is derhalve dat als de onderneming overgaat en na de
overname als zodanig blijft bestaan, ook de OR blijft bestaan. Dat
de onderneming van Skewiel is overgegaan, staat wel vast. Het komt
er dus op aan of de onderneming van Skewiel na de fusie las zodanig
is blijven voortbestaan of dat zij is opgegaan (verdwenen, zou je
kunnen zeggen) in een groter geheel, nl. in de onderneming van
Tellens.
De WOR bepaalt in artikel 1 dat een onderneming een in de
maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch
verband is, waarin krachtens arbeidsovereenkomst arbeid wordt
verricht. Of de onderneming van Skewiel na de fusie nog een
zelfstandige eenheid is (daarin zit de kern van de zaak), moet aan
de hand van de feiten en omstandigheden van het geval worden
beoordeeld. In essentie komt het er op aan of de onderneming nog
zelfstandig opereert en zijn goederen en diensten onder een eigen
naam aan het publiek aanbiedt. Daarbij is niet doorslaggevend of de
onderneming een zelfstandige rechtspersoon is; één rechtspersoon
kan meerdere ondernemingen in stand houden. Heeft bijvoorbeeld een
stichting twee zelfstandige en onder verschillende namen opererende
ziekenhuizen, dan zal wellicht sprake zijn van twee aparte
ondernemingen, waarbij voor elk van deze ondernemingen een
ondernemingsraad moet worden ingesteld. De uitzondering op deze
hoofdregel komt verderop nog ter sprake.
De voorzieningenrechter vond dat ook na de fusie nog sprake was van
een zelfstandige onderneming in de zin van de WOR. De volgende
feiten en omstandigheden waren doorslaggevend voor dat oordeel. Er
was sprake van een aparte locatie, van waaruit naar eigen inzicht
(na de fusie behield de leiding van Skewiel een grote mate van
zelfstandigheid) zorg werd aangeboden, waarbij de eigen,
kenmerkende identiteit en het specifieke zorgconcept behouden
bleven. Dat gebeurde bovendien onder een eigen, naar buiten toe
herkenbare naam: Zorggroep Tellens, locatie Skewiel. Dat de inkoop
van zorg en een aantal administratieve processen op centraal niveau
plaats vonden, bracht de rechter niet op andere gedachten. De
ondernemingsraad van Skewiel was dus volgens de
voorzieningenrechter na de fusie blijven voortbestaan.
De uitzondering
Dat voortbestaan kan echter in tijd beperkt zijn, en
daarmee komen wij toe aan de uitzondering op de hoofdregel waarvan
wij zojuist al spraken. Een ondernemer die meerdere ondernemingen
in stand houdt, kan immers voor al die ondernemingen samen één
gemeenschappelijke ondernemingsraad instellen, indien dat
bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet. In het hier
besproken geval had Tellens dat vóór de fusie al gedaan voor de 22
locaties die zij toen had. Er bestond immers één (grote)
ondernemingsraad. Vanaf het moment dat Tellens ook de onderneming
Skewiel onder die alomvattende medezeggenschapsstructuur brengt (en
het was de bedoeling dat in januari 2010 te doen, als er
verkiezingen voor een nieuwe OR zijn), houdt de zelfstandige OR van
Skewiel op te bestaan. In die zin heeft de winst van de OR in de
onderhavige procedure maar een beperkte houdbaarheidsdatum.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Recent heeft het Hof van Justitie van de EG (hierna: "het Hof")
zich voor het eerst gebogen over de reikwijdte van de
raadplegingsverplichting in Richtlijn 98/59 EG, beter bekend als de
Europese richtlijn inzake collectief ontslag (hierna: "de
Richtlijn") in het geval waarin sprake is van een concern
waarbinnen het initiatief om een onderneming "af te stoten" of te
sluiten, afkomstig is van de raad van bestuur van de
moedervennootschap. Artikel 2 lid 4 van de Richtlijn - welk artikel
overigens niet in Nederland is geïmplementeerd - bepaalt dat de
werkgever verplicht is tot kennisgeving aan en raadpleging van de
vertegenwoordigers van de werknemers, "ongeacht of de beslissing
betreffende het collectief ontslag door de werkgever of door een
over de werkgever zeggenschap uitoefenende moedervennootschap wordt
genomen".
Feiten
In casu besloot het directiecomité van Fujitsu Siemens Computers
Holding B.V. (hierna: "holding") op 7 december 1999 om het bestuur
van de holding het voorstel te doen haar fabriek in Kilo, Finland,
af te stoten. Deze fabriek en haar werknemers vielen onder Fujitsu
Siemens Computers Oy (hierna: "FSC"), een dochtervennootschap van
de holding. Op 14 december 1999 heeft het bestuur van de holding
dit voorstel aangenomen, zonder daarbij een concrete beslissing
over het personeel van de genoemde fabriek te nemen. Op diezelfde
datum heeft FSC besloten over te gaan tot raadpleging van de
vertegenwoordigers van haar werknemers. Die raadpleging vond plaats
tussen 20 december 1999 en 31 januari 2000. Vervolgens heeft het
bestuur van FSC, dat grotendeels bestond uit bestuurders van de
holding en werd voorgezeten door de vice-voorzitter van de raad van
bestuur van de holding, op 1 februari 2000 besloten de
productieactiviteiten van FSC in Finland te beëindigen. Op 8
februari 2000 is FSC begonnen 450 van haar 490 werknemers te
ontslaan. Een aantal vakbonden betoogt vervolgens dat de eigenlijke
beslissing tot het collectief ontslag al was genomen op 14 december
1999 en wel zonder de verplichte voorafgaande raadpleging van het
personeel. De bonden wenden zich tot de Finse rechter en stellen
dat FSC opzettelijk of uit grove nalatigheid de Finse wet tot
implementatie van de Richtlijn heeft geschonden.
Hof van Justitie EG
Uiteindelijk komt de zaak bij de hoogste Finse rechter,
die een zestal prejudiciële vragen stelt aan het Hof. Het Hof
verklaart de vragen ontvankelijk en destilleert hieruit - kort
samengevat - vier hoofdvragen: (1) op welk tijdstip ontstaat de
raadplegingsverplichting (2) is dit tijdstip afhankelijk van het
moment waarop de werkgever over de gegevens beschikt waarvan hij
aan de werknemers mededeling moet doen (3) ontstaat de verplichting
tot raadpleging bij een overwegen om tot collectief ontslag over te
gaan van de moeder-, of van de dochtervennootschap en is - in
het eerste geval - voor het ontstaan van die verplichting vereist
dat de dochter waarbinnen het ontslag heeft plaats te vinden reeds
is geïdentificeerd en (4) dient de raadplegingsprocedure bij de
dochtervennootschap te zijn afgesloten voordat in de
moedervennootschap de beslissing tot collectief ontslag wordt
genomen?
Het Hof beantwoordt de eerst vraag als volgt. De verplichting tot
raadpleging ontstaat al vóór het besluit tot opzeggen van de
arbeidsovereenkomsten. Uit artikel 2 lid 4 van de Richtlijn volgt
dat deze verplichting ook ontstaat in situaties waarin het
vooruitzicht van collectief ontslag niet een rechtstreekse keuze
van de werkgever zelf is, maar van de moedervennootschap. Het Hof
overweegt dat de raadplegingsverplichting haar nuttig effect
gedeeltelijk zou verliezen, wanneer de dochtervennootschap ook ná
een beslissing van de moedervennootschap die de haar noodzaakt tot
collectief ontslag over te gaan, een raadpleging mag houden. De
raadplegingsprocedure moet dus worden gestart voor het moment dat
door de moedervennootschap een beslissing wordt genomen die de
dochtervennootschap ertoe dwingt een collectief ontslag te
overwegen of te plannen.
Dit oordeel van het Hof heeft gevolgen voor de uitleg die de
Nederlandse rechter dient te geven aan artikel 3 lid 1 van de Wet
melding collectief ontslag (WMCO). Deze wettekst heeft het alleen
over "Een werkgever die voornemens is (...)". Hier dient dus -
aldus het Hof - eveneens onder te worden verstaan een voornemen van
de moedervennootschap om een besluit te nemen dat collectief
ontslag van de werknemers van de dochtervennootschap tot
noodzakelijk gevolg heeft.
De tweede vraag handelt over het aanvangsmoment van de
raadplegingsprocedure. Het is goed voor te stellen dat het bestuur
van de moedervennootschap al een besluit neemt dat
noodzakelijkerwijs leidt tot een collectief ontslag bij de
dochtervennootschap, nog voordat het bestuur van die
dochtervennootschap de gegevens heeft die bij raadpleging aan de
vakverenigingen moeten worden overhandigd. Het Hof benadrukt dat in
de Richtlijn staat dat de gegevens "tijdig in de loop van het
overleg" verstrekt moeten worden. De gegevens mogen dus ook nog
tijdens de raadplegingsprocedure overgelegd worden. Zodoende - zo
oordeelt het Hof - is het aanvangsmoment van de
raadplegingsverplichting niet afhankelijk van het moment waarop het
bestuur van de dochtervennootschap beschikt over de noodzakelijke
gegevens.
De derde en vierde vraag, door het Hof gezamenlijk behandeld, zien
op het moment waarop de plicht tot raadpleging ontstaat. Deze
verplichting kan zowel door een overwegen tot collectief ontslag
van de dochtervennootschap, als van de moedervennootschap ontstaan,
zo leidt het Hof af uit de Richtlijn Als de moedervennootschap een
besluit overweegt dat collectief ontslag bij een van haar
dochtervennootschappen tot noodzakelijk gevolg heeft, zal wel vast
moeten staan bij welke dochtervennootschap dat ontslag kan
plaatsvinden. Met andere woorden: de dochtervennootschap waar
collectief ontslag kan plaatsvinden moet geïdentificeerd zijn. Dit
is begrijpelijk aangezien de moedervennootschap volgens het Hof
niet heeft te gelden als de werkgever in de zin van de Richtlijn en
de verplichting tot raadpleging slechts een plicht van de
dochtervennootschap is. Bij het vaststellen van een algemeen
bezuinigingsplan door de moedervennootschap geldt dus geen
raadplegingsplicht, zolang niet duidelijk is bij welke
dochtervennootschappen de ontslagen gaan vallen. Tot die tijd is
immers niet duidelijk welke vertegenwoordigers van welke werknemers
geraadpleegd moeten worden.
De vijfde en de zesde vraag, door het Hof eveneens gezamenlijk
behandeld, gaan over de situatie dat de moedervennootschap reeds
een besluit heeft genomen dat noodzakelijkerwijs tot collectief
ontslag bij de dochtervennootschap zal leiden, terwijl
laatstgenoemde nog niet heeft voldaan aan haar raadplegingsplicht.
Het Hof oordeelt dat de dochtervennootschap in dat geval zelf de
gevolgen van niet-nakoming van de raadplegingsverplichting moet
dragen. Het besluit van de moeder blijft dus geldig, de dochter
draagt de gevolgen. In Nederland zal het UWV WERKbedrijf in zo'n
geval de behandeling van de ontslagaanvragen opschorten. Ingevolge
artikel 7 lid 1 WMCO blijft reeds verleende toestemming wel van
kracht. Werknemers die zonder voorafgaande raadpleging van de
vakbonden ontslagen worden, kunnen in voorkomende gevallen een
actie wegens kennelijk onredelijk ontslag starten (artikel 7:681
BW), maar slechts tegen de dochtervennootschappen. Laatstgenoemde
moet de gevolgen van niet-nakoming van de raadplegingsplicht zelfs
dragen, indien zij niet onmiddellijk naar behoren op de hoogte was
gebracht van het voorgenomen besluit van de moedervennootschap dat
collectief ontslag noodzakelijk maakte en/of of indien de
moedervennootschap haar nooit de voor de voorlichting, kennisgeving
en raadpleging van de vakverenigingen noodzakelijke informatie
heeft verstrekt.
Tot slot
In deze uitspraak heeft het Hof de reikwijdte van de
raadplegingsverplichting bij een voorgenomen collectief ontslag
verduidelijkt. Deze geldt ook als en zodra het voornemen om een
onderneming te sluiten - wat noodzakelijkerwijs zal leiden tot een
collectief ontslag - aanwezig is bij de moedervennootschap en het
initiatief daartoe dus van de moedervennootschap afkomstig is.
Hiermee wordt voorkomen dat de collectieve ontslagregelingen in de
lidstaten worden ontdoken, aangezien werkgevers zich er niet op
kunnen beroepen dat een besluit tot collectief ontslag niet door
hen, maar door een mogelijk in een andere lidstaat gevestigde, over
hen zeggenschap uitoefenende moedervennootschap is genomen. Een en
ander leidt ons inziens tot meer bescherming van werknemers.
Echter, indien de moedervennootschap haar dochtervennootschap
onvoldoende tijdig en naar behoren informeert kan zij de
raadplegingsprocedure bij haar dochtervennootschap nog steeds
frustreren. Immers, de dochter is dan niet in staat de
werknemersvertegenwoordigers te voorzien van de noodzakelijke
gegevens. Ons inziens wordt de bescherming van werknemers hierdoor
praktisch gezien toch ingeperkt.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Recent heeft de kantonrechter in Tiel geoordeeld dat de
Ondernemingsraad (hierna "OR") geen instemmingsrecht en geen recht
op informatie heeft ten aanzien van afvloeiingsregelingen van
individuele managementleden.
Feiten
Medio 2008 heeft de OR van vakbond De Unie het vertrouwen
opgezegd in het management. Nadat tijdelijk een directeur
ad-interim was aangesteld, is een nieuwe vaste directeur benoemd.
Het managementteam is opgeheven. De OR heeft de ondernemer verzocht
hem op grond van het algemene informatierecht te informeren over de
met de betrokken leden van het managementteam getroffen
afvloeiingsregeling. Ook heeft de OR de nietigheid van de getroffen
afvloeiingsregelingen ingeroepen. De Unie heeft de gevraagde
informatie niet gegeven en heeft daarnaast de nietigheid
weersproken. Op grond van de wettelijke regeling is de kwestie ter
bemiddeling voorgelegd aan de Algemene Bedrijfscommissie. Deze
commissie heeft in april 2009 haar advies uitgebracht. Volgens de
commissie is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een
regeling op het gebied van ontslag- of bevorderingsbeleid als
bedoeld in artikel 27 lid 1 onder e WOR. Vervolgens heeft de OR
zich tot de kantonrechter gewend. De kantonrechter dient te
beoordelen of de OR een instemmingsrecht of recht op informatie
heeft op grond van de WOR ten aanzien van de afvloeiingsregelingen
van de individuele managementleden van De Unie.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter overweegt dat artikel 27 lid 1 WOR - dat
een lijst bevat met instemmingsplichtige besluiten - ziet op
voorgenomen besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van
de in dat artikellid bedoelde regelingen. Het gaat om besluiten
over het sociale beleid in de onderneming in de ruime zin van het
woord. De in dit artikellid opgenomen opsomming van
instemmingsplichtige regelingen is limitatief: staat de regeling
niet in de lijst dan gaat het om een niet instemmingsplichtige
regeling. De essentie is dat het moet gaan om besluiten van het
bestuur van algemene strekking die bedoeld zijn om ook in de
toekomst te worden toegepast. Daarmee vallen maatregelen ten
aanzien van individuele werknemers buiten de reikwijdte van artikel
27 lid 1 WOR, aldus de kantonrechter. Voor zover al sprake zou zijn
van met de leden van het voormalig managementteam getroffen
afvloeiingsregelingen (hetgeen niet is komen vast te staan in de
procedure bij de kantonrechter), bestaat dus geen instemmingsrecht
in de zin van de WOR.
Voor wat betreft het beroep van de OR op het recht op informatie
gaat de kantonrechter in op de artikelen 31d en 31e van de WOR. In
deze bepalingen wordt het informatierecht van de OR over de hoogte
en inhoud van arbeidsvoorwaardelijke afspraken geregeld ten aanzien
van de verschillende groepen werknemers, het bestuur van de
rechtspersoon en het toezichthoudend orgaan. De kantonrechter is
van oordeel dat het managementteam als "groep" kan worden
aangemerkt in de zin van artikel 31d WOR. De kantonrechter
overweegt vervolgens dat de OR geen taak op het gebied van
arbeidsvoorwaarden van individuele personeelsleden en daarover
gemaakte afspraken heeft. De onderneming dient de OR zodanige
informatie te verschaffen over de gemaakte afspraken dat de invloed
van de afspraken over de financiële positie van de onderneming
duidelijk wordt, zonder dat de informatie te herleiden is naar
individuele personen. Nu niet vaststaat dat afspraken met het
managementteam zijn gemaakt, wordt het verzoek van de OR
afgewezen.
Opmerkingen
Artikel 27 lid 1 onderdeel e WOR bevat het
instemmingsrecht van de OR ten aanzien van een besluit tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het
gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid. Het
gaat om algemene regelingen die in een onderneming worden getroffen
op het gebied van het aanstellingsbeleid (waaronder begrepen de
behandeling van sollicitanten, regelingen met betrekking tot de
aanstelling in tijdelijke of vaste dienst, voor bepaalde of voor
onbepaalde tijd, overplaatsingsbeleid, etcetera), het
ontslagbesluit (bijvoorbeeld een regeling voor vervroegde
uittreding) en het bevorderingsbeleid (bijvoorbeeld richtlijnen
voor interne promoties). De OR heeft uitdrukkelijk geen bemoeienis
met individuele aanstellingen, ontslagen of bevorderingen (of het
uitblijven daarvan).
Artikel 31d WOR ziet op het informatierecht over
beloningsverhoudingen. Dit artikel is op 1 september 2006
toegevoegd aan de WOR, omdat een groot deel van de informatie over
de arbeidsvoorwaarden in de onderneming voor de OR reeds bereikbaar
is via de CAO of de bestaande rechtspositieregelingen, maar niet
over de arbeidsvoorwaarden van personeel dat niet onder een CAO
valt en voor de beloningsstructuur van het bestuur en de
toezichthoudende organen (zoals bijvoorbeeld de Raad van
Commissarissen). Om in deze leemte in de wet te voorzien, is
artikel 31d WOR ingevoerd. Op grond hiervan is de ondernemer
verplicht om ten minste éénmaal per jaar aan de OR schriftelijke
informatie te verschaffen over de hoogte en de inhoud van de
arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met de verschillende
(functionele) groepen van in de onderneming werkzame personen.
Dezelfde verplichting geldt met betrekking tot het bestuur van de
onderneming en het toezichthoudend orgaan (zoals de Raad van
Commissarissen of de Raad van Toezicht). Dit informatierecht heeft
niet alleen betrekking op de omvang van de kosten (hoogte van de
beloningen), maar ook op de inhoud van de regelingen/afspraken waar
deze uit voortvloeien. Denk aan: winstdelingsregelingen,
optieregelingen, prestatiebeloningen, bonussen en
vertrekregelingen. Ten aanzien van dergelijke regelingen en
afspraken dient de OR ook tussentijds over belangrijke wijzigingen
geïnformeerd te worden. Aangezien het niet de bedoeling is van de
informatieverplichting dat de beloningsgegevens herleidbaar zijn
tot individuele personen, kan de ondernemer groepen die uit minder
dan vijf personen bestaan samenvoegen en aldus die informatie
gebundeld aan de OR presenteren. De verplichting om de hierboven
bedoelde informatie aan de OR te verstrekken is beperkt tot
ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam
zijn. Verder is de verplichting niet van toepassing op
(familie)bedrijven waarvan de bestuurder tevens
directeur-grootaandeelhouder is, dat wil zeggen meer dan 5 % van de
aandelen in zijn bezit heeft. Ook geldt de verplichting niet voor
zogenoemde kleine en middelgrote rechtspersonen die verplicht zijn
een jaarrekening te publiceren. Voor grotere open naamloze
vennootschappen geldt dat de informatie over de beloning van
individuele bestuursleden en commissarissen moet worden verstrekt
in de jaarrekening.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
(Plaatsingsprocedure in) sociaal plan:
instemmingsplichtig?
Begin vorig jaar is de Voorzieningenrechter Amsterdam de vraag
voorgelegd of een plaatsingsprocedure opgenomen in een sociaal plan
instemmingsplichtig is. De voorzieningenrechter heeft deze vraag
uiteindelijk negatief beantwoord.
De feiten
Op 14 juni 2007 heeft de Dienst Stadstoezicht - een onderdeel van
de Gemeente Amsterdam, dat onder andere als taak heeft het houden
van toezicht op het parkeren van auto's in Amsterdam - de OR om
advies gevraagd over het voorgenomen besluit tot bezuiniging en
reorganisatie. Met de reorganisatie beoogde de Dienst Stadstoezicht
een kleine honderd arbeidsplaatsen te laten vervallen. In het kader
van deze reorganisatie heeft de Dienst Stadstoezicht een sociaal
plan opgesteld. Hierin is een procedure voor het plaatsen van
medewerkers in de nieuwe organisatie opgenomen. Deze
plaatsingsprocedure komt er in de kern op neer dat 'de functies in
de nieuwe organisatie worden vervuld door kwaliteit'.
De betrokken vakbonden zijn niet akkoord gegaan met het sociaal
plan, omdat zij het niet eens waren met een plaatsingsselectie op
basis van kwaliteit.
De OR is van mening dat de beoogde plaatsingsprocedure
instemmingsplichtig is, omdat het hier gaat om een voorgenomen
besluit betrekkelijk tot een regeling op het gebied van het
aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid (als bedoeld in
artikel 27 lid 1 onderdeel e WOR). Nu de Dienst Stadstoezicht geen
overeenstemming met de vakbonden heeft bereikt over het sociaal
plan, meent de OR dat hem het instemmingsrecht (alsnog) toekomt.
Als reactie hierop heeft de Dienst Stadstoezicht de OR bericht dat
zij hem niet om instemming zal verzoeken. Daarop heeft de OR de
Voorzieningenrechter te Amsterdam verzocht de uitvoering van het
besluit om in de reorganisatie bij de plaatsing van medewerkers het
criterium kwaliteit toe te passen, te schorsen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een - uitsluitend voor
één reorganisatie in het leven geroepen - sociaal plan, zoals in
dit geval, geen regeling op het gebied van het aanstellings-,
ontslag- of bevorderingsbeleid betreft en dus niet
instemmingsplichtig is. Volgens de voorzieningenrechter is dit niet
anders indien de ondernemer en de betrokken vakbonden (daaraan
voorafgaand) niet eenstemmig zijn geworden over de inhoud van het
sociaal plan. De voorzieningenrechter wijst het schorsingsverzoek
van de OR daarom af. Wel oordeelt de voorzieningenrechter dat een
sociaal plan als onderdeel van een reorganisatiebesluit
adviesplichtig is (op grond van artikel 25 lid 3 WOR).
Conclusie
Uit het oordeel van de voorzieningenrechter volgt in bredere zin
dat een - enkel voor een bepaalde reorganisatie opgesteld - sociaal
plan juist vanwege het incidentele karakter hiervan niet
instemmingsplichtig is. Een sociaal plan valt als onderdeel van een
reorganisatiebesluit daarentegen wel onder het bereik van het
wettelijk geregelde adviesrecht.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Medezeggenschap kan in het kader van een reorganisatie
verplicht zijn, ook als er geen OR is ingesteld
Een notariskantoor verkeert door een sterk teruglopende
omzet in ernstige financiële problemen. Besloten wordt om te
reorganiseren, waarbij voor 15 van de 60 werknemers een
ontslagvergunning wordt aangevraagd bij het UWV Werkbedrijf. Omdat
bij het notariskantoor nooit een OR is ingesteld, is over het
voorgenomen besluit tot reorganisatie geen advies
gevraagd.
Een aantal van de werknemers vordert in kort geding alsnog de
instelling van een ondernemingraad in combinatie met een verbod om
de reorganisatie door te voeren voordat de OR in de gelegenheid is
gesteld daarover advies uit te brengen.
Het notariskantoor erkent wettelijk gezien al sinds 2004 verplicht
te zijn tot instelling van een OR, aangezien er sinds die tijd meer
dan 50 werknemers bij haar werkzaam zijn. Tot het moment van de
reorganisatie had echter nog nooit een werknemer aangegeven
behoefte aan een OR te hebben. Indien het notariskantoor zou worden
verplicht te wachten met het doorvoeren van de reorganisatie tot na
het uitbrengen van het advies van een nog in te stellen OR, zou de
noodzakelijke reorganisatie een onverantwoorde vertraging oplopen,
met nog meer ontslagen en misschien wel de deconfiture van het
gehele kantoor als gevolg.
Het oordeel van Kantonrechter Zutphen
De kantonrechter acht het aannemelijk dat een onverkorte
toewijzing van de vordering van de werknemers het notariskantoor -
gezien de forse maandelijkse verliezen, zonder uitzicht op
verbetering - in ernstige problemen zou brengen. Het feit dat de
werknemers tot voor kort niet hadden aangegeven behoefte te hebben
aan een OR, doet echter niet af aan de wettelijke verplichting van
het notariskantoor tot het instellen van een OR. Wel leidt de
kantonrechter daaruit af, dat de behoefte aan medezeggenschap van
de werknemers vooral ziet op het voorliggende reorganisatiebesluit.
Een belangenafweging leidt vervolgens tot het oordeel van de
kantonrechter, dat kan worden volstaan met een minder vergaande
voorziening op het gebied van de medezeggenschap, bestaande uit het
opleggen van de verplichting tot het houden van een
personeelsvergadering. Het notariskantoor wordt verboden om de
reorganisatie voort te zetten, alvorens hij een door hem bijeen te
roepen personeelsvergadering heeft geconsulteerd.
Conclusie
Het is oppassen geblazen voor ondernemers die van plan zijn te
reorganiseren. Uit het feit dat bij hen geen OR aanwezig is wegens
een gebrek aan animo onder het personeel, kan niet worden afgeleid
dat werknemers ter zake geen medezeggenschapsrechten kunnen
uitoefenen.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Tijdregistratiesysteem:
Big Brother is watching?
KLM wenst over te gaan tot de invoering van een nieuw
tijdregistratiesysteem voor één van haar bedrijfsonderdelen. KLM
stelt zich daarbij op het standpunt dat het huidige
activiteitenregistratiesysteem niet meer voldoet aan de normen van
deze tijd. De Ondernemingsraad weigert instemming. KLM stapt naar
de rechter voor vervangende toestemming.
Feiten
VO-H, een nieuw onderdeel binnen KLM, verricht
onderhoudsactiviteiten aan eigen vliegtuigen en die van derden. Het
onderhoud wordt verricht in verschillende hangars. Het inplannen
van onderhoud vindt plaats aan de hand van taakkaarten. De planning
van een totale onderhoudsbeurt wordt gemaakt aan de hand van de
voorcalculatie van de Cost Engineer. In juli 2007 heeft KLM de
Ondernemingsraad (OR) verzocht in te stemmen met het voorgenomen
besluit tot ingebruikneming van een geautomatiseerd systeem van
activiteitenregistratie (registratie van de feitelijke duur van
onderhoudsactiviteiten door medewerkers). In september 2007 weigert
de OR zijn instemming. Het voornaamste bezwaar vanuit de OR is dat,
indien er wordt overgegaan tot invoering van het voorgestelde
tijdregistratiesysteem, de tijdregistratie te herleiden is tot
individuele medewerkers. De OR stelt dat de tijdsverantwoording in
de door KLM voorgenomen vorm zich derhalve niet verhoudt tot de Wet
Bescherming Persoonsgegevens.
Bedrijfscommissie
Partijen leggen de zaak vervolgens aan de
Bedrijfscommissie voor, die op haar beurt een mediator voorstelt.
Nadat de voorgestelde bemiddeling door een mediator niet tot een
voor beide partijen bevredigend resultaat heeft geleid, stapt KLM
naar de kantonrechter voor vervangende toestemming.
Standpunten
KLM stelt dat het doel van het nieuwe registratiesysteem
is om een beter inzicht te krijgen in de tijd die nodig is voor
onderhoud en reparatie. Met de invoering van het nieuwe systeem is
het mogelijk om een goede kostprijscalculatie te maken en de
voortgang beter te bewaken. Ter invoering van het nieuwe
geautomatiseerde systeem dient het personeel zich persoonlijk te
registreren. Vanaf dan kan het doen en laten van het personeel
(inderdaad) online gevolgd worden. Daar wringt volgens de OR de
schoen. Het nieuwe systeem kan namelijk, volgens de OR, gebruikt
worden om personeel te schaduwen en de mogelijkheid bestaat dat zij
de normtijd terugzien bij hun beoordelingsgesprek. Ondanks dat de
KLM een gedragscode heeft opgesteld waarin extra waarborgen voor
het personeel opgenomen zijn, blijft de OR van mening dat er geen
(vervangende) instemming aan het voorgenomen besluit dient te
worden gegeven.
Kantonrechter
De Kantonrechter Amsterdam is van mening dat het huidige
systeem inderdaad achterhaald is en dat KLM er mede door haar
concurrentiepositie belang bij heeft dat haar registratiesysteem
voldoet aan de eisen van deze tijd. Ook is de kantonrechter het met
KLM eens dat de mogelijkheid om het systeem anoniem in te voeren
geen optie is. Immers, controle op de naleving is noodzakelijk en
bij anonimiseren is controle niet goed uitvoerbaar. De
kantonrechter is het gedeeltelijk met de OR eens dat de vrees voor
personele consequenties niet geheel onterecht is. De kantonrechter
vindt echter dat de geboden gedragscodes voldoende garanties bieden
tegen 'misbruik'. Doordat de gedragscodes in de
handhavingwaarborgen zijn opgenomen en zo nodig in rechte
afdwingbaar zijn is de kantonrechter van mening dat de KLM aan het
belangrijkste argument van de OR tegemoet is gekomen. Kortom, de
kantonrechter vindt de argumenten voor het invoeren van het nieuwe
tijdsregistratiesysteem door KLM zwaarder wegen dan de argumenten
van de OR. De kantonrechter verleent dan ook vervangende
toestemming en beslist hiermee dat de weigering voor de instemming
onredelijk is.
Tot slot
De Wet op de Ondernemingsraden (WOR) bepaalt expliciet dat
de OR instemming dient te verlenen aan besluiten die zien op
personeelscontrolesystemen. De ratio hierachter is evident. Immers,
het 'volgen' van personeel raakt de schending van privacy en de
gevolgen voor het personeel kunnen verstrekkend zijn. Deze
uitspraak is in die zin dan ook opmerkelijk. Ondanks expliciete
weigering van de OR krijgt KLM, na verleende toestemming van de
kantonrechter, de mogelijkheid om een tijdregistratiesysteem in te
voeren. De kantonrechter heeft de belangenafweging in het voordeel
van KLM laten uitvallen, waarbij expliciet geoordeeld is dat er
voldoende waarborgen zijn gegeven om 'misbruik' tegen te gaan.
Desalniettemin, bij VO-H geldt sinds kort: Big brother is
watching!
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Doktersbezoek
tijdens werktijd: instemmingsplichtig?
Er is wettelijk niet of nauwelijks iets geregeld voor de situatie
waarin de werknemer tijdens werktijd een bezoek wil afleggen aan
een arts, tandarts, fysiotherapeut, specialist, etc. In ieder geval
bestaat geen verplichting voor een werkgever om loon door te
betalen indien een werknemer zijn werk niet verricht omwille van
een dergelijk bezoek. Werkgevers zijn echter geneigd in dergelijke
gevallen coulance te betrachten en de werknemer betaald verlof te
verlenen. Maar wat nu indien de werkgever doktersbezoek e.d.
tijdens werktijd wil reguleren? Is een besluit met betrekking tot
een dergelijke regulering instemmingsplichtig? Hierover heeft de
Kantonrechter Rotterdam zich recent gebogen.
De feiten
Bij de werkgever in kwestie was niets geregeld met
betrekking tot bezoeken aan (para)medici tijdens werktijd. In de
praktijk van alle dag pakte dit als volgt uit. Wanneer een
werknemer tijdens werktijd een arts wenst te bezoeken vraagt hij of
zij aan de leidinggevende om hem/haar verlof van korte duur te
verlenen. Door de leidinggevende wordt een dergelijk verzoek in het
algemeen ingewilligd, zelfs als het bezoek aan (bijvoorbeeld) de
huisarts of de tandarts midden op de dag is gepland. Om aan het
misbruik van de bereidwilligheid van leidinggevenden een eind te
maken, besluit de werkgever een eenduidige instructie uit te
vaardigen met betrekking tot het bezoek aan artsen tijdens
werktijden. Deze instructie richt zich tot de leidinggevende
(degene die tot het verlenen van verlof bevoegd zijn) en dient door
hen in acht genomen te worden bij de beoordeling van voornoemde
verzoeken. Deze instructie zal hierna worden aangeduid als "het
besluit".
De Ondernemingsraad (OR) stelt zich op het standpunt dat het
uitvaardigen van de instructie aangemerkt dient te worden als een
instemmingsplichtig besluit op grond van artikel 27 lid 1 WOR.
Daartoe voert de OR enerzijds aan dat het besluit ertoe leidt dat
het kort verzuim voor het bezoek aan artsen niet meer als
arbeidstijd wordt gezien en/of in mindering wordt gebracht op het
vakantie-/verloftegoed en/of salaris. Anderzijds stelt de OR dat
het besluit ertoe leidt dat het bestaande arbeidsomstandigheden- en
ziekteverzuimbeleid wijzigingen ondergaat. Nu de OR aan het besluit
geen instemming heeft verleend stelt de OR zich op het standpunt
dat aan het besluit geen uitvoering mag worden gegeven.
De kantonrechter
De Kantonrechter heeft allereerst de vraag te beantwoorden of
sprake is van een besluit tot vaststelling of wijziging van een
arbeids- en rusttijdenregeling of een vakantieregeling. De
kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar het oordeel
van de kantonrechter wordt onder "Arbeids- en rusttijdenregeling"
gewoonlijk begrepen een regeling waarbij vastgesteld wordt op welke
uren op welke uren gepauzeerd wordt. Dit is naar het oordeel van de
kantonrechter in deze kwestie niet aan de orde. Ook is er geen
sprake van een wijziging van de vakantieregeling, nu die bepaalt
wanneer en hoe vakantiedagen opgenomen kunnen worden, of de periode
waarin dat kan gebeuren.
Vervolgens oordeelt de kantonrechter of het besluit een regeling op
het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het
re-integratiebeleid betreft. Ook deze vraag beantwoordt de
kantonrechter ontkennend. Bij zijn antwoord verwijst de
kantonrechter naar de Holland Casino uitspraak waarin de HR heeft
geoordeeld dat slechts gekeken dient te worden naar de bedoeling
van de werkgever en niet op de mogelijke gevolgen van de regeling.
Volgens de kantonrechter heeft de werkgever met het bestreden
besluit niets willen regelen inzake arbeidsomstandigheden of
re-integratiebeleid. Het besluit heeft evenmin ten doel
ziekteverzuim terug te dringen of iets te veranderen aan het
verzuimreglement. Dat doktersbezoek in sommige gevallen
mogelijkerwijs tot gevolg kan hebben dat ziekteverzuim daardoor
voorkomen of beperkt wordt, betekent niet dat het doel van het
bestreden besluit gericht is op het vaststellen, wijzigen of
intrekken van een regeling op het gebied van ziekteverzuim. Doel
van het besluit is slechts om een richtlijn te bieden aan de hand
waarvan leidinggevenden kunnen beslissen op verzoeken met
betrekking tot kort verlof wegens bezoek aan huisarts, tandarts,
fysiotherapeut, specialist, etc.
Commentaar
Wij zijn van oordeel dat in algemene zin van een werknemer
mag worden verwacht dat het bezoek aan een arts, e.d. buiten
werktijd plaatsvindt. Het gaat immers om privézaken waar de
werkgever niets mee van doen heeft. Dat werknemers een
doktersbezoek zo gunstig mogelijk (dat wil zeggen zonder dat de
werkzaamheden er onder leiden) dienen te plannen vloeit ondermeer
voort uit het beginsel van goed werknemerschap. In beginsel kan en
mag een werkgever weigeren om toestemming te verlenen aan een
verzoek om een dokter tijdens werktijd te bezoeken. In veel
gevallen wordt de toestemming echter wel verleend, doch dit is
enkel gebaseerd op coulance aan de zijde van de werkgever dan wel
goed werkgeverschap. De richtlijn die de werkgever in kwestie had
uitgevaardigd is niets meer of minder dan het creëren van
duidelijkheid binnen de onderneming over doktersbezoeken tijdens
werktijd. Naar onze mening geeft de werkgever hiermee een concreet
en eenduidige invulling aan de beleidsvrijheid die zij op dat
moment ook al had. Een dergelijke instructie kan niet worden gezien
als een instemmingsplichtig besluit. De kantonrechter deelt aldus
dit standpunt met ons.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Een besluit is kennelijk onredelijk, maar er worden geen
voorzieningen getroffen
Als de Ondernemingskamer (OK) vindt dat een ondernemer in
redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, kan de OK de
ondernemer verplichten zijn besluit in te trekken en de gevolgen
geheel of ten dele ongedaan te maken. In bijzondere omstandigheden
legt de OK een dergelijke verplichting niet op.
De stichting Ambulance Oost vraagt de ondernemingsraad eind
november 2007 advies met betrekking tot een zogenaamd
Financieel Maatwerk Plan (FMWP). Omdat er nog te veel
onduidelijkheden zouden zijn, brengt de OR in april 2008 slechts
een beperkt advies uit en adviseert hij de ondernemer te
zijner tijd nader advies te vragen. Op 12 september maakt de
ondernemer een besluit kenbaar, waarover de ondernemingsraad het
eerder genoemde nadere adviesrecht claimt.
De OK stelt de OR in het gelijk; de ondernemer had om een (nader)
advies moeten vragen. Nu hij dat heeft nagelaten is zijn besluit
kennelijk onredelijk. Dit is overigens in lijn met talrijke eerdere
uitspraken van de OK: ten onrechte geen advies gevraagd, maakt het
besluit min of meer per definitie kennelijk onredelijk.
In het algemeen zal de OK, als hij oordeelt dat een besluit
kennelijk onredelijk is, de ondernemer verplichten het besluit in
te trekken en de gevolgen ongedaan te maken. Bij dit laatste
blijven inmiddels verworven rechten van derden onaangetast, met
name indien die zijn ontstaan na afloop van de opschortingtermijn
van dertig dagen die de ondernemer in acht heeft te nemen als zijn
definitieve besluit afwijkt van het advies. In het onderhavige
geval wijkt de OK van die lijn af. Hij treft geen voorzieningen,
omdat (1) de ondernemer onder grote tijdsdruk stond en (2) het
besluit inhoudelijk niet kennelijk onredelijk was.
Er zijn andere gevallen bekend waarin de OK een besluit wel
kennelijk onredelijk vindt, maar desondanks geen voorzieningen
treft. Daarbij is in het algemeen sprake van bijzondere
omstandigheden. Een goed voorbeeld is dat van een verpleegtehuis,
waar de directie geen advies had gevraagd over een reorganisatie.
Toen de OK zich over het besluit uit moest spreken, had als
uitvloeisel van het besluit inmiddels een grote interne verhuizing
van patiënten plaats gevonden. De OK vond dat hun belangen ernstig
geschaad zouden worden als die verhuizing terug gedraaid zou
(moeten) worden, en liet de uitvoering van het besluit daarom
ongemoeid.
Men bedenke zich echter goed: géén ongedaanmaking is de
uitzondering die de regel van de ongedaanmaking bevestigt. Het ten
onrechte niet vragen van advies is dus bepaald niet zonder
risico's.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Mede-ondernemerschap en geldleningsovereenkomst
adviesplichtig?
In een door de twee ondernemingsraden aanhangig gemaakte procedure
bij de Ondernemingskamer (OK) oordeelt de OK dat geen sprake is van
mede-ondernemerschap en tevens dat de ondernemingsraden geen belang
hebben bij honorering van hun verzoek aangezien de
geldleningsovereenkomst inmiddels was beëindigd.
Feiten
De NRE-groep houdt zich bezig met de exploitatie van
energienetwerken en energielevering. In 2006 werden Obergas Neth
B.V. (ObN) en Net Beheer Haarlemmermeer (NetH) aan de groep
toegevoegd. De gemeente Eindhoven, de aandeelhouder van NRE Holding
N.V., en de private vennootschap MEIF waren voornemens deze
bedrijven over te nemen door middel van een holdingstructuur,
waarin de gemeente Eindhoven voor 51% zou deelnemen en MEIF voor
49%. De overnameplannen en bijbehorende financieringsplannen heeft
RWE voorgelegd aan de ondernemingsraden van ObN en NetH. In het
najaar van 2006 bleek dat de overheid niet zou toestaan dat private
partijen aandeelhouder zijn van vennootschappen die
netwerkbedrijven exploiteren. Om die reden is gekozen voor een
andere financieringstructuur waarbij Participations B.V. is
opgericht. Deze vennootschap houdt 100% van de aandelen in de
groep. De gemeente Eindhoven wordt 100% aandeelhouder van
Participations B.V. en vooruitlopend op de wettelijke mogelijkheid
om een private partij bij de vennootschap te betrekken, wordt de
verhouding tussen de gemeente Eindhoven, Participations B.V. en
MEIF beheerst door een zogenaamde Convertible Subordinated Facility
Agreement (CLA). Met deze overeenkomst wordt MEIF zoveel mogelijk
in een vergelijkbare positie als een aandeelhouder gebracht, nu aan
de overeenkomst ook zeggenschapsrechten voor MEIF zijn verbonden.
In augustus 2008 wordt deze CLA weer beëindigd. Om aan de afkoopsom
van de CLA te voldoen, moet vervolgens een nieuwe lening ter waarde
van € 60 miljoen worden verstrekt door de gemeente Eindhoven aan
MEIF.
Standpunt OR
De ondernemingsraden van ObN en NetH stellen ten aanzien
van beide leningsovereenkomsten beroep in bij de OK. Naar hun
oordeel dienen beide besluiten over de geldleningsovereenkomsten
kennelijk onredelijk te worden beoordeeld nu daarover geen advies
is gevraagd.
Oordeel OK
Met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de CLA
overweegt de OK dat de ondernemingsraden geen belang hebben bij
honorering van het verzoek nu deze overeenkomst reeds is beëindigd.
Bovendien is niet gebleken dat er bezwaren bestonden tegen een met
de CLA materieel overeenkomend aandeelhouderschap van MEIF in
Participations B.V. Ten aanzien van het tweede verzoek voeren de
verschillende groepsmaatschappijen aan dat de ondernemingsraden van
ObN en NetH niet ontvankelijk zijn nu zij niet zijn aan te merken
als ondernemer of mede-ondernemer. De gemeente Eindhoven heeft zich
tevens op het standpunt gesteld dat de afspraken waartegen wordt
geageerd geen adviesplichtig besluit betreffen en overigens ook
geen inhoudelijke en materiële wijziging hebben gebracht binnen de
ondernemingen waarvoor de ondernemingsraden zijn ingesteld. De OK
onderschrijft de zienswijze van de gemeente Eindhoven en wijst de
verzoeken van de ondernemingsraden af.
Commentaar
Ondernemingen worden steeds vaker gefinancierd met vreemd
vermogen, waardoor de schulden- en rentelast de winst van een
vennootschap overstijgt en de continuïteit van een onderneming
wordt bedreigd. Voor het bewaken van het belang van de onderneming
bij de financiering kan een rol weg gelegd zijn voor de OR die een
adviesrecht heeft ten aanzien van het aantrekken van een belangrijk
krediet. Dit recht heeft nog niet tot veel jurisprudentie geleid.
Deze uitspraak van de OK biedt aanknopingspunten voor een
beschouwing over de rol van de OR bij de financiering van de
onderneming. De eerste geldlening, de CLA, betrof een in aandelen
converteerbare lening. Dit is een lening die op het
aflossingsmoment of een eerder tijdstip omgezet kan worden in
aandelen. Het voordeel daarvan is dat de rente vaak lager is dan
bij een gewone lening. Nadat deze overeenkomst werd beëindigd, werd
met de gemeente Eindhoven een nieuwe lening gesloten om de schulden
voortvloeiend uit de eerste overeenkomst aan MEIF te kunnen
betalen. De OK komt in deze zaak helaas niet toe aan de
beantwoording van de vraag of het aangaan van overeenkomsten van
geldlening adviesplichtig is. Dit zal steeds afhangen van de vraag
of het besluit "belangrijk" is. Of dit het geval is, hangt af van
de omstandigheden, zoals de rentelast, de zekerheden die voor de
lening moeten worden verstrekt en eventuele aan de lening
gekoppelde zeggenschapsrechten. Het aantrekken van een belangrijk
krediet, zoals opgenomen in artikel 25 WOR ziet niet alleen op het
aantrekken van een belangrijk krediet bij een derde zoals de bank,
maar ook op een belangrijke emissie van aandelen of een
aandeelhouderslening. Dit was het geval bij de tweede lening in de
bovengenoemde uitspraak.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Een op handen zijnde reorganisatie? Medezeggenschap kan
verplicht zijn, ook al is geen ondernemingsraad
aanwezig.
Casus
Een notariskantoor verkeert door een sterk
teruglopende omzet in ernstige financiële problemen. Besloten wordt
om te reorganiseren, waarbij voor 15 van de 60 werknemers een
ontslagvergunning wordt aangevraagd bij het UWV Werkbedrijf. Omdat
bij het notariskantoor geen ondernemingsraad aanwezig is, is over
het voorgenomen besluit tot reorganisatie geen advies
gevraagd.
Vordering van de werknemers
Een aantal van de werknemers vordert in kort geding alsnog
de instelling van een ondernemingraad, als mede een verbod om de
reorganisatie door te voeren voordat de ondernemingsraad in de
gelegenheid is gesteld daarover advies uit te brengen.
Verweer van de ondernemer
Het notariskantoor erkent wettelijk gezien al sinds 2004
verplicht te zijn tot instelling van een ondernemingsraad,
aangezien er sinds die tijd meer dan 50 werknemers bij haar
werkzaam zijn. Tot het moment van de reorganisatie had echter nog
nooit een werknemer aangegeven behoefte aan een ondernemingsraad te
hebben. Indien het notariskantoor zou worden verplicht te wachten
met het doorvoeren van de reorganisatie tot na het uitbrengen van
het advies van een op dat moment nog in te stellen
ondernemingsraad, zou dit proces een onverantwoorde vertraging
oplopen, met nog meer ontslagen en misschien wel de deconfiture van
het gehele kantoor als gevolg.
Het oordeel van Kantonrechter Zutphen
De kantonrechter acht het aannemelijk dat een onverkorte
toewijzing van de vordering van de werknemers het notariskantoor -
gezien de forse maandelijkse verliezen, zonder uitzicht op
verbetering - in ernstige problemen zou brengen. Het feit dat de
werknemers tot voor kort niet hadden aangegeven behoefte te hebben
aan een ondernemingsraad, doet echter niet af aan de wettelijke
verplichting van het notariskantoor tot het instellen van een
ondernemingsraad. Wel leidt de kantonrechter daaruit af, dat de
behoefte aan medezeggenschap van de werknemers vooral ziet op het
voorliggende reorganisatiebesluit.
Een belangenafweging leidt vervolgens tot het oordeel van de
kantonrechter, dat kan worden volstaan met een minder vergaande
voorziening op het gebied van de medezeggenschap, bestaande uit het
houden van een personeelsvergadering. Het notariskantoor wordt
verboden om de reorganisatiehandelingen voort te zetten, alvorens
hij een door hem bijeen te roepen personeelsvergadering heeft
geïnformeerd over het voorgenomen besluit en in de gelegenheid
heeft gesteld ter zake advies uit te brengen.
Tip
Het is oppassen geblazen voor ondernemers die van plan
zijn te reorganiseren. Uit het feit dat bij hen geen
ondernemingsraad aanwezig is wegens een gebrek aan animo onder het
personeel, kan niet worden afgeleid dat werknemers ter zake geen
medezeggenschapsrechten kunnen uitoefenen. Heeft de reorganisatie
gevolgen voor ten minste een vierde deel van het personeel, dan is
het om die reden raadzaam om tijdig - dus nog voordat een begin van
uitvoering ten aanzien van de reorganisatie wordt gemaakt - een
personeelsvergadering te organiseren, en het personeel daarbij te
informeren over de reorganisatie, alsmede over de motieven daarvoor
en de personele gevolgen daarvan en de naar aanleiding daarvan te
treffen maatregelen. Vervolgens dient de personeelsvergadering een
redelijke termijn te worden geboden om ter zake advies uit te
brengen.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Spreekrecht OR in
algemene vergadering
Op 27 februari 2009 is bij de Tweede Kamer een
wetsvoorstel ingediend dat de ondernemingsraad (OR) het recht geeft
zijn standpunt kenbaar te maken ten aanzien van belangrijke
bestuursbesluiten en besluiten van de algemene vergadering tot
benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen,
alsmede ten aanzien van het bezoldigingsbeleid.
Het wetsvoorstel is van toepassing op alle - dus niet beperkt tot
beursgenoteerde - NV's. Het geeft de OR het recht een standpunt te
bepalen met betrekking tot voornoemde besluiten en dit in de
aandeelhoudersvergadering toe te lichten. Dit laatste brengt met
zich dat de OR ook het recht krijgt tot het bijwonen van dat
gedeelte van de aandeelhoudersvergadering waarin agendapunten aan
de orde komen die samenhangen met besluiten ten aanzien waarvan de
OR het recht heeft zijn standpunt te bepalen.
De ondernemingsraden van NV's die onder het wettelijk
structuurregime vallen, zijn evenwel uitgesloten van het
spreekrecht daar waar het de benoeming, de schorsing of het ontslag
van bestuurders dan wel de schorsing of het ontslag van
commissarissen betreft. In die gevallen is namelijk geen sprake van
een besluit van de algemene vergadering of geldt een bijzondere
procedure waarbinnen de positie van de OR geen versterking
behoeft.
Het ingediende wetsvoorstel bevat geen verplichting voor de
vennootschap of de aandeelhouder(s) om het standpunt van de OR over
te nemen, noch om een verwerping van het standpunt van de OR te
motiveren.
Het spreekrecht van de OR moet niet worden gezien als een
adviesrecht in de zin van artikel 25 e.v. van de Wet op de
ondernemingsraden.
Het kabinet is van mening dat een spreekrecht van de OR in de
aandeelhoudersvergadering ertoe kan bijdragen dat de belangen van
de werknemers door de aandeelhoudersvergadering voldoende worden
meegewogen in haar besluitvorming en daarmee kan bijdragen aan een
versterking van de positie van werknemers.
Uiteraard houden wij u via deze nieuwsbrief op de hoogte van de
ontwikkelingen op dit gebied.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Schriftelijk
of mondeling, niet bepaald hetzelfde
Indien een ondernemer een besluit neemt dat afwijkt van
het advies van de ondernemingsraad, kan de ondernemingsraad
daartegen beroep instellen bij de Ondernemingskamer. Dat moet
gebeuren binnen een maand nadat de raad van dat besluit in kennis
is gesteld. Maakt het nu uit of dat in kennis stellen mondeling dan
wel schriftelijk gebeurt?
De feiten
TNT Fashion houdt een onderneming in stand die zich toelegt op
transport en logistiek voor de fashion en lifestyle industrie. Zij
heeft veertien vestigingen in Nederland, waaronder een in Helmond,
waar eind 2006 zestien personen werkzaam waren, van wie acht op de
expeditieafdeling. In de loop van 2006 was tussen de bestuurder en
de ondernemingsraad enige malen aan de orde geweest dat TNT Fashion
voornemens was activiteiten te centraliseren. In dat kader zou de
expeditieafdeling te Helmond wellicht gesloten gaan worden.
Nadat vijf van de acht werknemers van de expeditieafdeling begin
2007 te kennen had gegeven ontslag te nemen resp. gebruik te gaan
maken van de prepensioenregeling, besloot TNT Fashion de
expeditieactiviteiten van Helmond te verplaatsen naar Oldenzaal.
Bij brief van 25 januari verzocht zij het CWI haar toestemming te
verlenen de arbeidsovereenkomsten met de drie nog in dienst zijnde
medewerkers van de expeditieafdeling te beëindigen. Op 26 januari
zijn de betrokken 2007 drie werknemers van het besluit in kennis
gesteld, eveneens op 26 januari is de voorzitter van de
ondernemingsraad telefonisch geïnformeerd.
De advocaat van de OR laat bij brief van 13 maart 2007 aan de
bestuurder weten dat de OR zich niet met het besluit tot
verplaatsing van de expeditieactiviteiten van de vestiging te
Helmond kan verenigen nu dit besluit niet voordat het was genomen
aan de OR ter advisering was voorgelegd. Omdat TNT Fashion
niet van zins is het besluit in te trekken en alsnog ter instemming
aan de ondernemingsraad voor te leggen, dient de ondernemingsraad
een beroepschrift in bij de Ondernemingskamer.
Het verweer van de ondernemer TNT Fashion vindt dat het verzoek van
de OR alleen al moet worden afgewezen, omdat het te laat is
ingediend. De wet bepaalt immers dat het beroep moet worden
ingesteld 'binnen een maand nadat de OR van het …
besluit in kennis is gestel'. Welnu, zo stelt TNT Fashion, de OR
was al in 2006 met de (voorgenomen) verplaatsing bekend. Bovendien
heeft de bestuurder de voorzitter van de OR daar op 26 januari
2007 nog eens telefonisch van in kennis gesteld.
Het oordeel van de OK
De OK verwerpt het betoog van TNT Fashion. Volgens de OK
is de dag waarop de OR schriftelijk van het besluit in kennis
gesteld bepalend voor de aanvang van de maand waarbinnen het beroep
moet worden ingesteld. De achtergrond van deze strenge maatstaf is
dat daarmee onzekerheid wordt vermeden over de vraag of in enig
geval een besluit is genomen, en zo ja, wat dat besluit dan precies
inhoudt. Dit betekent dat de OR, zelfs als al meer dan een jaar is
verstreken sinds een besluit is genomen, nog bij de OK terecht kan,
met alle onzekerheid van dien.
Hoewel de OK daar op zich niet meer aan toekwam, is ook de vraag
nog interessant of de telefonische mededeling aan de voorzitter van
de OR, heeft te gelden als een mededeling aan de OR. Wij vrezen dat
dat niet het geval is, en dat de OK zo'n telefoontje niet gelijk
stelt met een aan de ondernemingsraad gerichte brief. Het gaat er
om of de OR als geheel van de mededeling kennis kan nemen, en
dat is bij een telefoontje toch iets anders dan bij een
brief.
Kortom, geef u rekenschap van hoe u meedeelt en aan wie u meedeelt.
Uw keus kan vergaande consequenties hebben.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Concept sociaal plan
voldoende
In een door de Ondernemingsraad (OR) aanhangig
gemaakte procedure bij de Ondernemingskamer (OK) oordeelt de OK dat
het besluit van de onderneming om de vestiging in Amersfoort te
sluiten en alle activiteiten te verhuizen naar de andere vestiging
in Amsterdam niet kennelijk onredelijk is. Naar het oordeel van de
OK is duidelijk dat de ondernemer in de besprekingen over het
sociaal plan op een zorgvuldige manier rekening houdt met de
belangen van de werknemers voor wie de verhuizing gevolgen zal
hebben.
Feiten
Albemarle heeft twee vestigingen in Nederland, één in
Amsterdam en één in Amersfoort. De ondernemer verzoekt de OR om
advies over het voorgenomen besluit tot sluiting van de vestiging
in Amersfoort en verhuizing van alle activiteiten naar Amsterdam.
De OR heeft nadere informatie gevraagd die de ondernemer vervolgens
heeft verschaft. Tussen de OR en de ondernemer is afgesproken dat
er een convenant zou worden gesloten over onder meer het
verplaatsen van werkgelegenheid van Amersfoort naar Amsterdam of
naar de vestiging in België.
De OR heeft vervolgens negatief advies uitgebracht. In zijn advies
stelt de OR een alternatief voor, namelijk dat de verhuizing
plaatsvindt in 2011, per het einde van de huurtermijn. De
ondernemer bericht de OR toch uitvoering te zullen geven aan het
voorgenomen besluit tot sluiting van de vestiging in Amersfoort per
begin 2009. De ondernemer verwerpt het alternatief, omdat daardoor
een kostenbesparing niet kan worden gerealiseerd.
Standpunt OR
De OR gaat in beroep bij de OK. Naar de opvatting van de
OR is Albemarle tekort geschoten in de naleving van haar
motiverings-, overleg- en informatieverplichtingen. De
adviesaanvraag is zeer summier en de aan de adviesaanvraag ten
grondslag liggende (financiële) gegevens ontbreken in het geheel of
worden niet met stukken gestaafd. Dit had des te meer voor de hand
gelegen nu Albemarle terugkomt op een eerder door haar in 2006
genomen besluit om niet te verhuizen, aldus de OR. Volgens de OR
heeft Albemarle onvoldoende gemotiveerd waarom zij het door de OR
geadviseerde alternatief om de samenvoeging van de twee locaties in
2011 te doen plaatsvinden niet heeft overgenomen.
De OR stelt ook dat Albemarle bij de afweging van de betrokken
belangen ook naar de inhoud genomen niet in redelijkheid tot haar
besluit heeft kunnen komen: de door Albemarle voorgespiegelde
kostenbesparingen ingeval van een verhuizing per begin 2009, kunnen
niet worden gerealiseerd en het geringe bedrijfseconomische
voordeel van een verhuizing op de door Albemarle voorgestelde korte
termijn staat niet in verhouding tot de problemen die voor de
werknemers daardoor ontstaan. Tot slot heeft de OR gesteld dat
Albemarle de gevolgen van het bestreden besluit voor de werknemers
onvoldoende heeft gewogen en dat het concept sociaal plan de
werknemers onvoldoende compensatie biedt voor de gevolgen van de
verhuizing.
Oordeel OK
De OK stelt allereerst vast dat, nu de OR met Albemarle
heeft afgesproken dat een convenant wordt gesloten inzake onder
meer het verplaatsen van werkgelegenheid van Amersfoort naar
onderscheidenlijk Amsterdam en België, deze kwestie geen onderdeel
is van het besluit waarop het verzoek van de OR aan de OK
betrekking heeft. De OK is van oordeel dat de adviesaanvraag
summier is, in het bijzonder wat betreft de kosten-batenanalyse en
overige financiële gegevens die aan het voorgenomen besluit ten
grondslag zijn gelegd. Die tekortkoming is volgens de OK echter
niet van dien aard dat op grond daarvan het besluit bij afweging
van de betrokken belangen als kennelijk onredelijk moet worden
aangemerkt. Daarbij neemt de OK in aanmerking dat de bestuurder
nadere informatie aan de OR heeft verstrekt en een aanvullende
toelichting heeft gegeven op de adviesaanvraag, alsook dat de OR in
zijn advies zelf te kennen heeft gegeven dat hij daarmee
gelegenheid heeft gekregen zich inhoudelijk een mening te
vormen.
Wat betreft de door de OR tegen het concept sociaal plan geuite
bezwaren, neemt de OK de inhoud van dat concept sociaal plan als
uitgangspunt. Gelet op de onder meer in dit concept sociaal plan
vervatte procesbeschrijving, verhuiskostenregeling en bepalingen
omtrent flexibele arbeidstijden, thuiswerken, reiskostenvergoeding
en reiscompensatie, is naar het oordeel van de OK duidelijk dat
Albemarle in de besprekingen over dat sociaal plan op een
zorgvuldige manier rekening houdt met de belangen van de werknemers
voor wie de verhuizing gevolgen zal hebben. Daarbij valt volgens de
OK betekenis toe te kennen aan het feit dat de besprekingen over
het sociaal plan met instemming van de OR met de vakbonden en niet
met de OR worden gevoerd en van bezwaren van de vakbonden niet is
gebleken. Verder is van belang dat Albemarle bij verschillende
gelegenheden heeft verklaard dat de werkgelegenheid behouden zal
blijven. Het besluit tot sluiting van de vestiging Amersfoort is
volgens de OK dan ook niet kennelijk onredelijk.
Commentaar
Het arrest van de OK laat zien dat een (te) summiere
adviesaanvraag kan worden gerepareerd door het (tijdig) verstrekken
van nadere informatie aan de OR en het geven van een aanvullende
schriftelijke toelichting. Het gaat erom of de OR uiteindelijk
voldoende informatie heeft gekregen om zich inhoudelijk een mening
te vormen over het voorgenomen besluit. Dit arrest van de OK is
vooral interessant, omdat de OK daarin expliciet een overweging
wijdt aan de rol van de vakbonden bij de onderhandelingen over een
sociaal plan. Indien de ondernemer die onderlinge onderhandelingen
over het sociaal plan voert met de vakbonden, is er geen speelveld
voor de OR. De OR kan bij zijn advisering wel rekening houden met
het oordeel van de vakbonden. De OR kan echter niet tot een
negatief advies komen uitsluitend op de grond dat het (concept)
sociaal plan onvoldoende wordt geacht.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
De
personele gevolgen: van later zorg of toch maar
nu?
Regelmatig verschijnen er uitspraken van de Ondernemingskamer
(OK) waarin niet zozeer het besluit centraal staat, maar de
gevolgen van het besluit. Dan gaat het bijvoorbeeld om de situatie
dat een ondernemer een advies 'op hoofdlijnen' vraagt met
betrekking tot het besluit, daarbij aangevende dat de
ondernemingsraad (OR)zich in een later stadium mag uitlaten over de
personele gevolgen en de wijze waarop daarin wordt voorzien. Een
mooi voorbeeld is een recente uitspraak van de OK.
Feiten
Een ondernemer die een laboratorium exploiteert dat werkzaamheden
verricht ten behoeve van de watersector, vat eind 2007 het plan op
te gaan fuseren met twee andere laboratoria. In februari 2008
vraagt hij de OR om advies 'op hoofdlijnen'. Een meer
gedetailleerde invulling en de personele gevolgen zullen, zo laat
de ondernemer weten, pas aan de orde komen als het fusiebesluit
definitief genomen is. De OR kan zich niet in die gang van zaken
vinden. Hij stelt nog geen advies te kunnen uitbrengen, ook niet
'op hoofdlijnen', nu niet is aangegeven wat de te verwachten
gevolgen zijn en wat de naar aanleiding daarvan te treffen
maatregelen zijn. De ondernemer neemt uiteindelijk eind juli een
besluit 'op hoofdlijnen', zonder het advies van de OR verder af te
wachten.
Oordeel OK
De OK stelt de OR in het gelijk. Een overzicht van de personele
gevolgen en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen
behoort deel uit te maken van de adviesaanvraag, ook als het gaat
om een voorgenomen besluit 'op hoofdlijnen'. Zij moeten (mede) een
rol kunnen spelen bij het oordeel van de OR over het voorgenomen
besluit. Wat de OK eigenlijk zegt is: hoe kan een OR zich
uitspreken over een ingrijpend besluit (een fusie, een
reorganisatie) als hij de personele gevolgen van dat besluit niet
kan overzien? In een uitspraak uit 2007 verwoordde de OK dit als
volgt: de OR mag zijn advies over het besluit mede laten afhangen
van de inhoud van de maatregelen die moeten voorzien in de
personele gevolgen, en de OR mag in dat kader toetsen of die
maatregelen redelijk zijn.
Commentaar
De ondernemer hoeft niet tot achter de komma nauwkeurig aan te
geven wat de personele gevolgen zijn. Vaak is dat ook lastig op
voorhand te zeggen; in de loop van een traject kunnen zich allerlei
ontwikkelingen voordoen die van invloed zijn op de personele
gevolgen. De wet biedt de ondernemer de helpende hand, nu hij
spreekt van de gevolgen die 'te verwachten' zijn. Een voorbeeld. De
ondernemer geeft in de adviesaanvraag met betrekking tot een
voorgenomen reorganisatie aan dat deze naar verwachting zal leiden
tot het ontslag van 25 werknemers. Als het uiteindelijke aantal
ontslagen gunstig uitvalt door een extra natuurlijk verloop, dan
hoeft de ondernemer vanzelfsprekend niet een aanvullende of
gewijzigde adviesaanvraag in te dienen.
De wet bepaalt niet op welke wijze de ondernemer moet aangeven hoe
hij in de personele gevolgen gaat voorzien. Zeker als een besluit
consequenties heeft voor een groot aantal personeelsleden, is het
echter gebruikelijk dat dat gebeurt door middel van sociaal plan
dat wordt overeengekomen met de vakbonden. Noodzakelijk is dat
laatste echter niet. De OR kan de onderhandelingen ook zelf voeren.
Laat de OR de onderhandelingen aan de bonden over, dan zal hij de
uitkomsten van die onderhandelingen echter weer wel moeten kunnen
betrekken bij zijn advies. Daarbij geldt dat de OK er voorshands
van uitgaat dat met een sociaal plan dat met de bonden is
afgesproken, op redelijke wijze is voorzien in de gevolgen.
Als geen overeenstemming wordt bereikt over een sociaal plan, dan
kan de ondernemer ervoor kiezen eenzijdig te bepalen hoe hij in de
gevolgen denkt te gaan voorzien. Vervolgens zal de OK toetsen of
hij daarmee binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven.
Omdat de uitkomst van die toets tot op zekere hoogte ongewis is
(zoals gezegd, bij een met de bonden afgesproken plan weet je in
het algemeen waar je aan toe bent), en omdat een goed sociaal plan
vaak als smeerolie fungeert om een moeilijk besluit 'er door te
krijgen' gaat in het algemeen echter de voorkeur van ondernemers
uit naar overeenstemming met de bonden over een sociaal plan.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Ondernemingsraad
voert met succes enquêteprocedure
In een door de Ondernemingsraad (OR) aanhangig gemaakte procedure
bij de Ondernemingskamer (OK) oordeelt de OK dat sprake is van
belangenverstrengeling aangezien de handelingen van de indirect
enig aandeelhouder strijdig zijn met de eerder gemaakte afspraken
dat de direct aandeelhouder op afstand van de bedijfsvoering zou
blijven en deze handelingen een aantasting van de continuïteit van
de onderneming zijn.
Feiten
Omniversum exploiteert een filmtheater. SMH, tevens bestuuder van
Omniversum, houdt alle aandelen in Omniversum. Sijthoff is indirect
enig aandeelhouder. In 2000 sluiten SMH en Lampe een
managementovereenkomst waarbij wordt overeengekomen dat SMH zich
tijdens de duur van die overeenkomst volledig zal onthouden van
bemoeienis met het bestuur. Lampe wordt benoemd tot bestuurder van
Oniversum. In januari 2007 gaat Sijthoff een overeenkomst aan met
WMZ. Deze overeenkomst bevat onder meer een verkoop vrij op naam
van het theatergebouw van Omniversum aan WMZ. Omniversum zal
vervolgens het gebouw huren. Een gedeelte van de koopsom zal WMZ
bij wijze van voorschot betalen aan Omniversum. Lampe wordt pas
eind april 2007 bekend met deze overeenkomst en komt erachter dat
het voorschot niet door Omniversum maar door Sijthoff is ontvangen.
Verder blijkt buiten zijn medeweten het belangrijkste activum van
Omniversum voor een substantieel te lage prijs aan WMZ te zijn
verkocht. Lampe vereist opheldering en volledige inzage in alle
relevante documenten. Een reactie blijft uit waarna Lampe SMH als
bestuurder laat uitschrijven. SMH neemt vervolgens een
aandeelhoudersbesluit om Lampe als bestuurder te ontslaan. De
samenwerkingsovereenkomst wordt met onmiddellijke ingang beëindigd
en Sijthoff wordt als bestuurder van Omniversum ingeschreven. Lampe
acht het besluit nietig en start een procedure. De rechter
veroordeelt SMH en Sijthoff om aan Lampe alle relevante informatie
te verstrekken, zich te onthouden van iedere bestuurs- en/of
rechtshandeling en medewerking te verlenen aan de inschrijving van
Lampe en uitschrijving van Sijthoff als bestuurder. In juni 2008
sluiten Omniversum (vertegenwoordigd door Lampe) en de OR een
overeenkomst waarbij aan de OR de bevoegdheid wordt toegekend om
een enquêteverzoek in te dienen. De OR dient in juli 2008 een
enquêteverzoek in bij de OK gecombineerd met een verzoek om
onmiddellijke voorzieningen.
Oordeel OK
De OK stelt allereerst vast dat Lampe nog steeds moet worden
beschouwd als de bestuurder van Omniversum. De handelingen van
Sijthoff zijn strijdig met de in 2000 gemaakte afspraken dat SMH op
afstand van de bedrijfsvoering zou blijven. Bovendien zijn deze
handelingen (potentieel) een aantasting van de continuïteit van
Omniversum. Er is dan ook sprake van belangenverstrengeling. Het
voorschot is deels aangewend voor betaling van privé-schulden van
Sijthoff en voor het overige ten goede gekomen aan andere
vennootschappen van Sijthoff. Dit geeft blijk van gegronde redenen
om aan een juist beleid te twijfelen. De OK schorst SMH als
bestuurder. De OK benoemt Lampe tot bestuurder voor het
(onwaarschijnlijke) geval dat hij rechtsgeldig als zodanig is
geschorst. De OK treft de voorziening dat de aandelen in Omniversum
ten titel van beheer worden overgedragen aan een onafhankelijke
derde. De behandeling van het verzoek tot het bevelen van een
onderzoek wordt aangehouden.
Commentaar
Het enquêterecht komt onder meer toe aan vakorganisaties maar kan
op grond van de wet ook worden toegekend aan degenen aan wie
daartoe bij de statuten met de rechtspersoon of bij overeenkomst de
bevoegdheid is toegekend. Dat kan dus het medezeggenschapsorgaan
zijn. Deze procedure is de derde procedure bij de OK waarin de OR
optreedt als verzoekende partij in de zin van het enquêterecht. De
OR kan ook als belanghebbende in een enquêteprocedure optreden
(denk aan de bekende Stork-zaak). Belangenverstrengeling is een
grond voor het gelasten van een onderzoek en vaak ook voor
onmiddellijke voorzieningen van de OK. Andere voorkomende gronden
zijn benadeling van minderheidsaandeelhouders en het bestaan van
een patstelling. De OK overwoog ook al eens dat het passeren van de
OR bij het verlenen van optierechten reden is tot het treffen van
onmiddellijke voorzieningen. De OK honoreerde in deze zaak van
Omniversum het verzoek om onmiddellijke voorzieningen en hield het
onderzoek tot het instellen van een onderzoek aan. Indien de OK
later wil overgaan tot het opleggen van definitieve voorzieningen
moet eerst een onderzoek worden verricht.
Ontwikkelingen
De vraag wordt regelmatig gesteld of de OR op grond van de wet
enquêtebevoegdheid moet worden toegekend. Daarover zijn de meningen
verdeeld. Het advies van de SER inzake Evenwichtig
Ondernemingsbestuur van 2008 meent van wel. Het kabinet heeft in
reactie op dat advies nog geen standpunt ingenomen. Zolang er geen
wettelijke basis is, kan in duidelijke situaties van
belangenverstrengeling een rol zijn weggelegd voor de OR, zeker
indien er geen betrokken vakorganisaties zijn om een
enquêteprocedure te starten (mits bij overeenkomst of statuten dat
recht is toegekend).
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Zorgvuldigheid
bij de adviesprocedure
Ook in die gevallen dat sprake is van een onverplicht gevraagd
advies, dient de zorgaanbieder de adviesprocedure met de
cliëntenraad zorgvuldig te laten verlopen. Dit brengt onder meer
met zich, dat hij met de cliëntenraad afspreekt binnen welke
termijn deze het advies dient uit te brengen.
Casus
In een GGz-instelling verschillen de cliëntenraad en de
zorgaanbieder van mening over de vraag of het voornemen om een
specifiek zorgproject te huisvesten in een gebouw waarin ook een
activiteitencentrum en een inloophuis zijn gehuisvest, onder het
adviesrecht van de cliëntenraad valt. Hoewel de zorgaanbieder de
cliëntenraad op diens aandringen om advies heeft gevraagd, stelt
hij zich op het standpunt dat de cliëntenraad officieel geen
adviesrecht ter zake toekomt*. De zorgaanbieder
heeft vervolgens het besluit genomen, zonder het advies van de
cliëntenraad af te wachten. De zorgaanbieder zei zich hiertoe door
tijdsdruk genoodzaakt te hebben gevoeld. De cliëntenraad - die van
mening was dat het besluit weldegelijk onder diens adviesrecht viel
- riep vervolgens de nietigheid van het besluit in.
Oordeel Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden
De Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) oordeelt dat
het adviesrecht niet van toepassing was op het onderhavige besluit.
Nu de zorgaanbieder echter advies had gevraagd, had hij de
adviesprocedure correct moeten doorlopen. Hij had afspraken moeten
maken met de cliëntenraad over de termijn waarbinnen deze zijn
advies zou uitbrengen. Over dit advies had hij overleg met de
cliëntenraad moeten voeren, voordat hij het besluit nam. Door het
besluit te nemen zonder het advies van de cliëntenraad af te
wachten, had de zorgaanbieder onzorgvuldig gehandeld ten opzichte
van de cliëntenraad.
Laatste nieuws op wetgevingsgebied
De Minister van VWS heeft onlangs een wetsontwerp - Wetsontwerp
Cliëntenrechten Zorg (WCZ) - aan zorg- en cliëntenorganisaties
voorgelegd, dat de huidige patiëntenwetgeving - waaronder de Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) - en een deel van
de kwaliteitswetgeving in 2011 zal dienen te vervangen. Doel van
het wetsontwerp is de positie van cliënten in de zorg (nog) verder
te versterken. Of het wetsontwerp hier ook daadwerkelijk toe zal
leiden, is thans nog zeer onduidelijk, aangezien de WCZ nog niet
officieel openbaar is gemaakt. Uiteraard houden wij u via onze
nieuwsbrief op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen op dit
gebied.
* het is belangrijk om dit voorbehoud uitdrukkelijk te
maken, anders wordt de ondernemer (in dit geval een zorgaanbieder)
in feite geacht het mede-zeggenschapsorgaan (in dit geval een
cliëntenraad) een adviesrecht ter zake te hebben toegekend.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Concessieovergang in het openbaar vervoer - gaat de OR mee
over?
Bij een concessieovergang in het openbaar
vervoer, gaat de ondernemingsraad (OR) van de oude concessiehouder
niet mee over naar de nieuwe concessiehouder, maar houdt op te
bestaan. Dit heeft gevolgen voor de verhaalbaarheid van
proceskosten van de (voormalige) OR.
De feiten
Busmaatschappij Arriva heeft met ingang van 1 januari 2007
de concessies ten aanzien van de regio's De Meijerij, Brabant
Oost en de provincie Noord-Brabant gekregen. Tot die tijd werd het
openbaar vervoer binnen deze concessiegebieden verzorgd door BBA
Personenvervoer (hierna: 'BBA'). Op grond van de Wet
personenvervoer 2000 heeft Arriva het personeel dat voor BBA in
deze regio's werkzaam was, van BBA - als oude concessiehouder -
moeten overnemen.
Enkele weken voor de concessieovergang was er op het niveau van De
Meijerij en Brabant Oost een afzonderlijke OR ingesteld. De vraag
die speelde was of deze OR, op grond van de regeling van overgang
van onderneming, met de concessie was overgegaan naar Arriva.
Arriva stelde zich op het standpunt dat dit niet het geval was. De
OR, die meende dat dit wel het geval was, legde de zaak voor aan de
kantonrechter. Overeenkomstig artikel 36 lid 3 van de Wet op de
ondernemingsraden (hierna: 'WOR') werd daaraan voorgaand het
oordeel van de bedrijfscommissie gevraagd.
Het oordeel van de bedrijfscommissie
Volgens de bedrijfscommissie voor vervoer en logistiek heeft de
concessieovergang geleid tot een overgang van onderneming.
Vervolgens stelt de bedrijfscommissie vast dat noch de regeling van
overgang van onderneming, noch de WOR uitsluitsel geeft over het na
de overgang al dan niet voortbestaan van een OR. Volgens de
bedrijfscommissie dient ervan te worden uitgegaan dat de OR mee
overgaat, maar dat het orgaan daarna zo snel mogelijk moet worden
ingepast in de medezeggenschapsstructuur bij de verkrijger. Van dit
inpassen was naar het oordeel van de bedrijfscommissie sprake op
het moment dat na de concessieovergang verkiezingen zijn gehouden
voor ondernemingsraadcommissies bij De Meijerij en Brabant
Oost.
Kantonrechter Den Bosch
Anders dan de bedrijfscommissie is de Kantonrechter Den Bosch van
mening dat de concessieovergang helemaal niet tot een overgang van
onderneming heeft geleid. Afgezien van het personeel en de klanten,
werden er namelijk geen bussen - een elementair onderdeel van de
busonderneming - overgenomen. De kantonrechter concludeert dan ook
dat de OR op het moment van de concessieovergang is opgehouden te
bestaan.
Was er al sprake geweest van een overgang van onderneming, dan had
dit er volgens de kantonrechter evenmin toe geleid dat de OR met de
onderneming mee over was gegaan naar Arriva. De OR gaat volgens de
kantonrechter namelijk alleen met de onderneming mee over naar de
verkrijger, als de onderneming na de overgang als eenheid blijft
voortbestaan. Bij de onderhavige concessieovergang is dit niet het
geval. De overgenomen werknemers gingen deel uitmaken van de
onderneming van de verkrijger (Arriva) en werden daarom vanaf dat
moment vertegenwoordigd door de OR van de verkrijger.
Proceskosten
Na deze uitspraak van de kantonrechter ontstond een
geschil over wie de door de OR gemaakte proceskosten moest
vergoeden. In een daarop volgende procedure oordeelde de Rechtbank
Leeuwarden dat de OR jegens Arriva geen aanspraak kon maken op
vergoeding van de proceskosten op grond van de WOR. Het
medezeggenschapsorgaan was immers niet mee overgegaan naar Arriva,
waardoor het ten tijde van het rechtsgeding formeel niet meer
bestond.
Conclusie
Het is oppassen geblazen voor OR-leden. Aan het aanspannen
van een procedure in geval van een vermeende overgang van
onderneming (met OR) is een serieus procesrisico voor hen
verbonden.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Zo moeder,
zo dochter: niet zonder risico's
Op grond van artikel 25 WOR moet een
ondernemer de ondernemingsraad (OR) advies vragen over bijvoorbeeld
een voorgenomen besluit tot gehele of gedeeltelijke beëindiging van
de werkzaamheden of tot een wijziging van de verdeling van de
bevoegdheden. Niet zelden, en dan met name in concernverband, is
het echter niet de ondernemer (de dochtervennootschap) zélf die
zo'n besluit neemt, maar is het de (vaak buitenlandse)
moedervennootschap. Moet de OR van de dochter in dergelijke
gevallen tóch in de gelegenheid worden gesteld advies uit te
brengen? Drie voorbeelden.
Aanwijzing
Een moeder besluit de activiteiten van twee dochters samen
te voegen. Het daadwerkelijke besluit om samen te gaan voegen kan
die moeder echter niet nemen, dat kunnen uitsluitend de dochters
zelf. Het besluit van de moeder is niet meer dan een 'aanwijzing',
waaraan die dochters zich overigens moeilijk kunnen onttrekken. Het
besluit van de moeder is geen voorgenomen besluit in de zin van de
WOR, en de ondernemingsraden van de dochters hebben dan ook geen
adviesrecht ten aanzien van dat besluit. Het adviesrecht speelt pas
indien de dochters gehoor geven aan de aanwijzing van de moeder en
gaan besluiten hun activiteiten daadwerkelijk samen te voegen.
Toerekening
Dat ligt echter anders in het volgende voorbeeld. Een
moedervennootschap stelt jaarlijks het budget vast van een dochter
die een onderzoekslaboratorium heeft. Als de moeder besluit dat
budget te halveren, betekent dat hoe dan ook dat de werkzaamheden
van de dochter gedeeltelijk beëindigd gaan worden. Het besluit van
de moeder werkt direct door binnen de onderneming van de dochter.
De dochter had dit besluit ook zelf, dat wil zeggen los van de
moeder, kunnen nemen. Als het bestuur van die dochter dan ook nog
eens nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van het
besluit, kan het besluit van de moeder toegerekend worden aan de
dochter. Dat betekent dat de OR van de dochter in de gelegenheid
gesteld had moeten worden advies uit te brengen over een
voorgenomen besluit dat formeel door de moeder genomen gaat worden.
Als dat niet gebeurt, dreigt het gevaar dat de rechter verbiedt het
besluit uit te voeren.
Vereenzelviging
Dan een besluit van de moeder dat, anders dan in het
voorbeeld van de toerekening, níet door de dochter wordt genomen,
maar dat wél gevolgen heeft binnen de onderneming van die dochter.
Een moedervennootschap heeft geen eigen OR, de dochter heeft dat
wél. Enige jaren geleden heeft de moeder vrijwillig het
structuurregime ingevoerd, hetgeen onder meer betekent dat de OR
van de dochter invloed heeft op de samenstelling van de raad van
commissarissen van de moeder. Als de moeder besluit haar statuten
te wijzigen om daarmee het vrijwillige structuurregime af te
schaffen, heeft dat tot gevolg dat de bevoegdheden van de OR bij de
dochter wijzigen. In een dergelijk geval, waar het besluit tot
statutenwijziging van de moeder natuurlijk nooit door de dochter
genomen zou kunnen worden, wordt de moeder vereenzelvigd met de
dochter. De OR van de dochter had dus om advies gevraagd moeten
worden over het voorgenomen besluit. Gebeurt dat niet, dan dreigt
ook hier het gevaar dat de rechter verbiedt het besluit van de
moeder uit te voeren.
Kortom, voor moeders en dochters blijft het oppassen
geblazen!
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Verlies
OR-lidmaatschap na overgang van onderneming
Dat het OR-lidmaatschap niet van rechtswege mee overgaat
na een overgang van onderneming blijkt uit een recent gepubliceerde
uitspraak van de Ondernemingskamer.
De feiten waren als volgt. Begin 2007 zijn enkele activiteiten van
NS Stations, waaronder de activiteiten Tickets & Services
(T&S), door middel van een overgang van onderneming
ondergebracht bij NS Reizigers. Zowel NS Reizigers als NS Stations
had een OR. Van de OR van NS Stations waren 9 van de 15 leden
afkomstig uit de T&S geledingen. De leden van de OR van NS
Stations, die werkzaam waren in het onderdeel T&S, verloren
door de hierboven genoemde overgang naar NS Reizigers hun zetel in
de OR van NS Stations. Van deze leden gingen acht leden bij NS
Reizigers onder de noemer 'OR T&S' functioneren. Ten tijde van
de overgang is er nog gesproken over een convenant om vorm te geven
aan de medezeggenschap binnen de (nieuwe) organisatie. Er is echter
geen overeenstemming bereikt. Op enig moment heeft NS Reizigers aan
zijn OR advies gevraagd over een voorgenomen besluit over het
beleggen van de verantwoordelijkheden voor service en
veiligheidsprocessen, onder verzending van een kopie aan de 'OR
T&S'. Nadat de OR van NS Reizigers advies heeft uitgebracht,
heeft NS Reizigers het besluit genomen. Vervolgens stelt de 'OR
T&S' dat zijn adviesrecht is geschonden en wendt zich tot de
Ondernemingskamer.
De Ondernemingskamer stelt vast dat de 'OR T&S' bestaat uit een
groep werknemers die door het onderbrengen van de activiteiten van
(een gedeelte van) NS Stations hun dienstverband bij NS Stations
hebben verloren. Dit betekent - aldus de Ondernemingskamer - dat
zij op grond van de WOR van rechtswege op zijn gehouden lid te zijn
van de OR. Er zijn geen afspraken gemaakt over het verkrijgen van
een OR-lidmaatschap van de 'OR T&S' binnen de nieuwe
organisatie. Ook een feitelijk gevolgde werkwijze duidt hier niet
op. Voorts is er geen sprake van een OR voor een afzonderlijk deel
van de onderneming nu er geen besluit daartoe van de ondernemer
bestaat. Bovendien heeft de samenstelling van de 'OR T&S' niet
op de voor de ondernemingsraden in de wet voorgeschreven wijze
plaatsgevonden. De 'OR T&S' is dan ook niet langer aan te
merken als een OR zodat er ook geen sprake kan zijn van schending
van adviesrecht.
Klaarblijkelijk ging de 'OR T&S' er vanuit dat - nu alle
rechten en plichten na overgang van onderneming mee over gaan - ook
het OR-lidmaatschap mee over was gegaan. Dit is onjuist. Vanwege
het beëindigen van het dienstverband met de oude werkgever eindigt
ook van rechtswege het OR-lidmaatschap.
Het is in het belang van alle betrokken partijen om, wanneer er
sprake is van overgang van onderneming, voorafgaand aan de overgang
afspraken te maken over hoe de medezeggenschap eruit komt te zien
ná de overgang!
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Is de wijziging van een bonusregeling
instemmingsplichtig?
Op 1 december 2008 liet de Kantonrechter Den Haag zich
hierover uit. Hij slaat de plank echter mis.
Feiten
Om voor een prestatiebonus in aanmerking te komen, dienen
de werknemers van KPN Retail tenminste 75% van de vastgestelde
targetpunten te behalen. De directie van KPN Retail heeft haar OR
op enig moment in kennis gesteld van haar besluit om dit percentage
te verhogen tot 85. De OR is de mening toegedaan dat het besluit
van de directie instemmingsplichtig is, omdat dit betrekking heeft
op een beloningssysteem (als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub c
WOR). KPN Retail stelt zich daarentegen op het standpunt dat haar
besluit niet ziet op een beloningssysteem, maar slechts op de
hoogte van de bonus. Volgens KPN Retail heeft de OR dan ook geen
instemmingsrecht. De OR legt de zaak - in kort geding - aan de
kantonrechter voor. Hij vordert de veroordeling van KPN Retail om
elke uitvoering van het bestreden besluit te staken en gestaakt te
houden totdat aan zijn instemmingsrecht is voldaan, een en ander op
straffe van een dwangsom.
Overweging
De kantonrechter overweegt dat de OR alleen een wettelijk
instemmingsrecht heeft, indien en voor zover het gaat om een
wijziging betrekkelijk tot de systematiek of methodiek van een
beloningsregeling. In het geval de wijziging alleen betrekking
heeft op de hoogte van de bonus, ontbeert de OR een dergelijk
instemmingsrecht, aldus de kantonrechter.
Oordeel
Volgens de kantonrechter heeft de wijziging van het
percentage in dit geval wel gevolgen voor de hoogte van de bonus -
als gevolg van de gewijzigde ondergrens komen de werknemers van KPN
Retail minder snel in aanmerking voor een bonus -, maar leidt deze
op zichzelf niet tot een wijziging van de systematiek van de binnen
KPN Retail geldende bonusregeling. Op grond hiervan wijst de
kantonrechter de vorderingen van de OR af.
Kritiek
Hoewel de overweging van de kantonrechter juist is, kan
dit niet worden gezegd van zijn uiteindelijke beslissing. Door de
voorwaarden (targets) om (überhaupt) voor een bonus in aanmerking
te komen aan te scherpen, wordt de systematiek c.q. methodiek van
de bonusregeling per definitie gewijzigd. Als gevolg hiervan komt
de OR het in de WOR geregelde instemmingsrecht toe. Ten onrechte
heeft de kantonrechter dit recht miskend en de OR van KPN Retail
met lege handen achtergelaten.
Dus
Indien u uw bonusregeling (of enige andere regeling in de zin van
artikel 27 WOR) wenst te wijzigen, is het van belang dat u
vaststelt of de voorgenomen wijziging betrekking heeft op de
systematiek of de methodiek van de bonusregeling. In het
bevestigende geval heeft uw OR namelijk een instemmingsrecht en
kunt u als gevolg hiervan niet volstaan met de enkele (al dan niet
gemotiveerde) mededeling aan uw OR, dat u uw bonusregeling heeft
gewijzigd dan wel zult wijzigen.
Mocht u twijfelen of uw OR een instemmingsrecht heeft wanneer u
overweegt uw bonusregeling (of enige andere regeling als bedoeld in
artikel 27 WOR) te wijzigen, aarzelt u dan niet om (een van) onze
redactie(leden) te raadplegen.
Inhoudsopgave
...........................................................................................................................................................................
Opheffing vrijwillig
ingestelde ondernemingsraad
Een ondernemer die niet verplicht is een
ondernemingsraad (OR) in te stellen, kan besluiten om vrijwillig
een OR op te richten. Dat het opheffen van zo'n vrijwillig
ingestelde OR niet gemakkelijk is, blijkt uit een recente uitspraak
van de Kantonrechter 's-Hertogenbosch.
De feiten in de Bossche zaak waren als volgt. Binnen de betreffende
onderneming was sinds dertig jaar sprake van een OR. In 2002 was de
ondernemer overgegaan tot een vrijwillig ingestelde OR. Ten tijde
van de verkiezingen in 2005 is door de ondernemer welbewust
besloten tot continuering van de OR. Op dat moment bedroeg het
aantal werknemers 24. Eind 2007 was er een nieuwe bestuurder
aangetreden. Naar aanleiding van een verzoek van de OR om, in
verband met het naderende einde van de zittingsperiode,
verkiezingen te organiseren, gaf de ondernemer -ineens- te kennen
een personeelsvertegenwoordiging (PVT) te willen instellen in
plaats van de OR voort te zetten. Op dat moment bedroeg het
personeelsbestand 36. De OR stelde zich op het standpunt dat de
ondernemer niet gerechtigd is de OR op te heffen. Zij vordert in
Kort Geding -onder meer- dat de kantonrechter de ondernemer zal
gebieden het voorgenomen besluit tot opheffing van de OR op te
schorten totdat in een bodemprocedure is beslist over de vraag of
de ondernemer gerechtigd is de OR op te heffen.
De kantonrechter heeft de vordering van de OR toegewezen. Kort
weergegeven heeft zij daarbij overwogen dat de OR een belangrijke
rol speelt in een onderneming en dat het niet de bedoeling van de
wetgever is geweest het opheffen van een -vrijwillig ingestelde- OR
gemakkelijk te maken. Voor een dergelijke opheffing is dan ook, op
grond van de Wet op de ondernemingsraden, een belangrijke wijziging
van de omstandigheden nodig. Naar het oordeel van de kantonrechter
is de ondernemer er niet in geslaagd een belangrijke wijziging
aannemelijk te maken. De ondernemer had namelijk omstandigheden
aangevoerd die allang bestonden dan wel omstandigheden waarvan niet
duidelijk was waarom deze tot opheffing van de OR zouden moeten
leiden. Daarbij kwam, aldus de kantonrechter, dat zowel de OR als
een groot deel van het personeelsbestand zich hadden uitgesproken
voor het voortbestaan van de OR én dat niemand zich voor de
verkiezingen van een PVT kandidaat heeft willen stellen. Tot slot
oordeelde de kantonrechter dat, nu de ondernemer te kennen had
gegeven op korte termijn de functieprofielen opnieuw in te gaan
vullen, een continuering van de OR geboden is.
Deze uitspraak, die slechts summier wordt weergegeven, maakt
duidelijk dat een ondernemer goed onderbouwde argumenten dient te
hebben indien hij een OR wenst op te heffen, ook al is deze
vrijwillig ingesteld. Opgemerkt hierbij dient te worden dat zelfs
de instemming van de zittende OR met zijn eigen opheffing op
zichzelf geen belangrijke wijziging betreft, omdat de mogelijkheid
bestaat dat de achterban van de OR deze medezeggenschapsvorm wil
behouden. Een ondernemer dient ons inziens dan ook steeds
zorgvuldig te overwegen of hij vrijwillig een OR instelt.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
En wat mag dat dan wel
niet kosten?
Het Gerechtshof Den Bosch heeft zich recent uitgesproken over de
vraag in hoeverre de kosten van een door de ondernemingsraad
ingeschakelde advocaat voor rekening van de ondernemer komen. De
uitspraak noopt tot enige voorzichtigheid, met name voor de
ondernemer.
Artikel 22 van de Wet op de ondernemingsraden ('WOR') bepaalt dat
de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling
van de taak van de ondernemingsraad en zijn commissies ten laste
van de ondernemer komen. Onder de betreffende kosten vallen die van
het raadplegen van deskundigen en die van het voeren van
rechtsgedingen. Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de
ondernemer zich geconfronteerd ziet met torenhoge rekeningen, en al
helemaal niet wanneer het maar de vraag is of de inschakeling van
een deskundige redelijkerwijs noodzakelijk was. Daarom bepaalt de
WOR dat, tenzij de ondernemingsraad een eigen budget heeft, de
kosten van de inschakeling van deskundigen slechts voor rekening
van de ondernemer komen, indien hij tevoren van de te maken kosten
in kennis is gesteld.
In het onderhavige geval had de ondernemer besloten een nieuw
kassarooster in te voeren. Hij had het betreffende besluit niet ter
instemming voorgelegd aan de ondernemingsraad, die daarop een
advocaat inschakelde. Deze liet de ondernemer weten dat het
honorarium voor zijn werkzaamheden € 150 ex BTW per uur zou
bedragen. Een maximum aan kosten werd niet genoemd. In de diverse
(!) procedures die daarop volgden, werd de ondernemingsraad op alle
fronten in het gelijk gesteld, ook m.b.t. de door de ondernemer
opgeworpen vraag of er wel een ondernemingsraad was.
De ondernemer weigerde vervolgens de flink opgelopen rekening van
de advocaat van de ondernemingsraad te betalen. Ook hier delfde hij
het onderspit. Het hof overwoog dat de advocaat schattenderwijs
(d.w.z. aan de hand van de te verrichten werkzaamheden en van zijn
uurtarief) een opgaaf van de kosten mocht doen. Nu daartegen door
de ondernemer geen bezwaar was gemaakt, mocht van de redelijkheid
van de aldus te maken kosten worden uitgegaan, zo oordeelde het
hof. Zou de opgaaf van kosten volgens de ondernemer te veel het
karakter van 'een open begroting' hebben gehad, en zou hij vooraf
meer zekerheid willen hebben omtrent de uiteindelijke omvang van
die kosten, dan had hij vóór aanvang van de werkzaamheden van de
advocaat bezwaar tegen diens kostenopgaaf.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Zorgaanbieder stuurt
centrale cliëntenraad 'naar huis'
Een zorgaanbieder heeft geen vertrouwen meer in de voorzitter van
de centrale cliëntenraad, maar de centrale cliëntenraad wil deze
voorzitter desondanks handhaven. Het gevolg is een slechte en
onwerkbare verhouding met de zorgaanbieder, waardoor de centrale
cliëntenraad volgens het Gerechtshof Den Haag niet langer in staat
kon worden geacht de gemeenschappelijke belangen van de cliënten te
behartigen. Om die reden mocht de zorgaanbieder de centrale
cliëntenraad naar huis sturen.
De feiten
Stichting De Grote Rivieren, een zorgaanbieder die een instelling
voor geestelijke gezondheidszorg in stand houdt, had ter uitvoering
van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (WMCZ) met
haar centrale cliëntenraad een samenwerkingsovereenkomst gesloten
op grond waarvan de zorgaanbieder aan de centrale cliëntenraad
faciliteiten en financiële middelen ter beschikking stelde voor de
uitoefening van zijn werkzaamheden. De voorzitter van de centrale
cliëntenraad had het door de zorgaanbieder op grond van deze
overeenkomst ter beschikking gestelde geld oneigenlijk gebruikt. De
centrale cliëntenraad had echter nog voldoende vertrouwen in zijn
voorzitter en handhaafde deze in zijn functie. De verhouding tussen
zorgaanbieder en de centrale cliëntenraad raakte daardoor ernstig
verstoord. De zorgaanbieder achtte zich niet langer gebonden aan de
samenwerkingsovereenkomst en ontzegde de leden van centrale
cliëntenraad de toegang tot de locaties.
De centrale cliëntenraad stapte daarop naar de rechter en vorderde
nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, waaronder het
beschikbaar stellen van de faciliteiten en het voeren van
overleg.
Het oordeel van het Hof Den Haag
Onder de aangeduide omstandigheden had de zorgaanbieder zich
volgens het hof op goede gronden op het standpunt kunnen stellen
dat de cliëntenraad wegens ernstig en duurzaam disfunctioneren niet
langer in staat kon worden geacht de gemeenschappelijke belangen
van de cliënten te behartigen, hetgeen is vereist op grond van de
WMCZ. Het hof wees de vorderingen van de centrale cliëntenraad
daarom af.
Conclusie
Anders dan de ondernemingsraad kan de cliëntenraad zonder
voorafgaande tussenkomst van een onafhankelijke toetsende instantie
door de zorgaanbieder worden verwijderd als hij niet langer
representatief geacht kan worden voor zijn achterban en/of niet
langer in staat geacht kan worden de gemeenschappelijke belangen
van die achterban te behartigen. De WMCZ biedt de cliëntenraad met
andere woorden geen 'ontslagbescherming'. Dat dit de
onafhankelijkheid van het medezeggenschapsorgaan ten opzichte van
de zorgaanbieder niet ten goede komt, spreekt voor zich. Daarom is
het raadzaam om in de samenwerkingsovereenkomst met de cliëntenraad
(of in het cliëntenradenreglement) een regeling te treffen die
ervoor zorgt dat de cliëntenraad slechts door de
vertrouwenscommissie kan worden ontbonden op basis van een in die
regeling opgenomen beperkt aantal gronden.
Inhoudsopgave
............................................................................................................................................................................
Eindelijk duidelijkheid
omtrent betekenis 'groepsbegrip' WOR
Na ruim 30 jaar heeft de Hoge Raad op 14 maart 2008 duidelijkheid
gecreëerd omtrent de betekenis van het begrip 'in een groep
verbonden ondernemers' als bedoeld in de WOR.
Waar ging het in deze zaak om? TNT N.V. (hierna: TNT) hield 51% van
de aandelen in joint venture Cendris BSC Customer Contact B.V.
(hierna: Cendris BSC). De overige 49% van de aandelen werd gehouden
door Essent Retial Bedrijven B.V. (hierna: Essent). In de statuten
van Cendris BSC was bepaald dat aandeelhoudersbesluiten slechts met
een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen konden worden
genomen. De vraag die ter beantwoording voorlag, was of werknemers
in dienst van Cendris BSC dienden te worden vertegenwoordigd in de
centrale ondernemingsraad (COR) van TNT. De COR van TNT meende dat
dit het geval was en baseerde zich daarbij (in hoofdzaak) op
artikel 33 WOR.
Dit artikel verplicht de ondernemer die bij zijn ondernemingen twee
of meer ondernemingsraden heeft ingesteld, tot het instellen van
een COR indien dit ten aanzien van deze ondernemingen bevorderlijk
is voor een goede toepassing van de wet. Deze verplichting geldt
ook ten aanzien van 'in een groep verbonden ondernemers'. Omdat de
wetgever dit begrip niet heeft gedefinieerd, was het aan de Hoge
Raad om hieraan in deze kwestie nadere invulling te geven.
De Hoge Raad overwoog dat een joint venture behoort tot de groep
van de ondernemer die de doorslaggevende zeggenschap in de joint
venture heeft, met als gevolg dat de werknemers van deze joint
venture dienen te worden vertegenwoordigd in de COR van genoemde
ondernemer. Heeft geen van de participerende ondernemers
doorslaggevende zeggenschap in de joint venture, dan blijven de
werknemers van de joint venture van medezeggenschap op
concerntopniveau verstoken.
Gezien het feit dat TNT ondanks haar meerderheidsaandeel geen
doorslaggevende zeggenschap in Cendris BSC had - krachtens de
statuten konden aandeelhoudersbesluiten immers slechts met
tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen worden genomen -,
kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat werknemers in dienst van
Cendris BSC niet dienden te worden vertegenwoordigd in de COR van
TNT.
Dat de Hoge Raad na ruim 30 jaar invulling heeft gegeven aan het
begrip 'in een groep verbonden ondernemers' in de zin van de WOR
maakt de onderhavige uitspraak voor het medezeggenschapsrecht tot
een belangwekkend arrest.
Jammer is wel dat de Hoge Raad geen aandacht heeft besteed aan het
gevaar van een 'informatielek' bij vertegenwoordiging van de
werknemers van een joint venture in de COR van een van de
participerende ondernemers, in het geval de in de joint venture
deelnemende ondernemers elkaars concurrenten zijn.
Inhoudsopgave